Een liefdeloze rehabilitatie van de echte liefde

Dit artikel is geschreven door SEBASTIEN VALKENBERG
Gepubliceerd op 22 januari 2014, in Trouw.

Byung-Chul Han: De terugkeer van Eros.
Van Gennep, Amsterdam. 70 blz euro14,95.

Over de schrijver
Byung-Chul Han is hoogleraar filosofie aan de Universität der Kunste in Berlijn. Bij ons is hij vrijwel onbekend, maar in Duitsland geldt hij als een ster. De Süddeutsche Zeitung noemde hem zelfs al de opvolger van Peter Sloterdijk. In elk geval is hij net zo’n omnivoor. Er is nauwelijks een onderwerp waarover Han niet schrijft. Depressie, films, porno. Je komt dit – en heel veel meer – tegen in zijn boeken. Zo ook in zijn nieuwste essaybundel – of is het een pamflet? – ‘De terugkeer van Eros’ (2013).

Zijn ambitie
Eros rehabiliteren. De bundel bestaat uit zeven korte essays. Ze behandelen verschillende thema’s, maar de god uit de Griekse mythologie keert steeds terug. Hem associeert Han met de echte liefde, die steeds schaarser zou zijn geworden. De klacht luidt onder meer dat anderen fungeren als ‘seksobjecten’. De grote boosdoeners zijn de consumptiemaatschappij, het kapitalisme en de pornoficatie van de samenleving. ‘Porno is niet zozeer virtuele seks – zelfs de reële seksualiteit verwordt tot porno.’ Al na een paar bladzijden weet je dat de ondergang van het Avondland weer eens op handen is. Reden voor Han om te pleiten voor een tegenoffensief.

Het resultaat
Een verzameling stukken die lijdt aan ‘apodictitis’, een term die bij mijn weten is gemunt door journalist/redacteur Thomas Vanheste. Han poneert de ene stelling na de andere, maar laat de onderbouwing (veelal) achterwege. Hij gaat er wel erg gemakkelijk vanuit dat onze samenleving ‘steeds narcistischer’ wordt. Waar baseert hij zich op? Dezelfde vraag kan worden gesteld naar aanleiding van zijn aanname dat we midden in een ‘crisis van de liefde’ zitten. Hoezo? Alsof vroegere samenlevingen zoveel ruimte lieten voor de echte liefde. Meer dan tegenwoordig werden huwelijken gesloten uit berekening; of er amoureuze gevoelens in het spel waren, deed minder ter zake.

Opvallendste stelling
In deze tijd kan alleen een Apocalyps ons bevrijden. Zulke ferme woorden maken nieuwsgierig naar de precieze bedoeling van Han. Helaas steekt de apodictitis ook hier de kop op. De boude stelling komt uit een essay over ‘Melancholia’ (2011) van regisseur Lars van Trier. In deze film komt een planeet steeds dichterbij de aarde om hier aan het slot bovenop te knallen. Wil Han op vergelijkbare manier korte metten maken met de samenleving die hij ziet ontsporen? Geen idee, nadere toelichting ontbreekt. Wat rest is vrijblijvend geflirt met de Apocalyps.

Dikste zin
Veel zinnen in ‘De terugkeer van Eros’ zijn als een visgraat die in je keel blijft hangen. Ik sla het boekje op een willekeurige plaats open en kom op pagina 23 tegen: ‘De tijd zonder ogenblik is alleen additief en niet meer situatief.’ Of op bladzijde 55: ‘De seksualiteit past in de gebruikelijke orde van het habituele die het gelijke reproduceert.’ Maar de leermeesters van Han – G.W.F. Hegel, Martin Heidegger en verschillende postmoderne filosofen – blonken ook al niet uit in helderheid.

Reden om dit boek niet te lezen
Inhoud en vorm hadden amper meer van elkaar kunnen verschillen. Han breekt een lans voor de echte liefde, maar een echte ambassadeur van Eros mag hij niet heten. Daarvoor is zijn proza te liefdeloos. Het is moeilijk voorstelbaar hoe de dikke zinnen hierboven bijdragen aan de rehabilitatie die Han voor ogen staat. Daarnaast ontbreekt het aan originele invalshoeken. De rotheid van de consumptiesamenleving, de terreur van de markt, de pornoficatie van de samenleving. Het is een kliekje dat Han voor de zoveelste keer heeft opgewarmd.

Reden om dit boek wel te lezen
Als iemand de status heeft van filosofische ster, maakt dat nieuwsgierig naar zijn werk. Daarbij heeft Peter Sloterdijk een grote schare fans in Nederland. Misschien weet men het werk van diens opvolger (Han) ook te waarderen. In elk geval behandelen beide denkers vergelijkbare onderwerpen.

De filosoof Byung-Chul Han is lui en ‘leeft achteruit’ om te ontsnappen aan collectief narcisme

Vergroten door te klikken

Ons leven in het laatkapitalisme is dood en collectief narcistisch, stelt de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han. Bepaald geen vrolijke boodschap. Maar er ís een betere wereld mogelijk: wees lui, vier de Ander, leef achteruit.
Marian Donner
2 april 2025 – verschenen in De Groene nr. 14

Daar staat hij dan: de laatmoderne mens. Vervreemd, ontheemd en uitgeput. Het kampvuur is gedoofd, de perenboom omgehakt, er is geen plek meer om samen te komen, om verbinding te vinden. De laatmoderne mens vindt nergens nog een thuis. Gevangen in het blauwe licht van zijn beeldscherm is hij vervallen tot een knooppunt in een netwerk van commerciële relaties. Was de wereld ooit een theater, een stage,tegenwoordig is het een markt waar ‘elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. De laatmoderne mens speelt niet meer, hij kan niet meer luisteren, niet meer liefhebben, zijn ego draait rondjes om zichzelf. Dus daar staat hij dan: ‘onder een blote hemel in een landschap waarin niets onveranderd was gebleven behalve de wolken, en in het middelpunt, in een krachtveld van verwoestende stromen en explosies, het nietige, broze mensenlichaam’. 

Die laatste zin is van Walter Benjamin, maar dit is hoe de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han vaak naar andere denkers verwijst: hij verweeft hun woorden met zijn eigen woorden, de bronvermelding staat ergens in een voetnoot achterin, en zo vloeit de tekst voort, in een stream of consciousness vol citaten, aforismen, metaforen, herhalingen en oneliners – ‘Wij leven in een hel van het gelijke.’ De woorden werken als een soort bezwering, de lezer raakt in een roes, voelt zich bij vlagen zelfs opgetild. Zelden werd zijn wanhoop, dat enorme verlangen naar iets beters en mooiers, indringender beschreven dan hier.

Han bedrijft filosofie als kunst, zo meent hij zelf. In een interview uit 2021 met ArtReview legt hij uit dat zijn boeken daarom ook steeds dunner worden. Elke zin is als het ware een microkosmos van het boek, en elk boek een microkosmos van het oeuvre. Uiteindelijk zullen zijn boeken waarschijnlijk helemaal verdwijnen, dan zijn ze opgelost in de lucht en ‘kan iedereen ze inademen’. Waarom zou je immers een boek van duizend pagina’s schrijven als je de wereld ook kunt verlichten met een paar zinnen? Duizend pagina’s wegen niet op tegen een enkele haiku, aldus Han in het interview: ‘De eerste sneeuw – zelfs de narcisbladeren buigen.’

Wie is deze man die misschien wel de populairste, nog levende filosoof ter wereld genoemd kan worden? Hij is in elk geval de best verkopende. Han werd in 1959 geboren in Seoul, Zuid-Korea, de exacte datum houdt hij geheim. Na een studie metallurgie vertrok hij op zijn 22ste naar Duitsland om daar filosofie te studeren, hetgeen hij niet aan zijn ouders vertelde omdat ze hem anders nooit hadden laten gaan. Je zou kunnen zeggen dat zijn afkeer van transparantie en openheid toen al tot uitdrukking kwam. Dat Duitsland zijn ‘spirituele huis’ was, zoals Han het zelf noemt, wist hij toen hij op zijn zestiende voor het eerst Bach hoorde. Zijn Duitse medestudenten herinneren zich hem als een enthousiaste, praatgrage jongen die onophoudelijk vragen stelde. En dat was het biografisch gezien wel zo’n beetje. Veel meer is er niet bekend.

Han geeft zelden interviews, houdt geen lezingen of webinars en reist nauwelijks. Het liefst werkt hij in zijn tuin of speelt hij piano. Als hij een dag niet pianospeelt, wordt hij ziek. Hij heeft een smartphone, maar als iemand belt neemt hij niet op. Hij gebruikt het ding vooral voor een app waarmee hij planten classificeert. Volgens eigen zeggen is hij extreem lui en schrijft hij slechts drie zinnen per dag. Dat doet hij ’s nachts. Dan vangt hij de ideeën op die in de lucht hangen en kopieert hij de woorden. Die woorden zijn volgens Han slimmer dan hij: ‘Ik ben een idioot.’ Hij is katholiek. Sinds een aantal jaar huist de Franse filosofe Simone Weil in hem: Han gelooft dat hij haar reïncarnatie is.

Dit is ongeveer het enige dat Han over zichzelf vertelt in de paar interviews die hij gaf en ook in zijn boeken zal de lezer verder niets vinden. Het is misschien wel het opvallendste aan zijn werk: de complete afwezigheid van een ‘ik’. Nooit haalt Han een herinnering op, nooit vertelt hij een anekdote. Waar de hedendaagse cultuur gedomineerd wordt door persoonlijke verhalen, liefst echt gebeurd, liefst zo dicht mogelijk op de eigen huid, vlakt Han zichzelf juist weg. Maar dit is dan ook een van de symptomen van het laatkapitalisme dat hij in al zijn boeken zo vurig bestrijdt.

Het huidige tijdsgewricht wordt gekenmerkt door ‘een excessieve relatie tot het zelf’, schrijft Han. Al dat ge-ik, al dat denken over het zelf, over hoe het te positioneren, etaleren, verbeteren, verkopen, om het zo de wereld in te manifesteren: de laatmoderne mens heeft zich naar binnen gekeerd. Er is sprake van een collectief narcisme. De Ander verdwijnt steeds meer naar de achtergrond.

In het interview met ArtReview zegt Han dat hij deze verdwijning van de Ander als de kern van zijn werk beschouwt. Daarmee bedoelt hij niet de ander in wie je je kunt herkennen, iemand die bijvoorbeeld schrijft vanuit de eigen ervaring, over de eigen gevoelens, om lezers zo de geruststellende gedachte mee te geven dat we diep vanbinnen allemaal hetzelfde zijn (waarmee de wereld nog meer vervalt tot ‘een hel van het gelijke’), maar de Ander met een hoofdletter: een massieve entiteit die tegenover je staat en juist in zijn vreemdheid ontzag afdwingt. Want alleen in diens aanwezigheid wordt de eendimensionaliteit doorbroken, om even met Marcuse te spreken, en openen zich nieuwe werelden.

Zo vrolijk en licht als Byung-Chul Hans leven uit de spaarzame informatie naar voren komt, zo deprimerend en zwaar is zijn werk. Laat varen al die hoop. Of zoals de Zuid-Koreaanse rapper RM van de immens populaire boyband BTS ooit zei toen hij in een interview De terugkeer van Eros aanraadde: ‘Je zou weleens diep gefrustreerd kunnen raken, omdat het boek suggereert dat de liefde die we momenteel ervaren, helemaal geen liefde is.’

Ondanks zijn zelfverklaarde luiheid en die drie zinnen per dag schreef Han inmiddels 31 boeken. Soms publiceert hij er meerdere per jaar. Het is haast onmogelijk om die enorme productiviteit bij te houden, maar dat hoeft gelukkig ook niet, want een paar uitzonderingen daargelaten lijken alle boeken op elkaar. Steeds weer haalt Han dezelfde denkers aan: Benjamin, Foucault, Heidegger. Steeds weer gebruikt hij dezelfde zinnen en dezelfde perenboom waaronder ooit een gezamenlijk verhaal werd gezongen. Wat verschilt is alleen de invalshoek: of Han het leven onder laatkapitalisme fileert vanuit bijvoorbeeld de liefde, digitalisering, het verdwijnen van verhalen, van rituelen of de drang tot transparantie. Zijn oeuvre is als een bouwwerk, een huis van woorden, waarbij elk boek als het ware een andere kamer vult. Het geeft de lezer houvast, een vaste positie, of om in de terminologie van Han te blijven: een thuis in ruimte en tijd, van waaruit de wereld plotseling overzichtelijk lijkt, ja, begrijpelijk zelfs.

De buitensporige agressie vermengd met zelfmedelijden van types als Elon Musk of Donald Trump – de lezer van Han begrijpt onmiddellijk dat wat we hier aanschouwen ‘een fatale accumulatie van ego-libido is’. Deze mannen zijn bezweken onder hun eigen narcisme. Of neem het interview met Frans Timmermans dat een tijdje geleden in de Volkskrant stond, toen de nietsvermoedende lezer halverwege verrast werd met een extreem intieme ontboezeming over seksueel misbruik. Daarna kabbelde het interview rustig weer door. Het misbruik werd geen nieuws, het haalde niet de kop.

Zo normaal is het delen van trauma’s kennelijk al geworden: dit is inderdaad de wereld als markt ‘waar elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. Al die hyperpersoonlijke verhalen over pijn en verdriet die de huidige cultuur domineren, de boeken, documentaires en Instagram-posts over rouw en verlies: soms lijkt het of er steeds extremere verhalen nodig zijn om de hedendaagse mens nog iets te laten voelen. Alsof hij door de continue claim op zijn empathie en inlevingsvermogen emotioneel langzaam aan het afsterven is.

Het is niet alleen dat het leven onder laatkapitalisme zijn plezier en uitbundigheid verloren heeft, schrijft Han. Het is veel erger: wij leven in een necropolis. Er heeft zich een rigor mortis over het bestaan uitgespreid, een zwaarte en stijfheid. Omdat we tegenwoordig niets zo vrezen als de dood, aldus Han in een omkering waar hij zo dol op is – de overdaad aan gevoelens leidt tot een gevoelsarmoede; wie onder de huidige transparantiedwang alles kan zien, ziet niets meer. En een leven waaruit de dood verbannen is, is een ondood leven.

Tegenwoordig is de dood geen Ander meer, geen monolitische, angstaanjagende aanwezigheid in het licht waarvan het leven harder straalt. In plaats daarvan wordt ze weg geproduceerd. Verstopt achter gesloten deuren en in verzorgingstehuizen, of een handje geholpen met middel X of een capsule in de Zwitserse bossen, de Sarco genaamd, waar je jezelf voor negentien euro kunt vergassen. De dood wordt op afstand gehouden door zo ‘schoon’ en gezond mogelijk te leven.

En de vraag is niet meer wat een goed leven is, maar hoe we het zo lang mogelijk, in optimale toestand, kunnen rekken. Het toont de leegte waarin we ons bevinden, schrijft Han: ‘De hysterie rond gezondheid en optimalisering is alleen mogelijk in een naakte, van zin verstoken wereld.’ Want een leven onderworpen aan de dictaten van gezondheid, prestatie en optimalisatie is een overleven. Hoeveel luxe dat leven ook bevat – crèmes van duizend euro, wellnesscenters met zuurstofcabines – het mist glans, soevereiniteit en intensiteit. Het creëert een ondood leven, een dood-in-leven: ‘Prestatie zombies, fitness zombies, Botox zombies’. De huidige gezondheidsmanie, aldus Han, ‘is de biopolitieke manifestatie van het kapitaal zelf’.

We denken misschien dat we vrij zijn om onze eigen keuzes te maken, houden onszelf voor dat dit is wat we zelf willen, al die avocado’s, supplementen en ijsbaden, maar onder de schijn van vitaliteit voeden we een systeem van eindeloze productie, prestatie, groei en een ‘willekeurige, kankerachtige woekering’.

Het is het grote verschil met de heersende regimes van weleer, schrijft Han. Onder laatkapitalisme komt de onderdrukking niet meer van buitenaf, van regulering en allerhande ge- en verboden, maar van binnenuit: ‘Wij exploiteren onszelf vrijwillig en hartstochtelijk, in de overtuiging dat we onszelf op die manier verwerkelijken.’ Er is geen concrete tegenstander meer, niemand die direct onze vrijheid inperkt, geen onderdrukker om je tegen te verzetten. Wij kiezen zelf voor dit ondode leven. Opgezweept door de continue oproep om meer en beter te presteren, is de uitgebuite werknemer getransformeerd in de vrije ondernemer die zichzelf exploiteert.

Han citeert Kafka: ‘Het dier ontneemt zijn meester de zweep en geselt zichzelf om zo meester te worden.’ Tegenwoordig zijn wij meester en slaaf ineen. De klassenstrijd heeft plaatsgemaakt voor een interne strijd tegen onszelf. Geweld keert zich niet meer naar buiten, tegen onderdrukkende structuren, maar naar binnen. Vandaar dat de cijfers van depressie, burn-out, automutulatie en zelfdoding almaar groeien. En dat zal voorlopig ook niet veranderen, aldus Han, aangezien het huidige systeem steunt op de eenzame, geïsoleerde ondernemer van het zelf: ‘Je kunt geen revolutionaire massa vormen uit depressieve, ontwortelde individuen.’

Vergroten door te klikken


Han staat in de traditie van de Frankfurter Schule. Net als de filosofen uit deze school – onder meer Benjamin, Adorno en Marcuse – richt hij zich voornamelijk op (pop)cultuur om de heersende ideologie te analyseren die ons heeft gevormd, ons denken en voelen stuurt, en die we zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden als de vis die het water niet meer ziet waarin hij zwemt. Tegelijkertijd echter is Han bij uitstek een denker van en voor deze tijd. Hij mag dan niet vanuit een ik schrijven, op veel andere vlakken valt hij wel degelijk vaak samen met hetgeen hij bekritiseert.

Zo hekelt hij bijvoorbeeld het verdwijnen van verhalen in deze tijd, er is alleen nog een eindeloze stroom informatie die ons overspoelt, maar zelf draagt hij in hoge mate bij aan die stroom: als zijn boeken iets ontberen is het wel een verhaal. Han schrijft voornamelijk in catchy oneliners die het zo goed doen in allerhande columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Citaten uit zijn werk zijn makkelijk te delen, de algoritmen hebben een voorkeur voor hem, online genereert hij talloze hartjes en likes: juist het door hem zo verfoeide internet heeft hem groot gemaakt.

Cynisch gezien zou je zelfs kunnen stellen dat zijn hoge productie, gecombineerd met alle herhaling, van elk laatste boek het intellectuele equivalent maakt van de iPhone-zoveel die de vorige editie vervangt.

En echt nieuw is het allemaal ook niet. Zie de Frankfurter Schule – maar ook de talloze boeken, artikelen en persoonlijke essays die inmiddels verschijnen over de prestatiesamenleving, zelfoptimalisatie die tot zelfexploitatie leidt, de heersende gezondheidscultus, de havermelkelite, depressies die voortkomen uit een gebrek aan connecties, het asociale van sociale media, of hoe het voelt om een laatmoderne mens te zijn: vervreemd, ontheemd en uitgeput. Meestal is kapitalismekritiek daarbij niet ver weg. De meeste mensen weten het immers allemaal al. Veel van de analyses van Han zijn allang doorgedrongen tot het grote publiek, mede dankzij al die columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Tegenwoordig is iedereen een cultuurcriticus. Alleen is Han echt heel veel beter dan de rest.

Het verschil zit hem niet alleen in de diepte van zijn analyses of de tomeloze energie, lees: levenslust, van zijn stijl. Het is dat de gemiddelde cultuurkritiek doorgaans zo gretig terugvalt op ouderwetse ge- en verboden. Zet je telefoon of router eens uit. Lees een boek. Maak een praatje met een vreemde. Luister naar een ander. Luister naar de zee (dit is overigens de ultieme gladstrijking van de Ander, maar dat terzijde). Kijk om je heen, verwonder je.

Het is de doelgerichtheid, dat denken in individuele oplossingen, dat zo naadloos aansluit bij de laatkapitalistische ideologie. Het is het optimisme ervan. Als er geen rituelen meer zijn, maken we toch gewoon onze eigen rituelen? Dan branden we een kaarsje in een tent die als gesubsidieerd kunstproject tijdelijk ergens is neergezet, of planten we een boom voor onze dode vader. Uiteindelijk draait alles om aandacht, toch?, en aandacht is liefde, en op die manier is op zondag de krant lezen of met een bord eten op schoot Studio Sport kijken heus ook wel een soort ritueel. En als we grote verhalen missen, in de politiek bijvoorbeeld, dan neemt elke willekeurige partij gewoon een heidag, stelt wat focusgroepen in, huurt nog een bevriende copywriter in, en komt er wel wat: Yes we can!

Als vissen die het water niet meer zien, bieden veel hedendaagse cultuurcritici geen oplossingen, maar verergeren ze juist het probleem. Want zo simpel is het allemaal niet, laat Han zien. Een ritueel onderga je niet in je eentje, of met een groepje gelijkgestemden, maar overstijgt juist de individuele ervaring en het eigen ego: het verbindt je aan grond (de voorouders), hemel (de goden) en elkaar (de gemeenschap). Een verhaal kan niet zomaar worden bedacht.

Of zoals Han zegt: ‘Een verhaal dat de wereld verandert, dat de wereld opent, wordt niet willekeurig door een individuele persoon in de wereld gebracht.’ Laat staan door een denktank. Een verhaal is de uitdrukking van de stemming van een tijd, er zijn talloze verschillende krachten en spelers nodig om het te vertellen, en al helemaal om het te veranderen. Het enige wat je als individu daarom kunt doen is een vonkje inbrengen dat samen met talloze andere vonkjes op een dag hopelijk een vuur ontbrandt.

Dus wat als je zo’n vonkje wil zijn?

Een ding is in elk geval zeker: tegenover de kapitalistische doodsdrift kán alleen maar de levensdrift staan. En die levensdrift, schrijft Han in Vita contemplativa, borrelt op in de inactiviteit. Niets doen vormt het tegenwicht. Niet per se op persoonlijk niveau, Han geeft de lezer geen opdrachten of lifehacks, maar beschrijft in plaats daarvan de achilleshiel van het laatkapitalistische systeem.

Al is dit wel waarom hij zelf leeft zoals hij doet. Zijn luiheid, het tuinieren en pianospelen, de idioot uithangen: Han kan het doen omdat hij er dankzij zijn succes het geld voor heeft, maar in een interview met El País stelt hij ook dat hij deze benadering van het leven als een politieke daad beschouwt. De wereld heeft een verkeerde afslag genomen, zegt hij in het interview, en daarom beweegt hij zich nu in de tegenovergestelde richting. ‘Achteruit leven’, noemt hij het.

Het is de alomtegenwoordige nadruk op productie, prestatie en groei, die kankerachtige woekering, die ons continu aanzet tot handelen, en ons daarmee heeft gereduceerd tot ‘gebruiks- en werkvee’. We razen zo hard door dat er een ademloosheid is ontstaan: ‘De mens stikt zowat in wat hij zelf aan het doen is.’ Wat volgens Han daarom nodig is, is stilstand. Een overgang van handelen naar zijn. Want pas in de inactiviteit worden we de grond waarop we staan gewaar en de ruimte waarin we ons bevinden. Pas dan schakelt het leven ‘over op zijn contemplatieve modus en pendelt terug naar zijn geheime zijnsgrond’.

Ter ondersteuning voert Han in Vita contemplativa een hele reeks filosofen aan. Guy Debord, Adorno, Nietzsche, de late Heidegger, Thomas van Aquino, allemaal zeiden ze hetzelfde: een bestaan dat overdacht kan worden, aanschouwt en beschouwt, het vita contemplativa dus, is het ‘doel van heel het menselijk leven’.

De sabbat is ook nooit een rustdag na de scheppingsdaad geweest waarop God zogezegd op adem komt, stelt Han. Nee, die rust vormt de essentie, is de kern van de schepping. Daarom is de rust, de inactiviteit, ook goddelijk: ‘Als we rust ondergeschikt maken aan werk, negeren we het goddelijke’. Hij haalt weer een haiku aan: ‘Rustig zitten, niets doen/ de lente komt/ en het gras groeit vanzelf.’

Pas als de doelmatige nadruk op functionaliteit en nuttigheid verdwijnt wordt overleven leven. Pas dan ‘vibreert het leven zichzelf’. Komt het ego los van zichzelf, wordt het weer ontvankelijk voor zijn omgeving, kan het de Ander horen en zien. Want in de inactiviteit bestaat geen vastbesloten zelf. De mens legt zijn naam af, hij wordt niemand en geeft zich over aan dat wat gebeurt. Of zoals Han Roland Barthes citeert: ‘Dat zou de echte luiheid zijn: zo ver komen dat je, op bepaalde ogenblikken, geen “ik” meer hoeft te zeggen.’ Alleen dan behoort het leven zichzelf toe en wordt het weer speels en feestelijk.

De inactiviteit heeft haar eigen logica, haar eigen taal, haar eigen tijd, haar eigen architectuur, haar eigen pracht, ja haar eigen magie. ‘Zij is geen zwakte, geen gebrek, maar een intensiteit, die in onze op activiteit en prestaties gerichte maatschappij niet meer wordt waargenomen en geen erkenning vindt.’ Maar dit is waar het ware geluk in schuilt: in het doel- en nutteloze, ‘het bewust omslachtige, het onproductieve, het nemen van omwegen, het buitensporige, het overbodige, de fraaie vormen en gestes die geen nut hebben en nergens toe dienen’. Vrijheid van doel en nut is de essentie van inactiviteit en de basisformule voor geluk. Het is de zin van het leven. Inactiviteit geeft het bestaan feestelijkheid en glans.

Tegen die eeuwige dwang om te presteren, te produceren en te consumeren, moet volgens Han dan ook een politiek van inactiviteit worden gezet. Een politiek die werkelijk vrije tijd kan genereren. En daarin staat, als het aan Han ligt, het feest centraal.

Het is een onderwerp dat in bijna al zijn boeken terugkomt, soms als terzijde, soms uitgebreid, maar het feest, zou je kunnen zeggen, is het hartstochtelijk kloppende hart van al zijn werk. En dat behandelt hij nergens zo uitgebreid als in het onlangs in vertaling verschenen Over het verdwijnen van rituelen.

Of misschien moeten we Feest schrijven, want net als met de Ander bedoelt Han zeker niet de kleine, middelmatige variant ervan. Niet het feest dat is uitgehold door commercie, met vip-ruimtes en flessen Moët en iedereen die in het wit gaat dus, maar het Feest als ‘een jubelende bevestiging van het menselijk bestaan’, zoals de Duitse (katholieke) filosoof Josef Pieper het beschreef.

Het feest brengt de tijd tot stilstand: ‘tijd als opeenvolging van vergankelijke, vluchtige momenten wordt opgeheven’. De profane alledaagsheid maakt plaats voor exces en extravagantie, men laat de controle varen en danst met wildvreemden tot het ochtendgloren. ‘Een overvloeien van het leven’, noemt Han het. Er is geen extern doel waar de feestganger zich aan onderwerpt, het collectieve narcisme verdwijnt. Het feest verzamelt en verenigt, het bindt ons aan grond, aan de voorouders die ook al zo feestten, aan hemel en elkaar: ‘Het feest sticht een gemeenschap onder mensen en met de goden. Het laat mensen deelhebben aan het goddelijke.’

Han verafschuwt de leegte en onttovering van deze tijd, hij lijkt terug te willen keren naar het kampvuur, de perenboom, de overdadige oogstfeesten. ‘Zou u zichzelf classificeren als een romanticus?’ vraagt de interviewer van ArtReview op een gegeven moment aan Han, zo groot vindt hij het verlangen naar magie en mysterie dat in al zijn werk doorklinkt. Maar voor Han, zo legt hij uit, is alles wat bestaat magisch en mysterieus: ‘De aarde is magisch en iedereen die iets anders beweert is blind.’

Het is daarom niet genoeg om voorzichtiger met de aarde als hulpbron om te gaan: ‘We hebben een compleet andere relatie met de aarde nodig. We moeten haar haar magie, haar waardigheid teruggeven. We moeten het vermogen tot inactiviteit herontdekken, het vermogen om niet te handelen.’ Wat Han zoekt is een hernieuwd evenwicht waarbij de mens niet meer zijn omgeving en zichzelf domineert, maar opnieuw een ‘thuis’ vindt.

Dat thuis zijn we verloren, laat Han in elk boek zien. De laatmoderne mens heeft geen vaste grond meer onder zijn voeten, tijd glijdt als los zand langs zijn vingers, het leven is vluchtig geworden, voelt willekeurig en toevallig, Han spreekt van een ‘contigentiestorm’. En zonder bindende en verbindende verhalen die antwoord geven op het waarom en waartoe van ons bestaan neemt die contingentie almaar toe.

Maar de wereld wordt niet zomaar weer heel. De golven informatie zullen ons via onze apparaten blijven overspoelen, globalisering is niet meer terug te draaien naar het lokale of de meent, God blijft dood: contingentie is here to stay. We zullen ons daarom, meent ondergetekende, op een nieuwe manier moeten zien te verhouden tot ruimte en tijd. Niet terugverlangen naar hoe het ooit was, met dat kampvuur en de perenboom, maar nieuwe relaties aangaan. Want Han mag contingentie, het idee dat alles ook heel anders had kunnen zijn, dan als een existentiële bedreiging zien, zelf wordt ondergetekende daar eigenlijk heel gelukkig van.

Zo’n leuk weetje over een liaan in Zuid-Amerika die het uiterlijk van naburige planten kopieert (en geen mens die begrijpt hoe hij dat doet): het is pure informatie, maar vormt wel degelijk de aanzet tot een verhaal. Bomen die via ondergrondse schimmelsporen aan elkaar verbonden zijn, het universum draait waarschijnlijk rondjes, onder de piramiden van Gizeh zijn onlangs meterslange constructies gevonden, op TikTok staat een filmpje van iemand die muziek maakt voor giraffes, kraaien en olifanten, ze komen allemaal naar hem toe, aaien hem, bewegen heen en weer, het is duidelijk: deze dieren dansen.

Contingentie gooit de boel open, en vormt bovendien een noodzakelijke inspiratiebron voor verzet. Als kapitalisme immers ergens op teert is het wel het idee dat het niet anders kan, dat dit nu eenmaal het beste systeem van alle slechte is, capitalist realism, Tina (there is no alternative). Maar het hoeft niet zo te zijn. We hoeven niet zo te leven. Het is hetzelfde gevoel dat ook de boeken van Han, met al hun informatieoverload, je als lezer geven. Er is een betere wereld mogelijk. En die zou wel degelijk zo kunnen zijn als Han hem in de laatste alinea van Vita contemplativa schetst: ‘In het komende rijk van de vrede zijn mens en natuur met elkaar verzoend. De mens is niet meer dan een medeburger in een republiek van levenden, waartoe ook planten, dieren, stenen, wolken en sterren behoren.’ Dan behoudt elk wezen op deze aarde zijn waarde. Dan vieren we feest, zingen en dansen we, en zijn we werkelijk vrij.

Meer A.I. op ShakingLife

Hoe groter de technologische vooruitgang, hoe meer we lijden

| recensie

Door Hans Achterhuis op 2 april 2026 | Filosofie Magazine

Volgens de Frans-Tunesische denker Mehdi Belhaj Kacem hebben we God zelf gemaakt en leidt techniek tot eindeloos veel kwaad.

Mag je een boek bespreken waarvan je twee hoofdstukken nauwelijks gelezen hebt? Kun je iets positiefs zeggen over een tekst waarmee je het radicaal oneens bent? Durf je een recensie aan van een boek waarvan je de naam van de auteur niet kende voordat je het in handen kreeg?

Mijn antwoord is driewerf ‘ja’. Om met het laatste ‘ja’ te beginnen, het verbaasde me dat ik van Mehdi Belhaj Kacem nog nooit had gehoord, terwijl ik de Franse filosofie toch redelijk denk te volgen. Dat deze Frans-Tunesische denker in Parijs als cultfilosoof gevierd wordt, was mij echter totaal ontgaan. Korte afstemming met Nederlandse collega’s maakte mij duidelijk dat hij in ons land inderdaad onbekend is. Omdat ik getroffen werd door de grootsheid van zijn filosofisch systeem en omdat ik de denkers waarop Kacem zich beroept – in de eerste plaats Heidegger – redelijk meen te kennen, durfde ik een recensie aan.

Tegelijkertijd moet ik erkennen dat ik, ondanks mijn intensieve lectuur, twee hoofdstukken nauwelijks kon volgen. Ze zijn gebaseerd op een filmverhaal en een literaire tekst die ik niet kende en die niet helder worden weergegeven. Toch blijven deze hoofdstukken intrigeren. De film is Total recall van Paul Verhoeven en in mijn jonge jaren als docent zou ik graag de film met studenten hebben bekeken en het commentaar van Kacem hebben bediscussieerd.

Mijn derde en nog resterende twijfel bij deze recensie was hoe je omgaat met een tekst waarmee je het radicaal oneens bent. Het grootse filosofische systeem dat Kacem optuigt loopt uit op het type speculaties over de toekomst dat we ook van de techbro’s uit Silicon Valley kennen, waarin verondersteld wordt dat techniek grenzeloze mogelijkheden geeft. Het techno-optimisme van Silicon Valley krijgt bij Kacem echter de vorm van een apocalyptisch ondergangsgeloof. Bij beide interpretaties van de ontwikkeling van techniek voel ik mij niet thuis, maar Kacems benadering geeft meer stof tot denken en dus ook tot gefundeerde tegenspraak dan het posthumanistische geloof dat ons tegenwoordig uit de Verenigde Staten toewaait.

Mensen en dieren

Wat maakt God, techniek en alwetendheid ondanks de bezwaren zo aantrekkelijk? Met behulp van de uitstekende inleiding van vertaler Pieter Lemmens waag ik enkele opmerkingen erover. In de eerste plaats gaat het om de durf om in onze tijd van filosofische interpretaties van bestaande teksten een nieuwe wijsgerige weg in te slaan. In Kacems complexe denksysteem draait het om de verschillende manieren waarop de natuur door mensen en dieren wordt toegeëigend. Belangrijk is het verschil daartussen. Beide zijnswijzen moeten zich het bestaande toe-eigenen om te overleven en dat gaat altijd gepaard met dood en lijden als een soort betaling daarvoor. De menselijke toe-eigening gaat echter verder dan die van dieren, omdat mensen zich met behulp van techniek ook de wetmatigheden van de natuur kunnen toe-eigenen. Maar naarmate de techniek meer mogelijkheden geeft, wordt ook de prijs die we ervoor betalen in de vorm van dood en lijden hoger. In de mogelijkheden van techniek schuilt ook het fenomeen van het kwaad. Voor Kacem, die niet aarzelt om het christelijke begrip ‘erfzonde’ te gebruiken, houdt kwaad in dat de techniek mensen in staat stelt om elkaar ook niet-noodzakelijk, buitensporig lijden toe te brengen.

Meer A.I. op ShakingLife

God als technisch hoogstandje

Robotbaby van het bedrijf Babyclon, ontwikkeld voor educatieve doeleinden. Barcelona, 2022© Olivia Arthur / Magnum Photos / ANP
Ga onderaan naar pag. 2 , voor het voorwoord van de vertaler, dr. P.C. Lemmens.
Dichters & Denkers
God als technisch hoogstandje
Door technologie kan de mens alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde buiten zichzelf bewaren. Wat wij altijd God hebben genoemd, is volgens de filosoof Mehdi Belhaj Kacem niets anders dan dit alwetende geheugen.
Tom Grosfeld
15 april 2026 – verschenen in De Groene, nr. 16

De ideeën die de Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) uitwerkt in zijn essay God, techniek en alwetendheid laten je wekenlang verpletterd achter. De meest provocerende gedachte: wat we altijd God noemden is in wezen niets anders dan de technologie. Kacem is in Nederland amper bekend (dit is de eerste vertaling van zijn werk), maar wordt in Frankrijk al jaren gezien als een enfant terrible, punk- en cultfilosoof en groot denker, stelt filosoof Pieter Lemmens in de inleiding. Na bijna dertig jaar schrijven verscheen in 2020 zijn magnum opus Système du pléonectique, waarin hij zijn groots opgezette filosofische systeem ontvouwt. Ook dit essay, gebaseerd op een lezing die hij in 2016 hield, vertrekt vanuit bovenstaande gedachte.

Kacem opent zijn essay met een bespreking van de ‘traumatische structuur’ van het menselijke geheugen. Daarmee doelt hij op het gegeven dat de mens zijn geheugen (alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde) heeft geëxternaliseerd, buiten zichzelf bewaart. Dit steeds totaler wordende, bijna alwetende technologische geheugen, ontstaan door talloze uitvindingen zoals het schrift, inkt, papier, de boekdrukkunst en de computer, is in alle opzichten superieur aan het biologische en dus beperkte individuele geheugen van de mens.

De exponentieel toenemende wanverhouding die ontstaat tussen beide geheugens valt de mens zwaar, als een trauma dat elke dag groter wordt. Dit trauma ligt volgens Kacem aan de basis van het lijden van de mens en specifiek de toename van steeds ernstigere geheugenstoornissen zoals dyslexie, autisme, schizofrenie, psychose, neurose en depressie. Wat deze pathologieën gemeen hebben, schrijft hij, is dat ze proberen een teveel aan geheugen te ‘reguleren’ door het te sluiten, zoals een obsessief persoon bijvoorbeeld doet door zich uitsluitend te concentreren op één onderdeel van zijn geheugen, en iemand die in waanzin verkeert zich juist laat meevoeren door alle mogelijke denksporen en kan ervaren dat hij in staat is tot een exacte, totale en profetische voorspelling van de gehele toekomst, of juist paranoïde wordt en alles ‘weet’ wat andere geheugens achter zijn rug om weten. Kacem laat zien dat ons geheugen niet zo natuurlijk en vanzelfsprekend is als we denken. Het is gemaakt, technisch en daarmee ook precair en potentieel ontwrichtend.

Het vermogen van de mens om zijn lijden onnodig en buitensporig te vergroten, waarvan bovenstaande pathologieën voorbeelden zijn, noemt Kacem het Kwaad. Omdat de mens in zijn diepste kern een technologisch wezen is, dat wil bij Kacem zeggen een wezen dat in staat is tot technologische virtuositeit (en zich zo’n beetje de hele natuur en de wetmatigheden achter het zijn kan toe-eigenen), is het Kwaad gegeven met de zijnswijze van de mens. Dat is, oneerbiedig samengevat in één zinnetje, waar het pleonectisch systeem (afgeleid van de Oud-Griekse uitdrukking pleon echein, ‘meer hebben’, in de zin van hebzucht) van Kacem op neerkomt: de menselijke technologische virtuositeit waardoor we ons materieel en cognitief oneindig veel meer konden toe-eigenen dan zelfs de intelligentste dieren zich ooit kunnen voorstellen.

Permanente technologische innovatie is in die zin geen specifiek kenmerk van onze tijd, zoals sommige (techniek)filosofen beweren, maar al zo’n dertig- tot veertigduizend jaar aan de gang. Wat wel typerend is voor ons tijdvak, of althans voor het ‘techno-wetenschappelijke tijdperk van de pleonectiek’, is dat de mogelijkheden tot toe-eigening werkelijk onbeperkt worden. De mens neemt vandaag de dag op terminale wijze de gehele aardse gemeenschap over.

Maar niet alleen laat de ‘beloning’ van deze permanente innovatie, die een intensiteit en snelheid heeft bereikt die nooit is geëvenaard, nog altijd op zich wachten, schrijft Kacem, ze leidt ook onherroepelijk tot de exponentiële toename van buitensporig lijden – van de pest en cholera tot schizofrenie en autisme, van oorlog en marteling tot dakloosheid en armoede – dat voor ons nooit heeft bestaan. Toe-eigening gaat dus onherroepelijk gepaard met onteigening. Hoe meer herinneringen we ons toe-eigenen, hoe kwetsbaarder we worden. De externalisering en archivering van kennis die door techniek mogelijk is gemaakt is als een pharmakon, zowel gif als medicijn, zowel verrijkend als verwoestend.

En dan wordt het nu tijd om God erbij te halen. Wat is het idee van God? Volgens Kacem een volledig geheugen, een totale communicatie van alle informatie en kennis van wat is, geweest is en zal zijn, zonder beperkingen. Het idee van God wil een oplossing bieden voor de eindigheid van het menselijk geheugen. Vandaar zijn hypothese: wat als datgene wat we altijd God hebben genoemd de technologie zelf is?

Laat er geen misverstand over bestaan, schrijft Kacem, ‘ik formuleer hier niet de gangbare “prometheïsche” hypothese dat de mens, bedwelmd door zijn technologische macht, zichzelf uiteindelijk “voor God houdt”. Mijn stelling is veel radicaler. Ik stel dat datgene wat we altijd en overal, waar dan ook, in welke formulering dan ook, “God” hebben genoemd, niets anders is dan de technologie of preciezer gezegd: de technowetenschap. God kan om volledig aantoonbare redenen niets anders zijn, wat gelovigen, fideïsten en fundamentalisten van welke strekking er ook van vinden.’

Volgens Kacem kunnen alle predicaten die we altijd hebben toegeschreven ‘aan die ongrijpbare entiteit die we God noemen’, in ieder geval in theorie worden toegepast op de Technologie: een totaal geheugen, alwetendheid, almacht en, waarom niet, onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo’n onsterfelijke, eeuwige machine behoort niet alleen tot de orde van het mogelijke, maar zelfs tot die van het aannemelijke, schrijft hij. ‘De materialisering van dit totale geheugen ligt vandaag de dag binnen handbereik.’

God, het project van de mensheid, is met andere woorden bezig zichzelf te verwerkelijken. Hij wordt steen voor steen gebouwd, als de totaliteit van alle technische geheugens, en wij zijn allemaal zijn arbeiders. Leuke voetnoot: alleen al het idee van God zou, naast zo veel andere dingen, nooit in ons opgekomen zijn als we niet het dier van techno-mnemonische (technieken die het geheugen externaliseren en uitbreiden, zoals het schrift, computers, internet) virtuositeit waren, schrijft Kacem. ‘De intuïtie van God hebben we volledig te danken aan het technologische wonder dat ons lang geleden overkwam.’

Kacem richt zijn vizier in de tweede helft van zijn essay op het transhumanisme, de stroming die de koppeling tussen technowetenschap en God het dichtst benadert. Natuurlijk zeggen de transhumanisten van Silicon Valley (en inmiddels de meer mainstream programmeurs die aan een soort goddelijke kunstmatige intelligentie bouwen, zeg ik erbij) niet openlijk dat ze van plan zijn om God te maken, schrijft Kacem. ‘Een wetenschapper uit Silicon Valley die letterlijk zou zeggen wat hun ideologie in onzichtbare inkt zegt, namelijk God = technologie, zou waarschijnlijk zijn carrière in gevaar brengen.’

Toch is dat de transhumanistische hypothese: wij topwetenschappers kunnen God creëren, een superintelligentie, een supergeheugen, een entiteit die onsterfelijk en eeuwig is, almachtig en alwetend. Om dit gedachtegoed verder te detailleren voert Kacem de twintigste-eeuwse pater-filosoof Teilhard de Chardin op, de eigenlijke (niet erkende) grondlegger van het (zogenaamd atheïstische) transhumanisme. Deze denker interpreteerde het darwinisme, de geschiedenis van de evolutie van de soorten, als zeer lange voorbereiding op het ontstaan van de mens, die op zijn beurt weer uitsluitend op aarde zou zijn om (een technologische) God voor te bereiden.

Kacem sluit niet uit dat het de transhumanisten op een dag zal lukken, er zijn wel gekkere dingen gebeurd. En de mens blijft nu eenmaal een technologisch dier, in staat tot het volbrengen van wonderen. Dat zou wel betekenen dat we afkoersen op een wereld zonder mens. De eeuwigheid, onsterfelijkheid en eindigheid waar transhumanisten zo in geloven hebben enkel betrekking op de machine. Voor ons bestaat er geen dingmatige eeuwigheid. Toch blijven we innoveren en ernaar toewerken. We kunnen niet anders.

Net wanneer Kacem zich wel heel nadrukkelijk lijkt te voegen bij de traditie van het apocalyptisch ondergangsdenken dat zo kenmerkend is voor Silicon Valley, maakt hij, behoorlijk subtiel, duidelijk dat hij geen transhumanist in vermomming is, maar de mensheid juist probeert te behoeden voor dit toekomstscenario (en nee, niet door méér techniek of méér AI). Of misschien wil hij ons er alleen op attenderen. Ook goed. Alleen vraagt hij zich af: hopen we werkelijk dat we de macht van Silicon Valley kunnen beperken door aan ethiek te doen? ‘Daarmee zouden we de mensheid vragen niet langer na te streven wat ze altijd al boven alles heeft nagestreefd. Het is de ontologische machinerie van de pleonectiek.’ We weten niet hoe we deze manier van zijn kunnen beteugelen, onderbreken. We weten niet beter of de technologie is het instrumentarium voor onze hyper-toe-eigening. Dat is waarom alles soms zo onvermijdelijk voelt, waarom het fatalisme geneigd is de overhand te nemen. Dit is wie we zijn als mens. De machine draait op volle toeren.

Meer A.I. op ShakingLife

De Sterrenhemel van Bezem

Voordat ik Marinus Bezem  conceptueel aan het woord laat, eerst mijn eigen verhaal – dat eigenlijk het verhaal van Icarus is. Al zocht ik het niet de hoge hemel, maar bezocht ik een berg van acht meter hoog, hier in de buurt.

Overmoedig stormde ik het vertrouwde klinkerpaadje op, op weg naar de top – die bekroond wordt met het monument van Marinus Bezem.
Vroeger was die beklimming voor mij een makkie, daar draaide ik m’n hand niet voor om. Maar nu leek het handen- en voetenwerk te worden – tot ik halverwege omkeerde en meer glijdend dan stappend, eerder wankelend, aan de afdaling begon, met grote moeite mijn evenwicht bewarend. Ik voelde me een neerstortende Icarus, die van Brueghel, met de voortploegende boer op de voorgrond, als symbool van een onverschillige wereld.
Maar wat mij overkwam was precies het tegendeel daarvan: toen ik toch nog zonder ongelukken beneden aan belandde, stond daar als door een wonder bij de voet van het pad een klein jongetje – dat me met ernstige ogen aankeek en zei: “Oppassen…!”

Sterrenhemel

“Even achterover leunen en genieten van de sterrenhemel. Daar lijkt dit kunstwerk van Marinus Boezem een uitnodiging toe. In de figuurlijke zin dan, want liggen op een stoel van graniet is verre van comfortabel. Wie vergeten is waar de sterren zich bevinden: de sokkel toont een kaart van de Melkweg en Noordelijke sterrenhemel.”

Klik rechtsboven op afbeeldingen om ze te vergroten.

“Het Observatorium ligt acht meter boven parkniveau en is bereikbaar via een pad van klinkers. De granieten stoel vertoont gelijkenis met de ‘Chaisse Longue’ van de beroemde architect Le Corbusier. Niet vreemd in een wijk die geïnspireerd is op de moderne architectuur, waar Le Corbusier de grondlegger van was. Elementen zoals licht, lucht en beweging zijn leidende motieven in het werk van Marinus Boezem. Andere fascinaties zijn het heelal en gotische kathedralen. Het zijn metaforen voor het verlangen van de mens om in aanraking te komen met het goddelijke.”

“Als je het geluid van de A10 wegdenkt”



De Bossche plastische getallen

Bovenaan:
De pleiners op het terras van Multivlaai, v.l.n.r. Klaaske, Casta, Hans (foto Hein).

Onlangs raakte ik in gesprek met Hans Schotman op het Buikslotermeerplein, waar Klaaske en ik een ijsje zaten te eten op het terras van Multivlaai. Het ging over de Emmaüs Priorij in Maarssen, waar ik net net over aan ‘t schrijven ben, i.v.m. de vijfdaagse meditatie sessie, die Maarten Houtman daar in juli 2001 hield.
We kregen het over de architectuur van het klooster, dat gebouwd is in de stijl van de Bossche School. De menselijk maat is daarin leidend bij de getalsverhoudingen van de architectuur. Le Corbusier was daar ook een prominent voorbeeld van.
Na afloop stuurde Hans me uitvoerige documentatie over Le Corbusier en de Bossche school, zie onderaan.

“Priorij Emmaus was een klooster van de Kanunnikessen van het Heilig Graf in Maarssen in Nederlandse provincie Utrecht. Deze rooms-katholieke orde kocht in 1957 de zeventiende-eeuwse buitenplaats Doornburgh.
Enkele jaren later liet de orde door Jan de Jong, leerling van Dom van der Laan, achter het landhuis, bij de Vecht, een priorij met pandhof bouwen. Het ontwerp was in de stijl van de Bossche School. Het nieuwe klooster werd in 1966 ingewijd door kardinaal Alfrink. Het 17e-eeuwse buitenhuis Doornburgh werd sindsdien gebruikt als gastenhuis.”
Wikipedia
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Emmaüs Priorij is altijd nauw verbonden geweest met het werk van Maarten Houtman. In de jaren zeventig van de vorige eeuw begon hij, met steun van Zr. Willibrord , de priores, daar met zijn groepen, waar ook inwonende zusters aan deel namen. Tot 2005 organiseerde Maarten maandelijkse groepsbijeenkomsten en meerdaagse sessies, die gehouden werden in de Kappittelzaal van het Klooster. Bij de lange sessies logeerden de deelnemers in de ‘Doornburgh’:

Doornburgh is een aan de rivier de Vecht gelegen 17e-eeuwse buitenplaats in het dorp Maarssen. Het huis is tezamen met onder meer het eromheen gelegen park, de toegangshekken, een timmermanswoning, een koetshuis en een ijskelder erkend als rijksmonument. Sinds 2017 wordt Doornburgh getransformeerd tot buitenplaats voor kunst en wetenschap.” (Wikipedia).  
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

Hierboven nog wat plaatjes van de priorij.

Hans vertelde me over de verhoudingsgetallen, waar de architectuur van de van de Bossche School op gebaseerd is. Zoals trouwens ook bij Le Corbusier, bij wie Hans in Berlijn werkzaam geweest is, Casta en hij hebben daar toen enige jaren gewoond. Hij beloofde me documentatie toe te sturen over de architectonische verhoudingsgetallen, hieronder zie je het resultaat.



1. Le Corbusier

Le Corbusier, geboren als Charles-Edouard Jeanneret in 1887, was een Zwitserse en Franse architect. Hij nam zijn naam aan op 33-jarige leeftijd, gebaseerd op Lecorbesier, een naam uit zijn voorgeschiedenis. Hij was een van de sterkste voorstanders van de toepassing van Phi in het dagelijks leven. Aanvankelijk was hij sterk tegen het idee, maar nadat hij het grondiger had bestudeerd, raakte hij gefascineerd door het concept. Hij was al lange tijd geïnteresseerd in een basisstructuur in de kunst. Zijn interesse in de kunsten werd van jongs af aan gestimuleerd door muzikale opleiding.

Pythagoras was gedurende zijn leven zeer geïnteresseerd in harmonie die in wiskundige interesse werd gevonden. Le Corbusier deelde deze interesse. Hij wilde “een harmonische maat bieden voor de menselijke schaal, universeel toepasbaar op architectuur en mechanica.” Op het moment dat hij dit bestudeerde, werd ander werk over proportionele systemen breed beoordeeld. Het was een tijd waarin het idee dat wiskunde ingewikkelde dingen kon oplossen steeds meer geaccepteerd werd. In 1951 organiseerde de Milan Triennale een internationale bijeenkomst over proporties, en Le Corbusier werd gekozen als voorzitter.

Le Corbusiers zoektocht naar een proportioneel systeem om harmonie te creëren resulteerde in de Modulor tussen 1943 en 1955.

Modulor

De Modulor leek op de Vitruvian Man in de zin dat ze allebei met menselijke proporties te maken hadden. In een deel van het systeem werd een (schaal) man van zes voet hoog met een arm opgeheven tot 2,15 meter in een vierkant geplaatst. De hoogte van zijn navel was een gouden deel van zijn lengte. Ook stond de hoogte van de uitgestrekte arm in een gouden relatie met de hoogte van de pols die naar beneden hing.

Het Modulor-systeem was gebaseerd op de Fibonacci-serie. Het doel was om “overal de menselijke schaal te behouden.” In 1952 werd het gebouw Unite d’ in Marseille voltooid, volledig gebaseerd op de Modulor. Le Corbusier geloofde dat het harmonie kon brengen aan alles, van deurklinken en kasten tot gebouwen en andere stedelijke ruimtes.

Hij publiceerde Le Modulor in 1948 en Modulor II in 1955, wat aandacht trok van architectuurkringen en werd opgenomen in elke discussie over proportie. Het systeem is tegenwoordig terug te zien in de architectuur van de moderne Le Corbusier-appartementen.

In 1946 schonk hij Modulor aan Albert Einstein. Einstein zei: “Het is een schaal van proporties die het slechte moeilijk maakt en het goede makkelijk.”

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

2. Dom van der Laan: Het plastische getal

Het plastische getal is bedacht door Dom Hans van der Laan (1904-1991).
Pater van der Laan studeerde architectuur bij professor Grandpré-Molière in Delft. In 1927 werd hij monnik in Oosterhout. In 1968 kwam hij naar de abdij van Vaals, waar hij op 19 augustus 1991 is gestorven.
Samen met zijn broer Nico gaf hij van 1945 tot 1973 een cursus “Kerkelijke architectuur”, die de herontdekking beoogde van de maatstaven en grondslagen van echte architectuur.

De abdijkerk van Vaals is de eerste rijpe vrucht van dit werk: een indrukwekkend geheel, bestaande uit bovenkerk, crypte en atrium, dat in 1968 voltooid werd. Sindsdien heeft Pater van der Laan verschillende andere kloosters gebouwd, alsook een privé-huis. In 1977 publiceerde hij zijn levenswerk “De architectonische ruimte”. Pater van der Laan heeft gezocht naar een systeem van maten met algemene geldigheid.

In tegenstelling tot de gulden snede, is het plastisch getal zowel in 2d als in 3d gerelateerd.

Van der Laan was niet geïnteresseerd in de afmetingen van de ruimtes zelf, maar in wat de verhouding tussen de afmetingen teweeg bracht bij de mens.
Hij maakte daarbij ook gebruik van andere verhoudingen dan de gulden snede, zoals 3 : 4, 4 : 7, 3 : 7 en 1 : 7, verhoudingen die we al terug vinden bij Romeinse bouwmeesters en die de mens herkent als volmaakt, omdat deze maten terug te vinden zijn in de natuur.

De kloosterkerk van Sint-Benedictusberg nabij Vaals in Zuid-Limburg. Aan beide zijden van de kerk is een galerij met 8 openingen met daarboven 14 ramen.
Hierdoor ontstaat de verhouding 8 : 14 = 4 : 7 (zie boven).

De plastische verdeling van een lijnstuk levert de twee nodige betrekkingen breedte/ hoogte= l/p en hoogte/ diepte= p/p^2 met l+p+p^2=p^5.

De term p kunnen we lezen als het plastische getal. Bij het oplossen van deze vergelijking geldt dat p gelijk is aan 1,324718.

Bij het beschouwen van ruimte zijn twee aspecten van belang. Namelijk het zien (de waarneming van de mens) en ons verstand (we maken er ons een voorstelling van). Dom Hans van der Laan zegt dat ruimte door de waarnemer beoordeeld wordt door zijn begrenzingen te meten, om zo inzicht te krijgen van de grootte van de ruimte. Dit meten is de manier waarop de mens van nature kennis neemt van zijn omgeving. Dat tellen gebeurt in eenheden van vergelijkbare grootte. Dom Hans van der Laan verwoordt deze eenheden met het begrip “type van grootte”. Dit begrip heeft geleid tot de totstandkoming van het stelsel van groottes en hun onderlinge verhouding volgens het plastische getal. Dit stelsel is gebaseerd op een reeks grootten, waarbij de verhouding tussen de termen van deze reeks constant is. In het geval van het plastische getal leverdt dit de meetkundige rij op met de acht lengte: 1, p, p^2, p^3, p^4, p^5, p^6 en p^7

Studies en voorbeelden van toepassingen van het plastische getal:

Meer informatie over de Sint-Benedictusberg op benedictusberg.nl


‘Verrijzenis Kerk’ in Enschede
waar Hans het altaar ontwierp

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Verrijzeniskerk in Enschede is een moderne kerk uit 1967 van architect ir. Joh.H.Sluymer en ir. A. Middelhoek. Het gebouw is in gebruik geweest om zowel een protestantse kerk te huisvesten, als een katholieke geloofsgemeenschap. In het pand is ook een stiltekapel die dagelijks open is om even binnen te lopen.

Beeldenstorm

Bovenaan:
Hanna voor één van de reusachtige doeken op de tentoonstelling.

Juli 2012 toog ik met Hanna Mobach naar de Documenta in Kassel – toevallig zag ik dat ik daar op het Zenalsleefwijze Blog een stukje over geschreven had, dat ik hierbij presenteer op ShakingLife. Zie ook het hier eerder verschenen  Ai Wei Wei,  Beijing/Berlijn. 
Klik afb. rechtsboven voor vergroting

Enkele nabeelden van de 13e Documenta

Uit: Zen als leefwijze blog, 8 augustus 2012

We leven in een wereld van beelden, beelden die zich in ons vastzetten als meningen, principes, idealen en wereldbeschouwingen. En we koesteren het wereldbeeld dat we hebben en zijn bereid te vechten voor onze ver-beelding van de werkelijkheid, voor onze heilige huisjes …

Maar ook al zijn we in die zin ‘fundamentalisten’, soms kunnen we, ronddwalend in ons vertrouwde landschap, even zien hoezeer al die beelden onze horizont vervuilen en haast geen ruimte meer laten om waar te nemen – en we smachten naar de openheid van een nieuwe, onbelaste wereld …

Als je een aantal dagen rondloopt op de Documenta, de vijfjaarlijkse kunstmanifestatie in Kassel, word je natuurlijk overstelpt met nieuwe beelden. Onwillekeurig ga je op zoek naar beelden die niet toevoegen aan het bekende, maar een bevrijdende werking hebben …

De 13e aflevering van Documenta speelt zich niet alleen in Kassel af, maar wordt ‘fysiek en conceptueel’ ook op een aantal andere locaties gehouden, met name in Afganistan. Daarbij is de blik gericht op de omstandigheden waaronder kunstenaars werken. Kaboel en Bamiyan spelen daarin een centrale rol, “omdat kunstenaars hier, naast een toestand van hoop, veelvuldig een staat van beleg ervaren, samen met terugtrekking en blootstelling.”

Het gebeuren in Bamiyan, waar de Taliban in 2001 twee monumentale zesde-eeuwse zandstenen boeddha’s opbliezen, heeft destijds diepe indruk op me gemaakt. Het was het jaar waarin ook die andere tweevoudige beeldenstorm plaatsvond …

In het (kunst)klimaat dat door de tentoonstellingsmakers is geschapen, voltrekt zich een omkering van het beeld van het Afganistan dat zich de laatste decennia in je vastgelegd heeft: het land van de krijgs’heren’, van verdeeldheid en haat, voor een aanzienlijk deel door buitenlandse inmenging gezaaid, van islamitische cultuurbarbarij en vrouwenonderdrukking. Je merkt dat er nog iets heel anders bestaat dan politiek en oorlogsgeweld, dat er mensen leven die zich op hun situatie bezinnen en aan die reflectie uitdrukking proberen te geven. Waarmee ze tevens de boodschap afgeven dat ze de bewoners zijn van een land dat – in een historische context van voortdurend wisselende rijken en beschavingen – een onvoorstelbaar rijke culturele traditie kent. En dat laat je niet onberoerd, gaandeweg onstaat er een gevoel van verbondenheid met de bewoners van deze verdoemde plaats – waar je je allang voor afgesloten had.

De Documenta locatie ‘Ehemaliges Elisabeth Krankenhaus’ is geheel door Afgaanse kunstenaars ingericht. Daar heeft Zainab Haidary de muren van vrolijke, kleurrijke bloemschilderingen voorzien – om haar schilderingen vervolgens symbolisch grotendeels met bruine muurverf te bedekken …


In het Fridericianum, de hoofdvestiging van de Documenta in Kassel, zijn beelden te zien van steenhouwers die in de grotten van de Bamiyan vallei opgeleid worden voor het vele herstelwerk wat nog te doen is. Het zijn beelden die een groot optimisme uitstralen …

Een van degenen die zich ter plekke daarvoor ingezet hebben is Michael Rakowitz, een Amerikaan met joods-irakese wortels. Er is een zaal gereserveerd voor zijn What Dust Will Rise’een project waarin hij in metaforische zin de wonden van de geschiedenis tracht te helen. Daarbij creëert hij een paradoxaal verband tussen ruimte en tijd, tussen vernietiging en opbouw. De 33 stenen boeken waaruit zijn installatie bestaat, vormen een selectie uit de bibliotheek van de landgraven van Hessen-Kassel – destijds gevestigd in het Fridericianum – die door het Engelse bombardement op Kassel van 9 september 1941 in vlammen opging. Deze verloren banden werden met de hulp van steenhouwers uit Afganistan opnieuw gemaakt van travertijn, ontgonnen in de heuvels van Bamiyan.

In de Rotunda, de half-cirkelvormige schatkamer van het Fridericianum, worden bezoekers slechts mondjesmaat binnengelaten. Er is prachtige kunst te zien, zoals stillevens van Morandi.
Maar dan – bijna over het hoofd gezien – staan daar, in een bescheiden, liggende vitrine, een aantal figuurtjes die je naar adem doen happen: de ‘Bactrische Princessen’. Het zijn vier millennia oude, uit steen gehouwen, zittende vrouwenfiguurtjes, van nog geen 20 cm hoog. De hoofdjes en de fragiele ledematen zijn van wit calaciet, de robes – Mesopotamische ‘kaunakes’, mantels, gewoven in een patroon dat overlappende bloemblaadjes of veren suggereert – van groen chloriet.
Deze overrompelende kleinoden komen uit Bactrië, een beschaving die ooit het westelijke deel van Centraal Azië – Turkmenistan, Oezbekistan en noorderlijk Afghanistan – omvatte en die de naam draagt van de stad Baktra, het huidige Balch in noordoost Afganistan. Het is een beschaving die ver voorafging aan het rijk van Alexander de Grote en dat van de Greco-Bactrische koningen.

De boeddha’s van Bamiyan keren terug in The Haunted Lotus, vier panelen van Khalim Ali, een miniatuurschilder uit de Hazara-gemeenschap uit Centraal-Afghanistan, tentoongesteld in de Neue Galerie – zie bijgaande afbeeldingen. De boeddha’s bevonden zich in Khadim Ali’s thuisprovincie Hazarajat.

Naast het emotionele beeld van een ingekapselde boeddha – een verwijzing naar de bamboe structuur die in het kader van het UNESCO restauratieproject rond de overblijfselen opgetrokken is – bevatten de panelen ook beelden van een demon. Die is gebaseerd op een karakter uit de Shahnama, het nationale Perzische epos van Ferdowsi, rond 1000 geschreven aan het hof van de grote sultan Mahmud van Ghazni, Afghanistan. De held van de Shahnama, Rostam, is bekend aan generaties Afghaanse kinderen.

Khadim Ali was stomverbaasd toen hij ontdekte dat de half geletterde Taliban strijders, bekend om hun vijandigheid jegens deze cultuur, zich voordeden als op Rostam lijkende heilige strijders. Op zijn panelen stelt hij deze geïnverteerde Rostam voor als een ambigue figuur, gloriërend in zijn schoonheid, maar sinister. In een toespeling op de Taliban, hebben zijn opgeblazen demons gezichten van monsters, hoorns en geitenoren, en dansen zij over de verkoolde, maar nog steeds beladen ruimte waar de boeddha’s stonden.

Zo komen op de dOCUMENTA (13) engagement en pure schoonheid samen in een artistiek statement, dat – zonder te polariseren – getuigt van “de potentiële helende kracht die kunst kan hebben” en je aanspreekt op je mens zijn.

Hein Zeillemaker

Een lied van leegte


“Als je hier alleen was geweest en was blijven staan om even te luisteren, had je allicht gehoord hoe de lippen van de aarde smakten en stil het water dronken, opzogen en lepten, en hoe de laatste droefenis van de droge, woeste herfst oploste en verzoend wegzakte, alsof ze insliep tijdens het zogen.”

S. Yizhar, Het verhaal van Chirbet Chiz’a. Een lied van leegte.


Ook jij zou als je soldaat was gruwelijke dingen doen


COLUMN

MARJOLEINE DE VOS
Gepubliceerd op18 mei 2026 om 19:45

Marjoleine de Vos is schrijver, dichter, columnist en redacteur kunst bij NRC.

Hoe moeilijk het is om je van jezelf voor te stellen dat je ellendige en gruwelijke dingen zou doen. Fouten maken, achteloos zijn, ruw zelfs, ja, dat kan, dat gebeurt. Onredelijk zijn ook. Maar wreed, moorddadig, mensen vernederen, pijn doen, doden misschien zelfs wel? Nee, denk je, daartoe ben ik niet in staat.

De Israëlische soldaat die deelneemt aan de ontruiming van een Arabisch dorp, denkt dat ook. Hij wil dit niet, denkt-ie. Dat vindt hij niet zo sterk van zichzelf. ‘Je bent ook zo’n slappeling.’

Hij en zijn maten drijven de dorpelingen die ze ‘Araboesjiem’ noemen bijeen („Het zijn geen mensen” zegt iemand van zijn eenheid) en als ze ze door de modder zien sjokken, zeggen ze „Het zijn net beesten!” Ze vervelen zich, ze wachten, het is smerig, ze zijn nijdig op hun lot en uit nijd trappen ze iets kapot, schoppen een oude man, schieten op een hond.

De soldaat voelt zich ongemakkelijk, ja, natuurlijk, net als jij die dit leest. Niet dat je zulke dingen zou doen. Ook niet als het bevel daartoe was gegeven, met precieze instructies? Nou misschien, maar dan niet zo, maar vriendelijk, netjes. De instructies gaan daar ook van uit, die spreken over het ‘zuiveren’ van ‘vijandige elementen’ en de soldaat denkt: ‘nu blijkt hoeveel goede, oprechte hoop erin werd gesteld dat de uitvoerders van de opdracht tot al dit „verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren” uiterst welgemanierd, beheerst en juist beschaafd te werk zouden gaan’.

De soldaat in kwestie is de verteller van het boekje Het verhaal van Chirbet Chiz’aEen lied van leegte, geschreven door S. Yizhar. Als je het leest ga je begrijpen hoe het kan – niet goedpraten! Niet rechtvaardigen! – dat soldaten zulke dingen doen. Deden. Altijd gedaan hebben en altijd zullen doen.

Jij ook, als je soldaat was.

Yizhar schreef het in 1949, en het gaat over een actie in 1948, tijdens de Nakba, de grote verdrijving van de Palestijnen. Yizhar had zelf als soldaat aan zulke acties deelgenomen, hij wist, en volgens het nawoord van Nathan Thrall wist iedereen dat destijds in Israël heel goed, dat de staat gebouwd was op dit onrecht, op dat ‘verbranden-opblazen-gevangennemen-inladen-afvoeren’.

Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren geldt nu al gauw als antisemitisch. In 1949 was het een algemeen besef

Het boek verscheen in het najaar van 1949 en werd een veelgeprezen bestseller.

Het inzicht dat er sprake is van onrecht jegens de Arabieren, onrecht in het verleden en onrecht in het heden, dat de Joodse staat gebouwd is ‘op de ruïnes van hun verlaten huizen’ zoals een dagbladcriticus toen onomwonden schreef, geldt nu al gauw als antisemitisch. Toen was het een algemeen besef, waarover je niet moest zeuren.

Hoewel dat verschrikkelijk is, zit de kracht van dit kleine boek er vooral in dat je begrijpt wat het is om dader te zijn en dat je het kúnt zijn, ook al zie je heel goed hoe die mensen daar zitten, bijeengedreven onder een boom, sommigen berustend, anderen bang of wanhopig, of die ene vol goed vertrouwen, „een zo mooie eigenschap, die nu zo meelijwekkend en dwaas was geworden aangezien jij (als het ware als God in de hemel) wist wat hij nog niet wist.”

Het boek is niet alleen waar, maar ook nog eens ongelooflijk goed geschreven, met een kracht en een schoonheid vergelijkbaar met die van Vassili Grossman (Leven en Lot), maar dan heel beknopt.

Je zou het bijna uit je hoofd willen leren, dan zou je jezelf en de mensen beter zien – niet het woord ‘begrijpen’ gebruiken. „Waar kwam toch dat gevoel vandaan dat ik werd aangeklaagd?”

Samenvatting

In de nadagen van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 trekt een groep jonge Israëlische soldaten door een glooiend, lieflijk heuvellandschap naar het Palestijnse dorpje Chirbet Chiz’a. Hun opdracht is even duidelijk als meedogenloos: de bewoners bijeendrijven, hen op vrachtwagens laden en wegvoeren, en alle huizen in het dorp verbranden. Terwijl de missie vordert, begint één soldaat te twijfelen. Wat betekent het om bevelen op te volgen als die ingaan tegen alles wat menselijk is?

Toen Een lied van leegte in 1949 verscheen, zorgde het voor opschudding in Israël. Het stond jarenlang op het curriculum van middelbare scholen in Israël, maar is daar onder druk van de rechtse regering afgehaald. De novelle geldt nog altijd als een mijlpaal in de moderne Hebreeuwse literatuur. In een beeldrijke, bedwelmende stijl schetst S. Yizhar een confronterend beeld van de geboorte van Israël. Daarnaast vertelt Een lied van leegte een tijdloos verhaal over schuld en morele grenzen – en wat het betekent mens te blijven in tijden van oorlog.

Uitgeverij Cossee


Nawoord van mij.

Precies vandaag, nota bene nog vóórdat ik het boekje van Chirbet Chiz’a tegen was gekomen in de columns van NRC, probeerde ik me voor te stellen hoe het moet zijn om een IDF soldaat te zijn in Israël – zoals ik ooit hier ‘voor mijn nummer’ opgekomen ben en een jaar lang meegedraaid heb (ook al heb ik later dienst geweigerd).
Ik bedacht dat het in de kern van de zaak overal ter wereld hetzelfde liedje is: natiestaten hebben grenzen en die moeten verdedigd worden.
Ik kon me voorstellen dat het ook dáár een gruwelijk dilemma is – ook al zijn de omstandigheden geheel anders dan hier heden ten dage.
Al met al was dat voor mij een hoogst verrassende wending in mijn dagelijkse discours erover – zie de link onderaan naar ‘Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl‘.
En toen las ik vervolgens diezelfde dag bovenstaande column in NRC.

Ik was blij en verrast door de coïncidentie, alsof het besproken boekje – dat hier net uitgekomen is, maar al breeduit werd besproken – een rimpeling in het collectieve onderbewuste veroorzaakt had… Precies met een thema dat velen hier obsedeert én tot woede en onbegrip leidt – en dat ons dagelijks confronteert met het lijden in die contreien.
Hein


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

Wat Van Gogh schilderde in de laatste fase van zijn leven

ACHTERGROND
Van Gogh In het Van Gogh Museum opent ‘Van Gogh in Auvers’. In dat plaatsje bracht hij de laatste twee maanden van zijn leven door.

Arjen Ribbens
Gepubliceerd op 10 mei 2023

Vijftig jaar Van Gogh Museum. Dat vraagt om een bijzondere tentoonstelling. Louis van Tilborgh (66) en Teio Meedendorp (61), twee van de onderzoekers van het museum, bedachten het onderwerp voor de jubileum-expositie tien jaar geleden al. Vincent van Gogh in Auvers-sur-Oise, dat moest en zou het worden.

Auvers is een kunstenaarsdorp vlakbij Parijs. Daar trok de 37-jarige Van Gogh vol goede moed heen na een verblijf van een jaar in een inrichting in Saint-Rémy-de-Provence. In het noorden van Frankrijk hoopte de getroebleerde kunstenaar zich beter te kunnen verweren tegen zijn geestelijk lijden.

Op 20 mei 1890 stapte hij in Auvers uit de trein. Zeventig dagen werkte hij als een bezetene: hij maakte zeker 74 schilderijen en zo’n vijftig tekeningen. Daarna schoot hij zichzelf in de borst.

Op de tentoonstelling Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden, die vrijdag in het Van Gogh Museum opent en in september doorreist naar Musée d’Orsay in Parijs, hangen liefst 46 schilderijen en ongeveer 30 tekeningen uit deze tijd. Nooit eerder was zo’n groot overzicht over deze periode te zien.

In wetenschappelijk opzicht was ‘Auvers’ een lacune in de kennis over Van Goghs oeuvre, zeggen Van Tilborgh en Meedendorp, beiden al vele jaren werkzaam bij het museum. Voor de tentoonstelling en de bijbehorende catalogus maakten ze, samen met collega’s, een beargumenteerd voorstel over de ontstaansvolgorde van de in Auvers gemaakte schilderijen. Die baseerden ze onder meer op Van Goghs brieven, oude weerrapporten en onderzoek naar de gebruikte schilderdoeken. Getracht werd ook de afgebeelde locaties te achterhalen. Door zo als het ware over Van Goghs schouder mee te kijken konden ze nog duidelijker maken hoe hij zijn directe omgeving gebruikte als materiaal voor zijn kunst.

Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers

Van Gogh was in Auvers een veel timidere man, concluderen de onderzoekers. De brieven aan zijn broer Theo waren korter en hij vertelde minder over wat hij had gemaakt. Zijn werkwijze veranderde ook enigszins. Aanvankelijk beet hij zich minder vast in één onderwerp, leefde artistiek gesproken meer bij de dag, twijfelde over een vaste koers en sprong wat onbegrijpelijk van kleine formaten naar grote – en omgekeerd.

Van Gogh kwam uit een gesloten instelling, verklaren de onderzoekers zijn gedrag. Een jaar lang had hij nauwelijks contact met de buitenwereld gehad, en in zijn nieuwe omgeving probeerde hij met man en macht zijn neerwaartse gevoelens en gedachten, het gevoel van falen, zoveel mogelijk te onderdrukken. 

Het wordt pas rustig in zijn hoofd nadat hij op 8 juli Korenveld met kraaien schildert, zegt Van Tilborgh. „Dat was vermoedelijk de rust van iemand die een beslissing heeft genomen. Een man die zichzelf als minderwaardig ziet, bang is dat andere mensen hem niet meer zien staan en vermoedelijk heeft besloten om suïcide te plegen.”

Meedendorp: „In een brief aan zijn moeder schreef hij dat hij Korenveld met kraaien ‘in een stemming van haast al te grote kalmte’ maakte. Theo had hem vlak daarvoor een emotionele brief geschreven. Hij wilde zijn leven omgooien, weggaan bij de kunsthandel waar hij werkte en voor zichzelf beginnen. Van die brief zal Vincent enorm geschrokken zijn.”

Op de vraag of de psychische nood aan de schilderijen is af te lezen, antwoorden de onderzoekers: deels wel, deels niet. Van Tilborgh: „Die hutten die Van Gogh in Auvers schilderde: dat gaat over geborgenheid. Ze zijn een verheerlijking van het landelijk leven – niet in de stad zitten maar op een plek waar het leven gezond is. Die hutjes schilderde hij ook al veel eerder. Het is oude iconografie. Maar nu als het ware obsessief geworden.”

TENTOONSTELLING
Van Gogh in Auvers. Zijn laatste maanden van 12 mei t/m 3 sept. in het Van Gogh Museum in Amsterdam. De gelijknamige catalogus (288 blz., Tijdsbeeld, € 34,95)

Meedendorp: „De uitzonderingen zijn de schilderijen van de stormen. Daarin zit een soort drama dat voor hem ongebruikelijk is. Of neem het schilderij van het gemeentehuis van Auvers op de 14de juli. De grootste feestdag van het jaar en er staat geen mens op. Dat doek maakte hij de dag voordat Theo met zijn gezin naar Nederland zou reizen, terwijl Vincent tevergeefs had geprobeerd hem naar Auvers te laten komen, naar het gezonde platteland. Als je over dat schilderij doorredeneert kom je in een soort psychologische leegte terecht. Verlatenheid, een feestje waar niemand komt opdagen.”

De onderzoekers hopen dat de tentoonstelling duidelijk maakt dat Van Gogh ook in zijn laatste periode een groots kunstenaar was, en nog even inventief en experimenteel als daarvoor. Ten onrechte, zeggen zij, is in het verleden wel gesteld dat Van Gogh in Auvers zijn discipline had verloren. Van Tilborgh: „In deze laatste periode zie je een schilder die zich nog steeds aan het ontwikkelen is. Die inventieve dingen doet en op een bondiger en compacter manier schildert. Al voelde hij zich oud, relatief gesproken was hij jong. En als kunstenaar zeker niet opgebrand. Eerder een kunstenaar die door zijn zelfverkozen einde in de knop is gebroken.”

Op verzoek becommentariëren Van Tilborgh en Meedendorp vier favoriete schilderijen uit de expositie. Al pingpongend vullen ze elkaar steeds aan. Meedendorp: „Zo werkten we de afgelopen veertien jaar ook samen.”

Dat Van Tilborgh deze maand met pensioen gaat betekent niet het einde van hun samenwerking. De liefde voor Van Gogh bindt hen, zeggen beiden. Net als de gedeelde intuïtie hoe kunsthistorische vraagstukken op te lossen. „Ik werk nog een beetje door”, zegt Van Tilborgh.

Bloeiende kastanjetakken
26 of 27 mei 1890

Elke foto rechtsboven klikken voor vergroting.

„Aan het eind van zijn verblijf in de inrichting van Saint-Rémy ging Van Gogh bloemstillevens schilderen. Commerciëlere doeken, die zouden verkopen, hoopte hij. Een paar dagen na aankomst in Auvers pakte hij het bloemmotief weer op. Vlakbij de herberg waar hij logeerde stonden hoge, oude kastanjebomen in bloei. Afgewaaide takken, na stormachtig weer op 24 en 25 mei, zullen de bloemenschilder in hem wakker hebben gemaakt. 

„Vergeleken met de bloemstillevens uit Saint-Rémy is dit doek veel gedurfder. Een spectaculaire, bijna levensgrote voorstelling, een prachtig beeld van de levenskracht en energie die de natuur uitstraalt in het voorjaar. Een beetje mysterieus ook. Pas bij goed kijken zie je de vaas in het midden. Die lijkt te zweven. Ook bijzonder hoe het oranje van de tafel op de voorgrond en het blauw van de achtergrond in elkaar overlopen. Dat op een grafische manier geschilderde blauw suggereert lucht. Gek, want het doek is geschilderd vanuit een hoog standpunt. Dat blauw is een vondst die puur en alleen maar kleur is. Bij dit stilleven zie je een schilder aan het werk die uit diverse repertoires kan putten.”

Boerderijen in Auvers-sur-Oise
mei-juni 1890

„Vanwege de losjes geschilderde lucht is dit doek in het verleden wel aangemerkt als Van Goghs laatste schilderij. Het zou onvoltooid zijn. Dat is beslist niet zo. Van Gogh doet hier iets nieuws: hij probeert wolken op een andere manier te schilderen. Op de grondering heeft hij eerst een witte laag aangebracht. Daarover schilderde hij met brede, blauwe toetsen de lucht. Een omgekeerd luchteffect dus: een witte lucht met blauwe wolken.

„Ook de compositie is bijzonder. Je ziet hoe hij in dit schilderij verschillende stijlen combineert. De lucht wijkt bijvoorbeeld sterk af van de grof geschilderde bloemen op de voorgrond. De contouren van de daken doen denken aan Japanse houtsneden. 

„Rudi Fuchs [de oud-directeur van het Stedelijk Museum] schreef eens mooi over dit doek. Door die botsende stijlen voorspelde dit schilderij voor hem de toekomst van de schilderkunst. Van Gogh zette volgens Fuchs een stap op weg naar de abstractie, richting Mondriaan. We begrijpen wat Fuchs bedoelde, maar wij denken dat Van Gogh in dit doek onderzocht hoe ver hij met die verschillende stijlen kon werken en tóch een harmonisch resultaat kon bereiken.”

Dokter Paul Gachet
6 en 7 juni 1890

„Zijn broer Theo adviseerde Van Gogh om in Auvers Paul Gachet te bezoeken. Die homeopathische arts meende hem misschien wel beter te kunnen maken, had Theo hem in al zijn optimisme doorgebriefd. Direct na aankomst ging Van Gogh bij de dokter langs. Hij deed daarna twee dingen: hij schilderde een portret van Gachet en hij liet Theo weten dat deze man hem niet zou kunnen genezen. Van Gogh herkende een zielsverwant in hem: een dokter die net zo melancholiek was als zijn patiënt. Net zo depressief, zouden we nu zeggen.

„Uit Parijs haalde Van Gogh schilderijen naar Auvers die hij in de inrichting in Saint-Rémy maakte. Allemaal doeken die iets duidelijk maakten over zijn ziekte. Dat moet wel haast geweest zijn om Gachet te tonen wie hij was, een kwetsbare persoon. De betekenis van dit portret? Het ligt in het verlengde van een uit Theo’s collectie meegenomen zelfportret dat Van Gogh in Saint-Rémy maakte: een soort van angstkreet. Een portret dat duidelijk maakt: deze dokter gaat mij niet redden, maar mij wellicht wel leren standvastig te zijn in het lijden. Kwetsbaar en onverzettelijk tegelijkertijd. 

„Aandoenlijk is de kledij. Gachet draagt een twintig jaar oud jasje uit de tijd dat hij nog ambulancemedewerker was. De pet is bewaard gebleven. Die zit in de collectie van Musée d’Orsay.”

Regen, Auvers-sur-Oise
18 juli 1890

„Natuur was voor Van Gogh een soort van religie. Elf jaar eerder, toen hij als lekenprediker in De Borinage werkte, ging hij eens in een veld staan om een geweldig onweer te beleven. De natuur, was zijn idee, moest bevrijdend werken. Die filosofie droeg hij uit in zijn brieven. Maar dat bevrijdende, levensmoed opwekkende gevoel was veel complexer geworden.

„Over Korenveld met kraaien, het landschap dat hij drie weken voor zijn dood schilderde, schreef hij dat het verschrikkelijke triestheid en eenzaamheid moest uitdrukken. Tegelijkertijd representeerde het voor hem ook het ongelooflijk goede van het platteland. Dat lijkt een tegenstrijdigheid, maar die dingen gaan bij Van Gogh duidelijk samen.

„Dit schilderij van Auvers in de regen is wel als sinister bestempeld. Maar net als de meeste van zijn landschappen is het licht: het is maar een buitje. We hebben kunnen vaststellen waar hij zijn ezel opstelde: bij een kalkgroeve in Méry-sur-Oise. En omdat Franse meteorologen zo punctueel zijn weten we vermoedelijk wanneer het buitje viel: op vrijdag 18 juli 1890. 

„Het grafisch effect van die lange regenstrepen verlenen het werk de eenvoud van een Japanse prent. Door verkleuring heeft het nu vooral blauw- en geeltinten. Oorspronkelijk was het waarschijnlijk paarsiger. Maar het is nog steeds een subliem schilderij.”

Online collectie
50 Jaar inspiratie


Meer Van Gogh op ShakingLife.nl

This is Surrealisme!

'Surrealisme' is een van de meest gebruikte termen van de afgelopen tijd. Wereldwijd leggen nieuwsredacties een link tussen de bizarre situatie waarin we leven en het surrealisme. Maar wat is surrealisme precies? Hoe ontstond deze beweging en aan welke denkbeelden wilden de surrealisten van het eerste uur uiting geven? Op deze vragen wordt antwoord gegeven in de tentoonstelling 'This is Surrealism!' met bijna veertig topstukken en diverse zeldzame boeken en tijdschriften uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen, verdeeld over negen thematische clusters.

Cobra Museum Amstelveen
Museum Boijmans van Beuningen 

De veertig meest toonaangevende en belangrijkste werken uit de oorspronkelijke werkenlijst zijn gekozen om het verhaal over het surrealisme te vertellen. Bovendien is op de benedenverdieping van het museum een presentatie te zien met werk van Cobra-kunstenaars. De twee tentoonstellingen slaan een brug tussen de verzamelgebieden waar beide musea onder meer om bekend staan: surrealisme en Cobra. Deze bewegingen volgden elkaar niet alleen op in de tijd, de makers hielden er ook soortgelijke ideeën en idealen op na. Zowel de surrealisten als de kunstenaars gelieerd aan Cobra hoopten de maatschappij blijvend met hun kunst te veranderen. Hun kritische houding weerspiegelt het huidige tijdsgewricht waarin veel mensen van mening zijn dat we de samenleving anders moeten inrichten.

Klik 2x rechtsboven op een afbeelding om te vergroten.

Dalí zit hier achter zijn schildersezel met Gala, zijn vrouw en muze, boven het hoofd. Haar oogkassen vallen samen met de arcades van een gebouw, een typisch Dalíaans dubbelbeeld.

Alle werken in de tentoonstelling zijn afkomstig uit de wereldberoemde collectie surrealistische kunst van Museum Boijmans Van Beuningen. Deze verzameling, die bijeen is gebracht vanaf de jaren zestig, omvat meer dan 150 kunstwerken van kunstenaars als Salvador Dalí, René Magritte, Joan Miró, Man Ray en Max Ernst plus een grote hoeveelheid zeldzame boeken en tijdschriften. In 1970-1971 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een grootschalige tentoonstelling over Salvador Dalí. Tijdens de voorbereidingen maakte conservator Renilde Hammacher-Van den Brande kennis met de rijke Britse dichter en verzamelaar Edward James die in de jaren dertig de belangrijkste opdrachtgever en mecenas was van Dalí. Toen James hoorde dat Hammacher de eerste Europese overzichtstentoonstelling over Dalí wilde organiseren, besloot hij talloze kunstwerken uit zijn collectie in bruikleen te geven aan het Rotterdamse museum. Na afloop van de tentoonstelling, die zeer succesvol was verlopen, besloot hij samen met het bestuur van zijn stichting om een aantal werken permanent in bruikleen te geven aan het museum. Toen de stichting niet veel later in geldnood verkeerde kreeg het museum de kans om maar liefst veertien belangrijke schilderijen en gouaches van Dalí en Magritte te kopen. Deze werken vormen nu het hart van de unieke surrealismeverzameling van Museum Boijmans Van Beuningen. De collectie wordt regelmatig met nieuwe aanwinsten verrijkt. Recent heeft het museum een aantal schilderijen en kunstwerken op papier verworven van Leonora Carrington, Eileen Agar en Joseph Cornell, waarvan een aantal voor het eerst tijdens This is Surrealism! is te zien.

De surrealismecollectie van Museum Boijmans Van Beuningen

Boijmans van Beuningen Collectie Surrealisme 


De verbeelding, het absurde en dromen, dat zijn de zaken die voorop staan in de surrealistische kunst. Waan je hier in de wondere wereld van het surrealisme.

In de jaren 20 van de vorige eeuw ontstaat de surrealistische beweging met uitingen in onder meer de beeldende kunst, de literatuur en het theater. De beeldende kunst van deze stroming is goed vertegenwoordigd in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Met topstukken van grootmeesters als Dalí, Magritte en Delvaux barst het er van de vreemde dingen.

Wat is surrealisme?

Soms kom je hele vreemde dingen tegen: op straat, in de popmuziek of als gebruiksvoorwerpen. Milou vraagt zich af waar die vervreemdende ideeën vandaan komen en bezoekt Museum Boijmans Van Beuningen. Daar ontdekt ze meer over het surrealisme en de werkwijze van surrealisten als Max Ernst, Salvador Dalí en Rene Magritte.

Europees surrealisme

De Franse schrijver Guillaume Appollinaire (Rome 1880 – Parijs 1918) introduceert het begrip ‘surrealisme’ in 1917. Hij gebruikt het woord om iets te omschrijven dat de realiteit overstijgt, ofwel iets dat ‘surreëel’ is. De Parijse surrealistische kunstenaars creëren in hun werk een realiteit die in werkelijkheid niet kan bestaan, maar wel in dromen en het domein van de verbeelding. Het surrealisme heeft grote invloed in Europa, en veel kunstenaars trekken naar Parijs: Max Ernst vanuit Duitsland, Salvador Dalí vanuit Spanje. In verschillende landen maken kunstenaars surrealistisch werk, zoals in België René Magritte en later Paul Delvaux, en in Italië Giorgio de Chirico.

Paul Delvaux (1973)

Skeletten, naakten en treinstations zijn veel voorkomende motieven in het oeuvre van Paul Delvaux. Vanwege de vervreemdende voorstellingen in een realistische stijl wordt Delvaux geschaard onder het Belgisch surrealisme, een stempel waarbij hij zich overigens zelf niet prettig voelde. In 1973 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een overzichtstentoonstelling van Paul Delvaux. In dit bioscoopjournaal uit hetzelfde jaar is een korte registratie te zien.

Op de bank bij Freud

Een belangrijke inspiratiebron voor het surrealisme is de Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud (Freiberg 1856 – Londen 1939). Begin vorig eeuw ontwikkelt Freud de psychoanalyse, de theorie van het onderbewustzijn van de mens. Volgens Freud wordt het gedrag van mensen in grote mate gestuurd door onderbewuste en irrationele driften.

De Franse schrijver André Breton, oprichter van de surrealistische beweging, leert Freuds theorieën kennen als hij in de Eerste Wereldoorlog als assistent in een psychiatrisch ziekenhuis werkt. Breton vindt dat de maatschappij bevrijd moet worden van het rationalisme, de logica en de burgerlijkheid. Als de verdrongen driften van de mens blootgelegd worden zal diens gekwelde geest bevrijd worden. Freuds theorieën vormen het uitgangspunt van Bretons ‘Manifeste du Surrealisme’ uit 1924, waarmee een heuse beweging ontstaat.

Manifest

In het ‘Manifeste du Surrealisme’ zet Breton zijn opvattingen over het surrealisme in relatie tot de kunst en de samenleving uiteen. Surrealisme is volgens hem een methode om het ware, essentiële denken te leren kennen en dit uit te drukken in woorden of in beelden. Om dit te bereiken moet het onderbewuste worden onderzocht. Dromen, krankzinnigheid en de kindertijd spelen hierbij een belangrijke rol.

Ook omschrijft hij methodes om het onderbewustzijn te verkennen door middel van kunst. Bijvoorbeeld de methode van de ‘écriture automatique’, het automatisch schrift. Impulsen uit het onderbewuste kunnen direct op papier gezet worden door onder andere half in slaap of onder invloed van drank en drugs te gaan tekenen. De bibliotheek van Museum Boijmans Van Beuningen bezit een exemplaar van Bretons invloedrijke manifest.

Surrealisme in Rotterdam

In 1965 is ‘Het paar’ van Max Ernst en ‘Op de drempel van de vrijheid’ van René Magritte aangekocht voor de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. Sindsdien is de verzameling surrealistische kunst aanzienlijk gegroeid. De grootste aankopen zijn gedaan tussen 1977 en 1979.

Wist je dat de bevlogenheid van Renilde Hammacher, de eerste conservator moderne kunst, de oorzaak is geweest van de nadruk op het surrealisme in het museum? 

Uit de verzameling van de dichter Edward James (West Dean 1907 – Sanremo 1984), tevens mecenas van Magritte en Dalí in de jaren 30, worden in die jaren twaalf werken van deze twee surrealisten aangekocht. Aldus is de collectie surrealisten een van de belangrijkste pijlers van de museumcollectie geworden.

Nog steeds verzamelt het museum surrealisme. In 2005 is de wereldberoemde ‘Mae West lippensofa’ van Salvador Dalí aangekocht, in 2007 ‘Landschap met roze wolken’ van Yves Tanguy en in 2009 een schaduwdoos van Joseph Cornell. De meest recente aankoop is het schilderij ‘Miroir Vivant’ uit het vroege oeuvre van Rene Magritte, dat in januari 2016 is aangekocht.

Surrealisme in Rotterdam

Dalí in Rotterdam

Renilde Hammacher-van den Brande, de allereerste hoofdconservator moderne kunst van Museum Boijmans Van Beuningen, organiseerde een succesvolle Dalí-tentoonstelling in de winter van 1970-1971. In twee maanden kwamen meer dan 200.000 bezoekers. Het Polygoonjournaal wijdde er een nieuwsuitzending aan.

Een Belgische surrealist

Museum Boijmans Van Beuningen bezit maar liefst vijftien werken van de Belgische surrealist René Magritte. Magritte streeft ernaar om het ‘mysterie van het alledaagse’ te verbeelden. Door de gewone dingen uit hun dagelijkse omgeving te halen kan dat mysterie zichtbaar gemaakt worden. Magritte wil dit bereiken zonder dat de toeschouwer het schilderij als onwaarschijnlijk fantasiebeeld kan afwijzen. Bij ieder voorwerp zoekt hij een tweede beeldelement dat er een verborgen verwantschap mee heeft.

In ‘Le modèle rouge III’ is een paar blote voeten te zien dat in schoenen overgaat. De voeten en schoenen worden daardoor in een vreemd daglicht gesteld.

Tijdschriften

In verschillende publicaties en tijdschriften verwoorden surrealisten hun visie op kunst en maatschappij. Van het tijdschrift La Révolution Surréaliste verschijnt het eerste nummer eind 1924. Op de eerste bladzijde van het eerste nummer staat een foto van een onherkenbaar object verpakt in lappen, een werk van Man Ray. Een reconstructie van ditzelfde voorwerp maakt deel uit van de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen. De titel ‘Het raadsel van Isidore Ducasse’ verwijst naar het boek ‘Les Chants de Maldoror’ dat Ducasse schrijft onder het pseudoniem Comte de Lautréamont.

Man Ray maakte dit werk oorspronkelijk voor een foto. Het ging verloren en in 1971 maakte hij deze nieuwe versie. Even raadselachtig als het werk zelf is de titel, die verwijst naar de naam van de schrijver Isidor Ducasse, die werkte onder het pseudoniem Comte de Lautréamont. Hij schreef de door de surrealisten zeer gewaardeerde publicatie 'Les Chants de Maldoror' (1869). Dit boek beschouwden de surrealisten als een beginselverklaring, veel titels van hun werken zijn er aan ontleend.

Het raadsel van Isidore Ducasse (1920)

‘Les Chants de Maldoror’ is een cynische aanval op de westerse beschaving en daarom wordt Ducasse een held van de surrealisten. Eén citaat uit het boek wordt hun motto: ‘Mooi als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op de snijtafel’. Met zijn in lappen verpakte object, een ingepakte naaimachine, verwijst Man Ray naar dit citaat.

In de jaren 30 wordt het tijdschrift Minotaure de belangrijkste spreekbuis van de surrealisten. Het blad, gesponsord door de rijke Edward James en met André Breton als redacteur, vestigt de aandacht op – op dat moment – nog onbekende kunstenaars als Hans Bellmer, Paul Delvaux en Alberto Giacometti (Borgonovo 1901 – Chur 1966).

Bevlogen mecenas

Edward James is een rijke Engelse aristocraat en een surrealistische dichter. In de jaren 30 ondersteunt hij zowel Magritte als Dalí door werk van hen aan te kopen. Magritte baseerde ‘Verboden af te beelden’ op een foto die hij maakte van Edward James die naar het werk ‘Op de drempel van de vrijheid’ staat te kijken.

Dalí krijgt twee jaar financiële steun van James en Magritte mag in zijn huis in Londen verblijven om een aantal schilderijen te maken. Daarnaast geeft hij financiële steun aan het tijdschrift Minotaure. James richt een van zijn huizen, het Monkton House te Londen, in als een surrealistische droom. In dit huis krijgt onder andere de ‘Mae West lippensofa’ van Dalí een plaats.

Verboden af te beelden

James zelf is op een aantal surrealistische schilderijen vereeuwigd. Magritte maakt bijvoorbeeld een raadselachtig portret van James in ‘La reproduction interdite (Verboden af te beelden)’ (1937) dat zich in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt.

Museum Boijmans Van Beuningen

Tentoonstelling op locatie

Deze tentoonstelling was te zien in het Cobra Museum Amstelveen, Sandbergplein 1, 1181 ZX Amstelveen. Toegang is alleen mogelijk met een online ticket. Voor informatie over de toegangstijden, entreeprijzen, etc.:

EINDE