Antisemitisme put uit een altijd beschikbaar reservoir vol anti-Joodse mythen

Bart Funnekotter, NRC

Gepubliceerd op 2 november 2023

Afbeeldingen vergroten door te klikken

9-4-2024: dit artikel is opnieuw relevant omdat het het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) dinsdag cijfers over antisemitisme heeft gepubliceerd: dit jaar zijn 2,5 keer zoveel incidenten geregistreerd in Nederland als het jaar ervoor. 

Pogrom is een Russisch woord, het betekent zoiets als ‘vernietiging’. De term ontstond aan het eind van de negentiende eeuw toen tsaristisch Rusland geteisterd werd door een golf van antisemitische moordpartijen. Afgelopen zondag klonk er een echo uit dat verleden: een woedende menigte bestormde op het vliegveld van de Dagestaanse stad Machatsjkala een vliegtuig dat afkomstig was uit Israël.

Door de oorlog tussen Israël en Hamas is het fenomeen antisemitisme helemaal terug van nooit weggeweest. De pogrom van Machatsjkala bleef zonder slachtoffers, maar dat gold niet voor die van Alexandrië (38 n.Chr.), het Rijnland (1096), Brussel (1370), Lissabon (1506), Sanaa (1679), Odessa (1905) en de Duitse Kristallnacht (1938), om maar enkele van de meest beruchte geweldsexplosies uit een lange reeks te noemen.

Het kwaad van het antisemitisme blijkt dus hardnekkig. Dat roept de vraag op hoe het kan dat Joden in zulke verschillende maatschappijen op zulke verschillende momenten in de geschiedenis telkens weer te maken krijgen met haat en vervolging. Is er een rode draad – religieus, cultureel, politiek – die al deze gebeurtenissen met elkaar verbindt?

„Nee – en ja”, zegt historicus David Feldman. Hij is hoogleraar aan de Universiteit van London en directeur van het Birkbeck Institute for the Study of Antisemitism. „Het is niet zo dat al deze gebeurtenissen eenzelfde soort trigger hebben; dus dat als aan voorwaarden a, b en c voldaan is, je vanzelf een antisemitische uitbarsting krijgt. Het is wél zo dat er iedere keer wordt teruggegrepen op een reservoir met anti-Joodse ideeën dat gedurende meer dan tweeduizend jaar is gevuld.”

De Joden deden dit elk jaar op een vaste tijd. Dan vingen ze een Griek op doorreis, mestten hem een jaar lang vet, brachten hem vervolgens naar een bos, slachtten hem, offerden zijn lichaam volgens hun gebruik en proefden zijn ingewanden.

De Joods-Romeinse historicus Flavius Josephus (37-100) beschrijft de mythe dat Joden bloedoffers zouden brengen

Bart Wallet, hoogleraar vroegmoderne en moderne joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, beaamt dat. „Het gaat om een repertoire van anti-Joodse mythen, sprookjes en iconografische afbeeldingen die een plek innemen in het cultureel archief van Europa. Er komen voortdurend nieuwe beelden bij, terwijl er bijna nooit iets uitgaat.”

Enkele voorbeelden uit deze verzameling: Joden hebben te veel macht, ze beheersen politiek en media; er bestaat een mondiale Joodse samenzwering; Joden zijn loyaal aan elkaar, niet aan het land waar ze wonen; Joden zijn kapitalisten; Joden zijn communisten; Joden gebruiken het bloed van christenen en moslims voor hun rituelen. 

Deze beelden die zijn heel fluïde en dynamisch, zegt Wallet. „Ze kunnen zich goed aanpassen aan nieuwe situaties. Vaak zijn ze stilletjes op de achtergrond aanwezig: ze zijn er, maar doen er niet echt toe. Totdat er iets gebeurt, totdat er een crisissituatie ontstaat. Dan wordt er uit dat repertoire geput en bieden deze ideeën een makkelijke, snelle verklaring voor ingewikkelde maatschappelijke problemen.”

Het is belangrijk om te begrijpen dat mensen die zich bedienen van dit soort beelden meestal niet gek zijn, benadrukt David Feldman. „Voor hen is dit kennis, geen bijgeloof.”

Gruwelijke gewoonte

Hoe raakte dit reservoir gevuld? Veel mensen denken dat de afkeer van Joden geboren werd in 33 na Christus, toen Jezus Christus in Jeruzalem gekruisigd werd, maar dat klopt niet, zegt Jessica Roitman, hoogleraar Joodse studies aan de Vrije Universiteit. „Volgens mij ligt het begin al eerder, in de Hellenistische tijd.”

In deze periode van 300 voor tot 30 na Christus, toen de opvolgers van Alexander de Grote het Midden-Oosten bestierden, werden Joden soms ook al met afschuw bezien. Roitman: „Griekse etnografen beschreven graag de volkeren met wie ze in contact kwamen. Joden besneden hun pasgeboren jongetjes, en dat vonden deze auteurs een gruwelijke gewoonte. Ze vonden het ook bizar dat Joden geen varkensvlees aten. Hier zie je voor het eerst dat de mensen die wij nu Joden noemen bij elkaar in één groep worden gestopt – een groep die wordt gekenmerkt door vreemde, afkeurenswaardige gewoontes.”

Het Joodse monotheïsme zorgde in een polytheïstische wereld ook voor opgetrokken wenkbrauwen, zegt Roitman. Het sprak voor iedereen vanzelf dat je te maken kreeg met andere goden als je van het ene naar het andere gebied reisde, maar alleen de Joden vonden dat hún God overal aanbeden moest worden. Zo ontkiemde het idee dat Joden eerst loyaal zijn aan zichzelf en pas daarna aan de plek waar ze leven.”

En de vijanden droegen hen weg, sleepten hen weg en gooiden hen weg en lieten niemand van hen over, behalve een paar, die ze geweld aandeden door hen tegen hun wil te dopen met stinkend water.

Kroniekschrijver Salomo bar Simson  over een pogrom in Worms in 1096

Nadat de Romeinen de Levant veroverden, werd het er voor de Joden niet beter op. De latere keizer Titus vernietigde in het jaar 70 de tempel in Jeruzalem en verdreef de Joden van hun land. Deze diaspora (Grieks voor ‘verstrooiïng’) was uitzonderlijk, zegt Roitman: „De Romeinen hadden in hun hele rijk te maken met opstanden van veroverde volken, maar de koppige onwil van de Joden om zich te voegen naar het keizerlijk gezag wekte grote woede op. Waarom wilden ze geen deel uitmaken van dit fantastische project?”

Terwijl de Romeinen de provincie Judea zuiverden, kreeg in hun rijk een van oorsprong Joodse sekte voet aan de grond. Zeker nadat de volgers van Jezus van Nazareth besloten ook niet-Joden in hun gelederen toe te laten, nam het aantal christenen snel toe. „Je ziet de weerslag hiervan in de evangeliën, waarin het leven van Jezus geboekstaafd is”, zegt Roitman. „In de vroegste evangeliën is de beslissing om de Messias te kruisigen echt een besluit van de Romeinen, maar in het laatste evangelie, dat van Johannes, is de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus meer een schoorvoetende uitvoerder van de wil van de Joodse bevolking.”

Levende relieken

Met het optreden van de apostel Paulus, die de wijde wereld introk om het nieuwe geloof te verspreiden, ontstond het idee dat het Judaïsme een oude religie was, zegt David Feldman. „De Joodse religie was echt niet meer van deze tijd. Er was nu een nieuw convenant, dus het had volgens christenen geen zin meer om Joods te zijn. Het werd Joden enorm kwalijk genomen dat ze bleven volharden in hun afwijzing van Jezus als de Messias.”

Begin vierde eeuw bekeerde de Romeinse keizer Constantijn zich tot het christendom, waarna de rest van het rijk volgde. Feldman: „Toen werd het nog gevaarlijker voor de Joden, omdat ze nu ook de officiële staatsgodsdienst saboteerden. In de loop van de tijd werden de kruisiging van Christus en zijn afwijzing als de Messias gezien als een Joodse samenzwering, een daad die inging tegen het algemeen belang.”

Christelijke theologen braken zich het hoofd over wat er met de Joden moest gebeuren, zegt Jessica Roitman. „De vierde-eeuwse kerkvader Augustinus van Hippo zei: we moeten de Joden niet doden. Het zijn levende relieken, voorbeelden van een volk zonder thuisland, een waarschuwing voor wat er gebeurt als je Christus niet accepteert.”

Waar een Jood zich ook vertoonde, hij werd gestenigd of neergeknuppeld – hoewel hij de fatale klappen niet onmiddellijk kreeg, opdat een al te snelle dood hem de pijn niet al te zeer zou besparen.

De hellenistische Joodse filosoof Philo van Alexandrië over de pogrom van het jaar 38 in zijn stad

Hun positie als outsiders die geen land mochten bezitten en geen lid konden worden van een gilde, zorgde ervoor dat sommige Joden tijdens de Middeleeuwen hun heil zochten in het uitlenen van geld tegen rente. Dat was christenen in principe verboden, zegt Roitman. „Het kwam regelmatig voor dat een heerser de Joden van zijn grondgebied wegstuurde omdat ze het bloed van een baby zouden hebben gedronken, of iets dergelijks. Maar dit was dus een beeld uit het reservoir van antisemitische ideeën dat een koning kon gebruiken om van zijn schulden af te komen.” Grootschalige uitzettingen van Joden vonden onder meer plaats in Engeland (1290), Frankrijk (1306) en Spanje (1492).

Recent onderzoek wijst overigens uit dat er in de Middeleeuwen ook veel niet-Joodse geldschieters waren, zegt David Feldman. „De connectie tussen Joden en geld stak de kop op in de twaalfde eeuw, toen christelijke moraaltheologen een oproep deden tot een spiritueel reveil. Ze vonden de maatschappij te materialistisch en waarschuwden dat christenen te ‘Joods’ werden. Wat zo begon als een analogie, eindigde met vervolging.”

Enig perspectief

De Reformatie van Maarten Luther leek de Joden aanvankelijk enig perspectief te bieden, zegt Bart Wallet. „In zijn geschrift Das Jesus Christus ein geborener Jude sei uit 1523 zette Luther uiteen dat hij best begreep dat Joden niks moesten hebben van de katholieke kerk: dat was immers een instituut dat het geloof totaal gecorrumpeerd had. Sommige protestanten zagen Joden daarom zelfs als medestanders in hun strijd tegen de kerk.”

Die gevoelens van verbondenheid verdwenen nadat bleek dat de Joden ook niet geneigd waren zich aan te sluiten bij dit nieuwe geloof. Wallet: „Luther had ze bij wijze van spreken allemaal verwacht bij de doopvont in Wittenberg. Toen dat niet gebeurde, greep hij in latere geschriften terug op het traditionele corpus van anti-Joodse beelden en schreef bijzonder antisemitische teksten.”

Ik heb vele geschiedenissen gelezen en gehoord over Joden […] dat zij de bronnen vergiftigden, kinderen stalen […] zo ook dat een Jood een ander door bemiddeling van een christen een pan vol bloed deed toekomen.

Maarten Luther  in ‘Von den Juden und ihren Lügen’ uit 1543

Twee eeuwen later stelden de Joden na de Romeinen, katholieken en protestanten opnieuw een vernieuwingsbeweging teleur met de taaiheid waarmee ze vasthielden aan hun eigen geloof en gebruiken. Het tijdperk van de Verlichting was aangebroken en daarom was hun stokoude religie nu helemáál een anachronisme geworden, vonden belangrijke filosofen. Wallet: „Aan de ene kant werden Joden door Verlichtingsdenkers als individuen geaccepteerd, maar aan de andere kant werd er op hun collectief en religieuze traditie neergekeken. Voltaire vond katholieken al een groot probleem in een verlichte wereld, maar Joden helemáál. De Duitse filosoof Immanuel Kant sprak zelfs over de noodzaak van een ‘euthanasie op het Jodendom’.”

Karl Marx heeft dit fenomeen later goed uitgelegd, vindt Wallet. „Joden zijn een soort projectiescherm van alles waar we tégen zijn, concludeerde hij. Het gaat daarbij nooit over het reële Jodendom. Niemand is geïnteresseerd in dat reële Jodendom. Het Jodendom is het ultieme ‘tegenover’, waardoor je je eigen positie scherp kunt formuleren. Wrang genoeg bezondigde Marx zich daar zelf ook aan door Joden als de ultieme kapitalisten af te schilderen.”

De negentiende eeuw waarin Marx leefde was de eeuw van het nationalisme. Overal in Europa wilden mensen die zich beschouwden als één volk hun eigen land hebben. Daarbij zorgden de over het hele continent verspreide Joden voor een probleem, helemaal als ze hun best deden om op te gaan in die nieuwe natie, zegt Roitman. „Dit was de tijd van ‘een Duitser op straat, een Jood thuis’. Als ze allemaal bij elkaar in een getto zaten, had je nog wel overzicht, maar nu werd het moeilijk om te bepalen wie een Jood was en wie niet. Dat zorgde voor allerlei angsten. Want waren deze nu onzichtbare Joden wel écht loyaal aan hun land en niet aan andere Joden in het buitenland?”

Uiteindelijk zal men in [de Joden] slechts een onwetend en barbaars volk vinden, en barbaarse mensen die al lange tijd de smerigste hebzucht verbinden met het afschuwelijkste bijgeloof en de onoverkomelijkste haat tegen alle volkeren die zij tolereren en aan wie zij zichzelf verrijken.

De Franse denker Voltaire  in zijn ‘Dictionnaire philosophique’ uit 1764

Naast deze twijfels over een mogelijke internationale Joodse samenzwering, werd de positie van Joden in de nieuwe natiestaat nog door iets anders bedreigd, zegt David Feldman. „Het idee van de natie als een christelijke gemeenschap werd aan het eind van de negentiende eeuw vervangen door het idee van de natie als een gemeenschap van ras. Daardoor bleven zelfs Joden die zich bekeerd hadden, zoals de Britse premier Benjamin Disraeli, kwetsbaar voor antisemitisme. Hij kon er zijn hele leven nooit écht bij horen.”

Rondom de overgang tussen de negentiende en twintigste eeuw bereikte het antisemitisme een nieuw hoogtepunt, vooral in Oost-Europa, waar de liberale gedachte dat alle inwoners van een land gelijkwaardig zijn nooit echt voet aan de grond gekregen had, zegt Bart Wallet. „Dat leidde aan de ene kant tot het ontstaan van het zionisme: het idee onder Joden dat ook zij één volk waren dat een eigen staat nodig had. Aan de andere kant verscheen er een boek als De protocollen van de wijzen van Zion. Dat was een in 1903 door de tsaristische geheime dienst vervalst document over een zogenaamd plan van de Joden om de wereldheerschappij te bemachtigen.”

Intersectionaliteit

Vanaf het eind van de negentiende eeuw kwam de trek op gang van Europese Joden naar het grondgebied waarvandaan hun volk negentien eeuwen eerder verdreven was. „Er hadden daar al die tijd Joden geleefd, maar dat was een kleine minderheid”, zegt Roitman. „Ze hadden het er niet zo slecht gehad als in Europa. Wie zijn belasting als ongelovige betaalde, kon meestal in vrede leven, al was er niet altijd sprake van tolerantie. Ook onder moslims kregen Joden te maken met vervolging.”

In het Midden-Oosten bestonden al lang negatieve stereotypen over Joden, bevestigt Bart Wallet. „Maar je merkt dat extreme antisemitische ideeën uit Europa daarmee vermengd raakten. De vertalingen in het Turks en Arabisch van De protocollen van de wijzen van Zion vonden gretig aftrek.”

De zwartharige Jodenjongen loert urenlang, satanische vreugde op het gezicht, op het nietsvermoedende meisje dat hij met zijn bloed schendt en daarmee ontrooft aan haar volk.

Adolf Hitler  in Mein Kampf (1924)

Palestina maakte tussen 1516 en 1917 deel uit van het Ottomaanse rijk. Na 1917 hadden de Britten het er voor het zeggen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour beloofde in dat jaar aan Lionel Rothschild, een lid van een bekende bankiersfamilie, dat de Joden met ‘zionistische aspiraties’ recht hadden op een ‘nationaal thuis’ in Palestina.

Dat thuis kwam er pas na de Shoah, een uitbarsting van antisemitisme waarbij zes miljoen Europese Joden op industriële wijze werden vermoord. De Joden in Palestina kwamen in 1948 in opstand tegen het Britse gezag en stichtten de staat Israël – deels op land dat bewoond werd door Palestijnen. Zij werden verdreven. Feldman: „Israël pakte land af en is dat blijven doen. Het werd een bezettende macht na de Zesdaagse Oorlog van 1967 waarbij Gaza en de Westelijke Jordaanoever werden ingenomen. Zolang gerechtigheid wordt onthouden aan Palestijnen, creëert dat anti-zionisme. Dat is geen antisemitisme – maar kan daar wel in overgaan.”

Dat vindt ook Jessica Roitman: „Anti-zionimse en antisemitisme kunnen naast elkaar bestaan. Er zijn zelfs orthodoxe Joden die anti-zionisten zijn. Of de grens tussen het ene en het andere fenomeen wordt overschreden, moet echt van geval tot geval worden bekeken. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen waarom iemand zich specifiek druk maakt om het lot van de Palestijnen en niet om dat van de Oeigoeren. Dat is geen flauwe whataboutism. Misschien heeft het er wel mee te maken dat iemand niet houdt van Joden met macht.”

De Joden zijn van plan uw vrouwen aan te randen, uw kinderen om te brengen en u te vernietigen. Volgens het moslimgeloof is de verdediging van uw leven een plicht die alleen door de vernietiging van de Joden vervuld kan worden.

Mohammad Amin al-Hoesseini, de grootmoefti van Jeruzalem  roept in 1942 vanuit Berlijn Arabieren op Joden aan te vallen

Hoewel Joden aan het begin van de twintigste eeuw een belangrijke rol hebben gespeeld binnen de arbeidersbeweging en socialistische en communistische partijen – iets wat ze door conservatieven bijzonder kwalijk werd genomen – is de steun voor de Palestijnse zaak in het Westen tegenwoordig vooral sterk in progressieve kring. Dat is niet zo gek, zegt Bart Wallet. „Linkse kritiek op Joden gaat al terug op Marx, en tijdens de Koude Oorlog werd Israël gezien als deel van het imperialistische, koloniserende Westen. De Sovjet-Unie omhelsde het anti-zionisme als ideologische overtuiging en zond allerlei anti-Israëlpropaganda de wereld in. Geleidelijk zag je dat jongere generaties zeiden: wacht eens even, de echte underdogs hier zijn de Palestijnen. Dat leidde enerzijds tot legitiem protest, maar ook tot uitlatingen als dat Joden de nieuwe nazi’s zouden zijn. Dat laatste is antisemitisme.”

Het idee van intersectionaliteit dat de afgelopen decennia op universiteiten populair is geworden, heeft verder bijgedragen aan deze ontwikkeling, zegt Jessica Roitman. „Intersectionaliteit betekent dat je verschillende vormen van onderdrukking niet los van elkaar kan zien. Dus wie tegen de discriminatie van lgbtq-mensen is, móét ook tegen het optreden van Israël tegen de Palestijnen zijn.”

Beeld uit een video van een menigte die in de Dagestaanse stad Machatsjkala een vliegtuig uit Israël bestormt, vorig weekeinde.FOTO'S: AFP

Tweestatenoplossing

Sinds de terreurdaden van Hamas van 7 oktober en de keiharde reactie daarop van Israël is in islamitische landen, maar ook in Europa, een opleving van antisemitisme te zien: er klinken anti-Joodse leuzen op demonstraties, Joodse panden worden beklad, Joodse mensen voelen zich bedreigd. „Zulke spanningen tussen Joden en hun buren zijn dus van alle tijden”, concludeert David Feldman. „Maar het is goed om voor ogen te houden dat Joden in de afgelopen tweeduizend jaar ook vaak genoeg vreedzaam naast moslims en christenen hebben gewoond. Het kán dus beter worden.”

Antisemitisme zal echter nooit meer helemaal verdwijnen, weet Feldman. „Ook als er gerechtigheid voor de Palestijnen komt. Het reservoir met antisemitische beelden blijft onderdeel van de culturele bagage, inmiddels wereldwijd. Als er iets naars gebeurt dat moeilijk te verklaren is, zullen er altijd mensen zijn die teruggrijpen op deze ideeën.”


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Toledo, kruispunt van religies

Afbeeldingen vergroten door te klikken.

 

 

Het interieur staat bekend om zijn enorme omvang, gedetailleerde houtsnijwerk en indrukwekkende kunstschatten. Het afgebeelde hoofdaltaarstuk is een van de grootste en meest complexe van Spanje en toont scènes uit het leven van Jezus. Het hoofdaltaarstuk is een meesterwerk van houtsnijwerk, bedekt met bladgoud. Elke laag werd met de hand aangebracht met gips en lijm, waarna het geheel werd gepolijst en opnieuw verguld.
Het groeide uit tot een van de grootste heiligdommen van de Europese kunst. De plattegrond met vijf schepen, het transept, de omgang en de radiale kapellen kenmerken een lichtrijke architectuur die diep geworteld is in de Castiliaanse gevoeligheid. Elke meesterbouwer – van Petrus Petri tot Enrique Egas – en elke kardinaal liet zijn stempel achter op de portalen, de glas-in-loodramen en de liturgische ruimtes.
In de loop der tijd werd de kathedraal ook een schatkamer van artistieke meesterwerken: El Transparente, El Custodia van Enrique de Arfe, het koor, El Expolio (De Ontkleding van Christus) van El Greco en de middeleeuwse glas-in-loodramen.

Mezquita del Cristo de la Luz

De Hermitage of Kerk van Cristo de la Luz, voorheen de Bab al-Mardum Moskee (Arabisch: مسجد باب المردوم‎). Van de tien moskeeën die ooit in de stad bestonden, is dit de best bewaarde. In de islamitische tijd was het een kleine gebedsruimte, verbonden aan een stadspoort (Bab al-Mardum), die werd gebruikt door nieuwkomers in Toledo of door mensen die zich voorbereidden op hun vertrek. Het werd gebouwd in het jaar 999, de tijd van glorie van het kalifaat van Córdoba, zoals vermeld in de epigrafische strook op de ingangsgevel. 

Sinagoga del Tránsito

De Sinagoga del Tránsito,  ook bekend als de ‘Synagoge van Samuel ha-Levi of Halevi’. Voormalige Joodse gemeente en synagoge, gelegen aan de Calle Samuel Levi, in de historische oude stad Toledo. Status: Synagoge (1357–1391), Kerk ( ca.  1492 – 19e eeuw), Joods museum (sinds 1910).
Ontworpen door meestermetselaar Don Meir (Mayr) Abdeil, werd het gebouwd in 1357 in de Mudéjar- of Moorse stijl als een bijgebouw van het paleis van Samuel HaLevi , schatmeester van koning Peter van Castilië.
De synagoge bevindt zich in de voormalige Joodse wijk van de stad tussen het klooster van San Juan de los Reyes en de synagoge van Santa María la Blanca . Het is een van de drie bewaard gebleven synagogen die door Joden zijn gebouwd onder het bewind van het christelijke koninkrijk Castilië.
Het gebouw werd na de verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492 omgebouwd tot een katholieke kerk. Het werd kortstondig gebruikt als militaire kazerne tijdens de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19e eeuw. In 1910 werd het een Sefardisch Joods museum , dat tegenwoordig formeel bekendstaat als het Sefardisch Museum.

El Greco’s ‘Vista de Toledo’

Het multiculturele Toledo is ook de stad, waar  Johannes van het Kruis in het klooster van de Karmelieten in een cel werd opgesloten en negen maanden werd vastgehouden, vanwege zijn steun aan de hervormingen van Theresia van Ávila. 

El Greco’s ‘El Expolio’

 De Ontkleding van Christus, of El Expolio (Latijn: Exspolĭum), is een schilderij van El Greco, begonnen in de zomer van 1577 en voltooid in het voorjaar van 1579 voor het hoogaltaar van de sacristie van de kathedraal van Toledo, waar het normaal gesproken nog steeds hangt. Eind 2013 was het tijdelijk te zien in het Prado in Madrid (samen met de andere werken van El Greco), na een periode van reiniging en restauratie; het keerde in 2014 terug naar Toledo. Het is een van El Greco's beroemdste werken. Een document gedateerd 2 juli 1577, waarin naar dit schilderij wordt verwezen, is de vroegste vermelding van El Greco's aanwezigheid in Spanje. De opdracht voor het schilderij werd verkregen dankzij El Greco's vriendschap vanuit Rome met Luis, de zoon van Diego de Castilla, deken van de kathedraal van Toledo. De Castilla senior regelde ook El Greco's andere grote opdracht, waaraan hij gelijktijdig werkte: de schilderijen voor de Toledaanse kerk van Santo Domingo el Antiguo.
Het schilderij toont Christus die met een serene uitdrukking naar de hemel opkijkt; zijn geïdealiseerde figuur lijkt afgescheiden van de andere mensen en het geweld om hem heen.Een in het zwart geklede figuur op de achtergrond wijst beschuldigend naar Christus, terwijl twee anderen ruzie maken over wie zijn kleding zal krijgen. Een man in het groen, links van Christus, houdt hem stevig vast met een touw en staat op het punt zijn gewaad af te scheuren ter voorbereiding op zijn kruisiging. Rechtsonder buigt een man in het geel zich over het kruis en boort een gat om de inbreng van een spijker te vergemakkelijken die door Christus' voeten zal worden gedreven. Het stralende gezicht van de Verlosser staat in schril contrast met de grove figuren van de beulen, die om hem heen zijn verzameld en met hun bewegingen, gebaren en lansen een indruk van onrust wekken.

(Wikipedia)



Salvador Dali’s ‘Cristo de San Juan de la Cruz’


Het wereldberoemde schilderij van Dalí heet Christus van Johannes van het Kruis, omdat een tekening van de middeleeuwse mysticus hem inspireerde.
Als hervormer van de eeuwenoude kloosterorde van de Karmel[1] had Johannes van het Kruis (1542-1591) het soms hard te verduren. Tegenstanders van zijn hervormingen sloten hem maandenlang op in een kerker. Op een nacht had hij tijdens het gebed een mystieke ervaring. Wat hij zag, raakte hem diep. Hij zag het kruis van bovenaf, vanuit het standpunt van God de Vader.

___________________
[1] Orde van Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel (OCarm), is een van de oudste katholieke bedelordes, ontstaan in de 13e eeuw op de berg Karmel in het Heilige Land. 

EINDE

‘Ik ben dadig!’ riep hij uit.

Tom Poes zat de volgende morgen nog aan zijn ontbijt, toen Joost op de buitendeur klopte. ‘Ik ben zo vrij de Oude Schicht voor te rijden,’ sprak de trouwe knecht. ‘Het is nog wat vroeg, maar tot mijn bevreemding kon ik vannacht niet slapen wegens bezorgdheid over heer Olivier. Men hecht soms meer aan een persoon dan men wel weet, ik stel voor om nu te gaan zoeken, al zal dat niet meevallen. Men weet niet welke richting men in moet slaan.’
Ook Heer Bommel merkte dat het nog mistte, toen hij de volgende morgen vanonder een steen naar boven kwam. De grijsaard stond hem op te wachten, met een grote vogel op zijn schouder. ‘Dit is mijn dochter Ima,’ stelde hij trots voor. ‘Ze zal je het water naar Parna’s opbrengen.’
‘In de mist kun je graven,’ zei de vogel.
Heer Bommel zocht vergeefs naar woorden. Hij begreep dat hij in de handen van zonderlingen gevallen was. En dat toegeven de beste houding zou zijn.


Met die gedachte bedankte hij de grijsaard voor zijn gastvrijheid en liep vervolgens op goed geluk achter de vogel aan. Het beest fladderde in een rechte lijn, alsof het een bepaalde richting volgde; maar toen heer Ollie boven de nevels een bekend gebouw zag oprijzen, hield hij halt. 'Daar!' riep hij uit. 'Dat is het stads-laboratorium! Nu kan ik te weten komen waar ik ben!
'De rivier gaat vlugger’, kraste de vogel.
Heer Bommel sloeg echter links af zonder zich aan die opmerking te storen, terwijl het dier berustend op zijn schouder ging zitten.
Tot zijn grote opluchting bereikte hij nu eindelijk weer vertrouwd gebied, en hij stapte glimlachend de werkruimte van professor Prlwytzkofski binnen.
Jammer genoeg trof hij het niet. De geleerde was juist doende om de plaats van de zon ten opzichte van het middelpunt in het uitdijend heelal te berekenen, en hij keek danig gestoord op toen hij zijn bezoeker zag.
'Ik ben dadig!' riep hij uit. 'Maakt u zich voort.' 
'Maar ik ben voort,' zei heer Ollie verontschuldigend. 'Ik ben verdwaald, bedoel ik; en nu weet ik niet welke kant ik op moet. Waar ben ik precies?
'Ik ben ja dadig dat vast te stellen,' schalde de hoogleraar. 'Waar is onzer zonnensysteem met betrekking tot der centrum des universums? zo vraag ik mij. En daar komt ener lomp met zijner parkiet mij vragen waar hij isj!'
Hij zweeg, door ontroering overmand, en in de ingetreden stilte kraste de vogel: 'Der centrum des universums is waar men is.'

Het bovenstaande is een fragment uit de laatste aflevering van de Bommel Saga: Het einde van eindeloos’. 
Alle belangrijke figuren komen er nog een keer langs – waaronder natuurlijk ook kapitein Walrus, wiens goede schip de ‘Albatros’ op een zandplaat geraakt, omdat hij de gondel waarmee Heer Bommel naar Parnassus vaart voor zijn boeg krijgt - wat hem hem onvermijdelijk verleidt tot ruwe taal…
En vanzelfsprekend horen Tom Poes en de trouwe knecht Joost daar ook bij … om maar niet te spreken van mevrouw Doddel – ‘zegt u toch Doddeltje…’ , om wier hand – of moet zeggen: ‘vinger’ – deze slotepisode uiteindelijk draait.

Bloedregen en saffraankleurige luchten

Times of Sicily, a blog committed to providing coverage of Sicilian news and topics spanning culture, food, art, history, and politics, aims to appeal to an English speaking audience. 


Het woordenboek definieert een siroccowind als 'een hete, stofrijke wind uit de Libische woestijnen die over de noordelijke Middellandse Zeekust waait'. In het Grieks staat hij bekend als sorokos, in het Catalaans als xaloc, in het Kroatisch als jugo, in het Spaans als siroco (waar het Engels vandaan komt), in het Egyptisch-Arabisch als khamsin en in het Italiaans als scirocco. Op Sicilië, een van de regio's waarmee de sirocco het meest wordt geassocieerd, wordt hij scirocco genoemd. Wanneer de sirocco waait, heeft dit een grote impact op het klimaat van het eiland. Zoals alle extreme weersveranderingen, beïnvloedt de sirocco niet alleen het fysieke landschap, maar ook het mentale landschap van de inwoners.  
Afbeeldingen vergroten door te klikken

Wanneer de woestijnwind de kust van Noord-Afrika verlaat, laat hij uitzonderlijk droge, stoffige omstandigheden achter. De windvlaag komt vervolgens in contact met vochtigere lucht die circuleert in het Middellandse Zeegebied. Deze lucht verandert, naarmate hij zich over zee verplaatst, geleidelijk in koelere lucht die regenval veroorzaakt wanneer hij het zuidelijke Europese vasteland bereikt. De geografische ligging van Sicilië zorgt ervoor dat het zowel de hete adem van de Sahara als de natte wraak van de Europese klimaatzones voelt. De regen die uit siroccowolken valt, bekogelt autodaken en witte muren met klodders dor rood zand, algemeen bekend als ‘bloedregen’.

Of het nu hitte en stof of vochtigheid en regen met zich meebrengt, de sirocco kan Sicilianen dagenlang teisteren. De eilandbewoners zijn gewend aan het fenomeen en verdragen de grillen ervan met dezelfde berustende standvastigheid als de Prins van Salina van Lampedusa tijdens de koetsrit van zijn familie naar Donnafugata. De gevolgen voor buitenlanders zijn echter veel sterker, met name de verstikkende hitte.

Patrick Brydone, de Schotse Grand Tourist die een van de beroemdste reisverslagen van de achttiende eeuw schreef, ‘A tour through Sicily and Malta’, was geschokt door de vochtige intensiteit van de windvlagen en de oververhitte keerzijde ervan, die hij beide in zijn kenmerkende kleurrijke en heldere proza ​​beschreef. Bijvoorbeeld: ‘Het waait nu al zeven dagen onafgebroken; en het heeft al onze vrolijkheid en goede moed weggevaagd; en als het nog veel langer aanhoudt, weet ik niet wat de gevolgen zullen zijn. Het veroorzaakt een mate van lusteloosheid, zowel in lichaam als geest, waardoor ze absoluut niet meer in staat zijn hun normale functies uit te voeren.’

Als de aanhoudende loodzware atmosfeer al een hoge mate van traagheid veroorzaakte, was de hitte die met één sirocco arriveerde, voordat deze in een vochtige wolk kon veranderen, Brydones grootste klimatologische verrassing: ‘Ik opende de deur zonder enig vermoeden van zo’n verandering; en ik ben nog nooit zo verbaasd geweest in mijn leven. – De eerste windvlaag op mijn gezicht voelde als de brandende stoom uit de mond van een oven.’

Brydone draaide zich om naar zijn reisgenoot en riep dat de atmosfeer ‘in vlammen stond’. Je hoort hem bijna uitroepen: ‘Mijn God, meneer, wat een hitte!’ Hij probeerde een wandeling te maken, zoals ‘dolle honden en Engelsen’ dat doen, maar moest zijn verlies toegeven en keerde terug naar zijn appartement op de bovenverdieping. Hij vond de lucht ‘zwaar en benauwd’, het atmosferische equivalent van maccu, die geconcentreerde Siciliaanse soep gemaakt van gedroogde tuinbonen. De verlichting kwam toen de windrichting veranderde, waarop Brydone opmerkte dat het ‘moeilijk voor te stellen was hoe anders de lucht aanvoelde’.

Sicilianen die hij kende wilden zijn mening weten en verzekerden hem tegelijkertijd dat het een relatief korte hittegolf was geweest en dat ze de wind veel sterker en warmer hadden meegemaakt. De Britten werden als onverstandig beschouwd omdat ze zich aan de barre omstandigheden van de windvlaag hadden blootgesteld door daadwerkelijk de straat op te gaan.

Een andere reiziger, Louis Simond, beschreef de sirocco in zijn boek ‘A Tour in Italy and Sicily’ uit 1829: ‘De zuidoostelijke wind (sirocco) waaide de hele dag en het hele landschap zag er stoffig wit uit. Er waren inderdaad stofwolken in de stad, maar op de omliggende bergen moet het slechts schijn zijn geweest.’ Hij benaderde het fenomeen met een zekere koelbloedigheid en verzekerde de lezer terloops dat hij ‘geen hinder ondervond’. Hij schreef dit toe aan het feit dat de sirocco in de herfst, winter en lente vaker waait dan in de zomer, hoewel hij wel toegaf dat de wind de vegetatie ‘oprolde alsof ze door insecten werd aangevallen’, wat leidde tot een vergeling en verwelking van de planten – ‘Geurige acacia- en sinaasappelboomgaarden domineerden de voorgrond: maar vandaag was dit alles gehuld in stof, en de bomen en planten hingen slap.’

Interessant genoeg vergeleek het Edinburgh Medical and Surgical Journal van 1850 de sirocco met de leste-wind van Madeira en kwam na enig debat tot de conclusie dat de effecten op Sicilië vergelijkbaar waren met die van Simond – met een verhoogde zomerhitte – namelijk dat ‘het alle effecten vertoont van een hete, droge, verschrompelende wind, die de bladeren van planten uitdroogt en scheuren veroorzaakt in meubels en hout in het algemeen’. Het tijdschrift concludeerde dat ‘dierenlichamen’ negatief werden beïnvloed door de extreme droogte.

Een ander geleerd werk, ‘Schetsen van de medische topografie van de Middellandse Zee’, bevat een hele appendix over dit onderwerp, getiteld ‘Uittreksel uit een mededeling van Dr. Benza over de Sirocco-wind, met name zoals die in Sicilië waait’. Dr. Benza meldt dat hij de wind in Palermo net zo hard en heet heeft gevoeld als in Agrigento, waarmee hij Brydone tegenspreekt, die veronderstelde dat het zuiden van het eiland van nature meer in de vuurlinie zou liggen. Wij zijn het met Benza eens, aangezien we de angstaanjagende windvlagen op beide locaties hebben ervaren. Bovenal merkt Benza echter op dat de meest schadelijke invloed op het ‘menselijk lichaam’ voelbaar is in moerassige gebieden rond plaatsen als Siracusa – een logische aanname.

Benza’s diagnose uit 1830 is nog steeds relevant: ‘een algemene lusteloosheid of traagheid van het spierstelsel, gepaard gaande met hoofdpijn en een zwaar en beklemmend gevoel in het zenuwstelsel, wat leidt tot een onvermogen tot elke vorm van lichaamsbeweging, zowel lichamelijk als geestelijk; Alles wat je aanraakt is vochtig en klam, vooral je kleren, die aanvoelen alsof ze zijn uitgewrongen; verminderde eetlust; toegenomen dorst; ‘Het zweet vloeide rijkelijk…’

Benza sloot zijn verhaal af met een suggestief beeld van de wind aan de horizon: ‘Als de horizon tijdens de sirocco bewolkt is, zijn de meest levendige en prachtige flitsen te zien, die enkele seconden aanhouden.’ Dit leidt onvermijdelijk tot de prachtige barokke Italiaanse verzen van Lucio Piccolo, de neef van Lampedusa, die de sirocco vereeuwigde in deze regels: ‘E sovra i monti, lontano sugli orizzonti / è lunga striscia color zafferano: / irrompe la torma moresca dei venti…’ wat vrij vertaald betekent: ‘En over de bergen, ver aan de horizon / is een lange saffraankleurige strook: / de massieve Moorse wind breekt erdoorheen…’

We geven het laatste woord aan Lord Byron, zoals hij ongetwijfeld zou hebben gewaardeerd. In zijn gedicht Don Juan schetst hij met deze simpele regel in ottava rima een van de meest aangrijpende beschrijvingen van de harteloze, onophoudelijke kracht van de wind: ‘De dood rijdt op de zwavelachtige siroc’.

Andrew en Suzanne zijn de auteurs van Sicily: A Literary Guide for Travellers. Het Times Literary Supplement schreef over hun boek: ‘Sicilië zit vol heerlijke anekdotes: het is niet alleen een literaire wegwijzer voor reizigers op een eeuwenoud eiland, maar ook een culturele gids voor iedereen die zich in de waanzin van de tegenstrijdige en fascinerende uitersten van Sicilië bevindt… Sicilië zal ongetwijfeld gehavend en verfrommeld raken, bevlekt met caponata en wijnvlekken.’

Ze zijn ook de auteurs van Andalucia: A Literary Guide for Travellers, dat eveneens werd besproken in de Times Literary Supplement: ‘een doordachte, grondig onderzochte en opmerkelijk evenwichtige wetenschappelijke gids over de literaire geschiedenis van een van de meest geprezen regio’s van Spanje.’

Andrew is de vertaler van het onlangs verschenen Borges in Sicily van Alejandro Luque, een reisverslag op zoek naar de fotolocaties die Ferdinando Scianna gebruikte toen hij de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges fotografeerde tijdens zijn rondreis over het eiland.

EINDE

Hemel bestormers…

Bovenaan:  Pieter Bruegel I, De toren van Babel, ca. 1565, olieverf op paneel. Verworven met de verzameling van: D.G. van Beuningen 1958.

…die ten val komen

Toen ik onlangs het liedje ‘Icarus’ tegenkwam op het Muziekweb, zocht ik op hoe vaak die titel voorkwam. Dat bleek bij de klassieke muziek tweeënzeventig maal te zijn, bij populaire muziek driehonderdvijfenzestig maal (zie ook de video van de band ‘Oregon’ helemaal onderaan).

Ook in de beeldende kunst blijkt Icarus een machtig thema te zijn, een mythe die blijft intrigeren – zoals ook bij Hanna Mobach: “Sinds de eerste tekeningen uit 1991 is ‘Icarus’ een thema dat telkens opduikt, zwevend, zwemmend, soms paarsgewijs; en tenslotte getekend, maar dan met klei.”

In onze moderne tijd zijn ruimtereizen ‘heel gewoon’. Wellicht dat de eerst ‘wandeling op de maan’, in 1968, Hanna inspireerde tot haar ‘Ruimtevaarder’ – waarmee ze, met behulp van ‘Ateliers 63’, een vrijwel synchrone sprong in de ruimte van de kunst nam.

Hanna Mobach, ‘Ruimtevaarder’, ‘70.

Icarus bij Hanna Mobach

Hanna Mobach, Icarus 2001.
Hanna Mobach, Zwemmer, 2003
Icarus [1] 

De regen had een dunne sliblaag achtergelaten in een holte van het rotspad. Toen werd er een vorm zichtbaar die je bij droogte nooit zag, een heel ijle gestalte, met takjes op de plek van zijn voeten. Ik maakte er een serie potloodtekeningen van, totdat de wind de gestalte uitwiste.

Later, in een kleigroeve in Limburg, zag ik plotseling vlak voor mijn voeten een spleet in de grond, het evenbeeld van de holte die ik getekend had.
Die spleet goot ik af, het gips maakte de ijle gestalte uitvoerbaar op groter formaat, zoals ‘Max und Moritz’.
Icarus [2]

Voorheen had ik al kleine, kwetsbare figuurtjes geboetseerd, alleen of getweeën, die aansluiten op de potloodtekeningen van Icarus.
In vervolg daarop ontstond een kleine reeks van minnaars die ik omgaf met transparante bouwsels van latoenkoper en kopergaas.

Sinds de eerste tekeningen uit 1991 is Icarus een thema dat telkens opduikt, zwevend, zwemmend, soms paarsgewijs; en tenslotte getekend, maar dan met klei


Icarus op www.hannamobach.nl

Icarus bij Bruegel

In “Landschap met de val van Icarus” verwijst Brueghel heel duidelijk naar Ovidius. Dit schilderij en een latere versie, verschillen op een aantal, zeer belangrijke, punten van elkaar. Op het oudste schilderij komt Daedalus niet voor. Op dat schilderij is ook een ondergaande zon te zien, terwijl in de versie op hout de zon in het zenith staat. De vraag is of het schilderij op doek niet is overgeschilderd. Volgens Gibson is het schilderij misschien wel meermalen overschilderd. Onlogisch zou dat niet zijn, want, zoals iemand opmerkte, Icarus heeft er anders wel erg lang over gedaan om uit de lucht te vallen als de zon nu bezig is onder te gaan. Het lijkt immers voor de hand te liggen dat de was in de vleugels van Icarus begon te smelten toen de zon op z'n hoogste punt stond. | Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. | Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurde lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235 © 2008 Albert van der Kaap

De hybris van Icarus
Ovidius – Metamorphosen 8.183-235

Ondertussen was Daedalus ingesloten door de zee, vol haat voor zijn lange ballingschap op Kreta en geraakt door heimwee naar zijn geboorteplaats, zei hij:
"Hoewel Minos de landen en de zeeën verspert, de hemel blijft toch zeker open. We zullen langs daar gaan; hoewel hij alles bezit, de lucht heeft hij niet."

Zo sprak hij en richtte zijn geest op de nog onbekende kunst en hij bracht een omwenteling teweeg in de natuurwetten. Want hij plaatste veren op een rij, beginnend met de kortere en daarna steeds een langere, zodat je kon denken dat ze op een helling gegroeid waren. Zo ontstond eertijds geleidelijk de landelijke herdersfluit uit ongelijke riethalmen. Toen maakte hij de veren in het midden vast met een draad en vanonder met was en zo samengevoegd boog hij ze in een kleine kromming, zodat hij echte vogelveren nabootste.

De jongen Icarus stond erbij en niet wetend dat hij met zijn leven aan het spelen was, probeerde hij nu eens met een stralend gezichtje de veren te pakken, die bewogen werden door een licht briesje, dan weer kneedde hij met zijn duim de goudgele was. En door zijn spel hinderde hij het wonderbaarlijke werk van zijn vader.

Nadat hij de laatste hand gelegd had op zijn werk, bracht de kunstenaar zelf zijn lichaam in evenwicht tussen de twee vleugels en hij bleef hangen in de lucht die bewogen werd (door de wind).

Hij onderrichtte ook zijn zoon "Icarus," zei hij "ik raad je aan in het midden van de weg te vliegen opdat de zee je veren niet zou verzwaren door te laag te vliegen en opdat het vuur ze niet zou verschroeien door te hoog te vliegen: vlieg tussen elk van beiden (neem de gulden middenweg). Ik vraag je met aandrang niet te kijken naar de Ossendrijver, de Grote Beer en het sterrenbeeld van de jager. Volg mij als gids!" Tegelijkertijd leerde hij hem de regels van het vliegen en hij maakte de tot dan toe onbekende vleugels aan zijn schouders vast.

Tijdens het werk en de waarschuwingen waren de wangen van de oude man vochtig van tranen en zijn vaderlijke handen beefden. Hij gaf zijn zoon kusjes, die niet meer herhaald konden worden. En licht gemaakt door de veren vloog hij voorop en hij vreesde voor zijn kameraadje, zoals een vogel die zijn tengere kroost vanuit het hoge nest de lucht inleidt. Hij spoorde hem aan te volgen en bracht hem de onheilbrengende kunst bij. Zelf bewoog hij zijn eigen vleugels en keek om naar die van zijn zoon.

Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. En reeds lag links Samos, gewijd aan Juno (ze waren al voorbij Delos en Paros gevlogen). Rechts lag Lebinthos en Calumne, rijk aan honing, toen de jongen genoegen begon te scheppen in zijn roekeloze vlucht, zijn gids verliet en aangetrokken door de drang naar de hemel, een al te hoge vlucht nam.

De nabijheid van de verschroeiende zon maakte de geurige was, het bindmiddel van de veren, mals: de was smolt. Icarus zwaaide met zijn vleugelloze armen en omdat hij zijn vleugels miste, kon hij absoluut geen lucht meer opvangen. En zijn mond, die de naam van zijn vader nog riep, werd gevuld met het azuurblauwe water dat zijn naam aan hem ontleent.

Maar de ongelukkig vader, die geen vader meer was, riep:" Icarus, waar ben je? Waar moet ik je toch gaan zoeken? Icarus," zei hij herhaaldelijk: maar hij zag de veren op de golven drijven en hij vervloekte zijn uitvinding; hij begroef het lichaampje in een graf; en het eilandje werd genoemd naar de naam van degene die daar begraven lag.

Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurende lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.

Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235

De hoogtevrees van Perdix (intermezzo)
Ovidius – Metamorphosen 8. 236-259

PERDIX 236-259

Terwijl hij het lichaam van zijn miserabele zoon begroef, zag een kwetterende patrijs hem, vanuit een modderige greppel, en klapte in zijn vleugels, nadat hij zijn vreugde had betuigd met een lied.
Toen was hij de enige vogel, voor meerdere jaren niet opgemerkt, en onlangs vogel geworden, was voor jouw, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Want zijn zus, onbekend met het lot, vertrouwde hem haar kind toe als leerling, een jongen, die zijn twaalfde verjaardag vierde, ontvankelijk voor het onderrichten van de geest.

Want hij nam het ruggenmerg, nadat hij het in het midden in een vis had waargenomen, als voorbeeld en hij sneed blijvende tanden in ijzer en vond de toepassing van een zaag uit.
Als eerste verbond hij ijzeren armen, twee vanuit een knooppunt, zodat ze, mits ze met gelijke tussenruimte uit elkaar stonden, het ene deel stond, het andere deel een cirkel beschreef.

Daedalus was jaloers en duwde hem hals over kop van de heilige burcht van Minerva, terwijl hij het als een val voorwendde: maar hem, maakte Pallas, die genieën gunstig gezind was, tot een vogel en overdekte hem, midden in de lucht, met veren.

De kracht echter van het genie ging weg naar zijn vleugels, en voeten: de naam bleef hem bij. Toch heft die vogel haar lichaam niet omhoog en maakt zij het nest niet in takken in een hoge top;
Zij vliegt dicht bij de grond en legt haar eieren in heggen, hij is bang voor hoogtes, zich de oude val herinnerend.

Bron: Ovidius Metamorphosen 8.236-259

Icarus! Icarus!
Het verhaal in staccato stijl


Icarus! Icarus!het elegische verhaal
Ovidius, Ars Amandi ii, 21-96

NB Volgens onze moderne Van Dale is elegie: ‘een lyrisch dichtstuk waarin de aangename herinnering aan hetgeen men vroeger bezat, afwisselt met treurigheid om het verlies ervan’.

…en nu muziek!

In de openingstitel staat per vergissing “Icarus” als “Leather Cats”. Dit concert werd uitgevoerd en opgenomen in 1987 tijdens het Freiburg Arts Festival in Duitsland. Oregon bestaat uit Ralph Towner – gitaar en keyboards, Paul McCandless – hobo, Engelse hoorn, sopraansaxofoon, Glen Moore – bas, Trilok Gurtu – tabla, percussie.

EINDE

Christen-nationalisten in de VS zien in de Iran-oorlog een teken van de Eindtijd

ACHTERGROND

Religie 
Christelijke zionisten speculeerden al in de negentiende eeuw over het einde der tijden in het Midden-Oosten. In de VS hebben predikers en techmiljardairs de Apocalyps ontdekt.

Sjoerd de Jong, NRC

Gepubliceerd op5 maart 2026 om 15:22.

Brengt de ‘epische woede’, zoals de Amerikaanse aanval op Iran is gedoopt, het einde der tijden nabij – en dus de terugkeer van Christus? Sommige evangelische predikers geloven het. Israël en het Midden-Oosten zijn voor hen het projectiescherm van eindtijdfantasieën en speculaties over een Nieuwe Aarde.

Ook in het Amerikaanse leger, dat van Trumps zelfverklaard ‘minister van oorlog’ Pete Hegseth een leger van „krijgers” moet worden, duiken die apocalyptische overtuigingen op. Bij de Military Religious Freedom Foundation kwamen, zo bericht The Guardian, ruim tweehonderd klachten binnen van militairen die klagen dat hun superieuren de aanval op Iran uitleggen als onderdeel van Gods plan of als opmaat naar de eindstrijd met Satan bij Armageddon.

Dat zal gesneden koek zijn voor evangelisten als de Texaanse dominee John Hagee. In zijn Cornerstone Church in San Antonio verkondigt hij al jaren dat oorlog in het Midden-Oosten, na de terugkeer van het Joodse volk naar het Heilige Land, de wederkomst van Jezus zal voortbrengen. Een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen, die dat in de weg zou staan, noemde hij in 2023 dan ook het werk van de antichrist, de tegenhanger van Jezus. De eindstrijd moet er komen, in of om Israël – de Joden zijn in dat programma niet meer dan een instrument.

Die christelijk-zionistische overtuiging, nu vooral wijdverbreid in de VS, heeft lange historische wortels. Op basis van passages in de Bijbel speculeerden Britse dominees al vanaf de zeventiende eeuw over de terugkeer van het uitverkoren volk naar Israël (Zion) als prelude van de Eindtijd en de terugkeer van Christus. Invloedrijk was de aristocraat en sociaal hervormer Anthony Shaftesbury (1801-1885), politiek strijder tegen kinderarbeid en dierenmishandeling. Uit religieuze motieven ijverde hij voor Joodse vestiging in het destijds Ottomaanse Palestina, in de verwachting dat de Apocalyps nabij was. Ook in Nederland leefde dit christenzionisme, vooral in orthodox-gereformeerde kring. Het kreeg een impuls door de stichting van Israël in 1948 en de daaropvolgende oorlogen met Arabische buurlanden.

De apocalyptische verwachtingen (van het Griekse apokalupsis, ‘onthulling’ of ‘openbaring’) zijn gebaseerd op Bijbelteksten die een eindstrijd met Satan en de wederkomst van Jezus voorspellen. In de Openbaring van Johannes wordt die geplaatst bij Armageddon, de vlakte bij het Noord-Israëlische plaatsje Megiddo, waar in de oudheid veel veldslagen plaatsvonden. Wat er staat te gebeuren vermeldt ook de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (2:3-4): „Want de dag [van de Heer] komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is. De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”

Een doctrinair onderscheid is dan nog dat tussen ‘premillenialisten’, die geloven dat Jezus zal terugkomen om zelf Satan te verslaan en het Duizendjarig Rijk te vestigen, en ‘postmillenialisten’, die ervan uitgaan dat eerst dat Rijk moet worden gevestigd voordat Jezus zijn opwachting maakt. De eerste variant leeft sterk onder evangelisch christenen in de VS. Evenals de theologisch omstreden notie van rapture, de opname van de ware gelovigen in de hemel voordat de eindstrijd uitbreekt.

Binnen het christendom zijn dit randbewegingen, die vaak haaks staan op de kerkleer en theologie, maar wel invloedrijke. Populaire uitwerking kregen Eindtijd-thema’s in de VS vanaf de jaren tachtig in christian fiction, romans over religieus leven, bekering en verlossing. In de bestseller-reeks Left Behind (1995-2007) van de evangelisten Tim LaHaye en Jerry Jenkins vecht een groep op aarde achtergebleven gelovigen (de uitverkorenen zijn opgenomen in de rapture) in het Midden-Oosten de Eindstrijd uit met de antichrist, de ‘wetteloze mens’ uit de Bijbel die de plaats van God inneemt. In de reeks (die liep tijdens de Irak-oorlog) is dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in een legervoertuig de troepen van Satan aanvoert. Aan het einde van de cyclus keert Jezus glorieus terug om de strijd te beslechten.

Dat klinkt bizar, maar afkeer van een ‘totalitaire wereldregering’ is een diep cultureel thema in de VS, een natie die per slot van rekening werd geboren uit afscheiding van een wereldrijk, het Britse. Religieus vertaald leeft het onder de christelijk-nationalisten in de VS, die een belangrijke schakel zijn in Trumps MAGA-coalitie. Zij zien in de zondaar Trump, een man die onbesmuikt erkent zijn vijanden niet lief te hebben maar te haten, een breekijzer om een gevallen samenleving recht te zetten en het Rijk Gods naderbij te brengen.

Ambassade in Jeruzalem

Voor een deel van zijn bewonderaars geldt dat op wereldschaal. Trumps verplaatsing in 2018 van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, de heilige christelijke stad, was voor hen meer dan politiek. Het was een symbolische stap in de spirituele oorlog tegen Satan. Ook de Republikeinse senator Ted Cruz van Texas verdedigde de eerdere aanval van Israël op Iran vorig jaar op Bijbelse gronden. „Wie Gods zegen zoekt, moet Israël steunen”, aldus Cruz.

Maar lang niet iedereen in de MAGA-coalitie denkt er zo over. Trumps leus was immers niet voor niets America First. Cruz werd direct gekapitteld door tv-ster Tucker Carlson die, net als veel MAGA-aanhangers van het eerste uur, wars is van buitenlandse avonturen.

Op sommige christelijke sites is uitleg te vinden hoe de aanval op Iran al dan niet zou passen in de Bijbelse boodschap

In Nederland is de noodzaak om ‘geestelijke strijd’ te leveren tegen Satan onder meer te vinden bij Christenen voor Israël. De stichting streeft ernaar Nederlanders „bewust te maken van de betekenis van het Joodse volk in Gods handelen met deze wereld, Gods liefde voor Zijn volk en Zijn komende koninkrijk”. Ook bij de messianistische vereniging Hadderech, die Joden en christendom wil samenbrengen, leven Eindtijd-verwachtingen. Zo zag Eppo Bruins, actief in de vereniging en later minister van Onderwijs, in zijn Pesach-lezing Hoe heerlijk zal dat zijn (2022) tekenen dat „de beloofde wederkomst nabij is”, na tweeduizend jaar „verblind te zijn geweest door Griekse gedachten en Romeinse instituties”. 

Ook geven sommige niet-kerkgebonden christelijke sites uitleg hoe de aanval op Iran zou passen in de Bijbelse boodschap. De site Cvandaag ziet duidelijk parallellen maar tekent ook aan: „De Bijbel gebruikt geschiedenis niet als blauwdruk voor geopolitieke voorspellingen. Christenen doen er goed aan parallellen te herkennen als symbolische echo’s, niet als exacte herhalingen.” Bij de parallellen gaat het vooral om het oudtestamentische verhaal van Esther, die in Perzië uitroeiing van de Joden door de boosaardige Haman listig wist te voorkomen. De nederlaag van Haman wordt gevierd in het Poerim-feest, dit jaar net rond de aanval op Iran. Cvandaag haalt predikant Oscar Lohuis van Christenen voor Israël aan, die als reactie op de oorlog verzekert dat „alle Hamans roemloos ten onder zullen gaan”.

Techmiljardairs

In de VS zijn het intussen niet alleen christelijk-nationalisten die bevlogen raken door de hoop dat alles anders zal worden na een vurige periode van chaos en ontwrichting. Fascinatie met de apocalyps heerst ook onder techmiljardairs uit Silicon Valley als Elon Musk en Peter Thiel, die koortsdromen koesteren over de toekomst van de mensheid. Religieus gezag en technologische innovatie, menen zij, moeten de overbevolkte wereld van de ondergang redden – althans hún wereld. Sociaal criticus en schrijver Naomi Klein trekt in opiniestukken en interviews van leer tegen wat zij het „eindtijdfascisme” noemt,onder een flinterdunne elite van kapitalistische superrijken.

Miljardair Thiel, medeoprichter van PayPal en Palantir en ooit mentor van vicepresident JD Vance, is daarvan het meest frappante voorbeeld. Thiel zette zijn eschatologische, „onorthodoxe christendom” eind vorig jaar uiteen in vier meanderende lezingen in San Francisco, een stoofpot van apocalyptisch christendom, rechts-revolutionaire filosofie, complottheorieën en sciencefiction. Thiel beriep zich onder meer op de Bijbel, Tolkiens The Lord of the Rings en de Duitse jurist Carl Schmitt (1888-1985) die Hitlers dictatuur rechtvaardigde en het universele idee van ‘de mensheid’ afdeed als een liberale illusie.

Thiel neemt van Schmitt ook het aan de Bijbel ontleende idee over van de katechon, een mens of kracht die de dreigende wereldheerschappij van Satan zo lang mogelijk moet tegenhouden, in afwachting van de komst van Jezus. Ook Thiel denkt dat de antichrist in aantocht is. Die zal, verwacht hij, anno 2026 niet aantreden als VN-secretaris-generaal maar eerder als een Luddiet, een valse profeet die zich verzet tegen technologische vooruitgang zoals de Britse textielarbeiders in de negentiende eeuw weefmachines kapotsloegen (ze vernoemden zich naar een legendarische arbeidersheld, Ned Ludd).

Over wie hebben we het dan? Greta Thunberg natuurlijk. Thiel verwees eerder al eens naar de 23-jarige Zweedse klimaatactivist als geschikte kandidaat voor de positie van antichrist, omdat zij de mensheid angst aanjaagt voor klimaatrampen en technologie, het soort dat Thiel levert. In zijn lezingen in San Francisco kwam hij daar een beetje op terug. Thunberg was wie weet „een soort schaduw van de antichrist”, maar hij wilde haar niet „te veel vleien”. Over de Joden merkte hij op dat hun „koppigheid” tegenover de boodschap van Jezus – een klassiek antisemitisch thema: Joden als Christus-weigeraars – straks misschien juist goed van pas komt in de strijd tegen de antichrist. Zij konden wel eens „de kern van het verzet” worden.

Achter zulke quasi-christelijke oprispingen schuilt niet alleen een miljardair met voldoende vrije tijd om aan ‘filosofie’ te doen en met een goed gevoel voor pop culture (Thiel verwijst ook volop naar films en videogames). Ze drukken volgens Naomi Klein de angst uit van een achter hoge muren verschanste kaste superrijken die veel te verliezen heeft bij een ‘wereldregering’ of bij groter democratisch toezicht op hun investeringen en vermogens. Aantasting daarvan zou voor hen pas echt het einde der tijden zijn.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Italiaanse schilderkunst in Museum MORE: Francesca kan zo in een horrorfilm

RECENSIE
Beeldende kunst

Het museum voor modern realisme in Gorssel toont Italiaanse schilderkunst uit het midden van de vorige eeuw: lichter en kleurrijker dan het Nederlandse realisme, maar ook met een ongemakkelijke zweem van fascisme.

Gijsbert van der Wal
4 maart 2026
vanuit Gorssel

Afbeeldingen vergroten door te klikken

Het is lekker druk in Museum MORE, en je begrijpt wel waarom. Het particuliere museum, gevestigd in een groot en licht nieuw gebouw in Gorssel bij Zutphen, begon ruim tien jaar geleden als een officieuze opvolger van het in de kredietcrisis gesneuvelde Scheringa Museum voor Realisme. In die tien jaar is het uitgegroeid tot een museum voor moderne figuratieve kunst in brede zin, van het interbellumrealisme van Jan Mankes, Pyke Koch en Carel Willink tot de recente tekeningen op groot formaat van Marijn Akkermans, Jans Muskee en Raquel Maulwurf, de wiebelige keramiekstillevens van Koos Buster en een flinke verzameling zelfportretten, met uiteenlopende hedendaagse kunstenaars als Levi van Veluw, Matthijs Röling, Rineke Dijkstra en Anton Valens. Op de begane grond is een leuke keuze uit die vaste collectie gepresenteerd – thematisch, niet chronologisch, zodat duidelijk blijkt dat de figuratieve kunst van de afgelopen eeuw één samenhangend verhaal van leesbare beelden is, één grote weergave van de zichtbare wereld. Zo liefdevol en zorgvuldig als hier wordt het eigen bezit van een museum niet vaak geëxposeerd.

De zalen op de eerste verdieping zijn bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en om de zoveel jaar biedt MORE daar een internationale context bij de Nederlandse kunst beneden. Eerder waren er tentoonstellingen te zien over Brits en Europees realisme uit de jaren twintig en dertig, naïef realisme wereldwijd en figuratieve kunst uit het vroegere Tsjecho-Slowakije. Nu wordt er in Magico! een overzicht geboden van de Italiaanse realistische schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een beetje uitloop naar de jaren vijftig en zestig.

De aankleding is ijssalon-achtig, met wanden en banieren in zachte kleuren en kleurbanen. Op de bordjes staat af en toe een bekende naam: Gino Severini’s gitaarspelende Pulcinella uit Museum Boijmans Van Beuningen is present en van Giorgio de Chirico hangt er een landschap met de voor hem typerende combinatie van naïef perspectief en verfijnde schaduwen. Maar verder is Magico! een tentoonstelling als een eerste ontmoeting, want de meeste getoonde Italianen zijn in ons land onbekend. Toch doet hun stijl van schilderen regelmatig vertrouwd aan. De eenvoudige stillevens in verstofte kleuren van Edita Broglio doen aan die van onze Wim Schuhmacher denken, Gregorio Sciltians portretten zijn verwant aan die van Carel Willink en Antonio Donghi had met zijn illustratief geschilderde ouderwetse speelgoedwereld een Italiaanse achterneef van Hermanus Berserik kunnen zijn.

Ongemakkelijke, kille verhevenheid

Waardoor onderscheiden de Italiaanse realisten zich van hun Nederlandse tijd- en soortgenoten? Soms natuurlijk door het zuidelijke licht: zie de harde schaduwen bij De Chirico, en zie ook Ada in de tuin (1927) van Stanis Dessy. Het model staat in de schaduw, maar in die schaduw worden nog weer diepere schaduwen getekend door het felle zonlicht daarbuiten, en datzelfde zonlicht reflecteert in haar ogen. Verder lijkt het Italiaanse interbellumrealisme wat uitgesprokener van kleur dan het Nederlandse. Een stilleventje als dat in Vrouw voor de spiegel (1927) van Cagnaccio di San Pietro, met vuurrode make-upspullen op een knalblauw tafeltje, zul je bij Mankes, Schuhmacher of Hynckes niet tegenkomen.

Op een ander verschil is moeilijker de vinger te leggen: de zweem van fascisme, waar een aantal van de Italiaanse realisten niet onwelwillend tegenover stond. Misschien zie je het alleen omdat je het weet. Er wordt niet met vlaggen gezwaaid en er zijn geen uniformen of portretten van Mussolini te zien, maar er spreekt een ongemakkelijke, kille verhevenheid uit de neo-classicistische decors, de verbeten, strak belijnde koppen, de visionaire blikken, de smetteloze schildertrant.

Carlo Levi: Francesca (1927).
BEELD FONDAZIONE CARLO LEVI / PICTORIGHT

Francesca (1927) van Carlo Levi zit in rustig strijklicht te poseren op een stoeltje op een tapijt met veel blauwen en roden; haar rode vest oogt lekker warm tegen een wat gedempter rode achterwand die ook al warm is – maar met haar valse poppenblik en haar helmachtige kapsel (met strakke middenscheiding) wint ze geheid iedere auditie voor een hoofdrol in een horrorfilm. Een door Mario Reviglione geportretteerde theoloog, helemaal in het zwart en met een strenge blik onder de zwarte hoed, is ook op een filmische manier griezelig.



Hoogst curieus is Sciltians Bacchus in de herberg (1936) uit het museum voor moderne kunst in Rome. Vier jonge mannen aan een gedekte tafel worden verrast door de halfnaakte Bacchus, god van wijn en dronkenschap. De compositie met evenwichtig verdeeld geel, rood, groen en blauw, het theatrale licht, de blikken en houdingen en de stillevens op en om de tafel doen allemaal aan Caravaggio denken – en toch blijkt uit bijvoorbeeld de kleding en de kapsels meteen dat we in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn. Het desolate stadsgezicht achter Bacchus heeft Sciltian van De Chirico geleend. Uiteindelijk is het een tamelijk lelijk, geforceerd schilderij. Make Italy great again. Maar je blijft toch een tijd staan kijken, want boeiend is het wel. En daarin is het representatief voor Magico! Er zullen weinig bezoekers wildenthousiast over het Italiaanse realisme naar buiten lopen, maar het is een welkome, leerzame tentoonstelling die je in geen enkel ander Nederlands museum te zien krijgt.


Carlo Levi, detail ‘Lucania ‘61’, 1961 – uit ‘Christus kwam niet verder dan Eboli
Christus kwam niet verder dan Eboli (1945) – Carlo Levi’s autobiografie.

In het zuiden van Italië ligt een onherbergzaam gebied, waarvan de inwoners zich in barre omstandigheden door het leven moeten zien te slaan. In 1935 werd arts, auteur en schilder Carlo Levi (1902-1975) naar het Siberië van Italië verbannen wegens antifascistische activiteiten. Hij genoot er een beperkte bewegingsvrijheid, maar werd vanwege zijn beroep door de notabelen als een der hunnen gezien. De gewone dorpelingen hoopten vooral dat Levi hun medische zorg zou kunnen bieden.
Cristo si è fermato a Eboli is een Italiaanse dramafilm uit 1979, gebaseerd op de roman van Carlo Levi.
Eboli ligt bij Amalfi (rode stip), westelijk Tricarico en Matera (Musei nazionale).

Geheel bovenaan:  
Rechter drieluik van ‘ Lucania ‘61’.

EINDE

Israëlische kolonist schiet Palestijn dood ten zuiden van Hebron

NIEUWS

Westelijke Jordaanoever Een 28-jarige Palestijnse man is zaterdag doodgeschoten door een kolonist in het dorpgebied van Masafer Yatta. Afgelopen maandag werden ook al twee Palestijnse broers door een kolonist doodgeschoten. 

Gepubliceerd op

Or Goldenberg, NRC

Een Israëlische kolonist heeft zaterdag een 28-jarige Palestijnse man, Amir Shnaran, doodgeschoten in het dorpgebied van Masafer Yatta, ten zuiden van de Palestijnse stad Hebron. De broer van Amir Shnaran, de 33-jarige Khaled Shnaran, zou ernstig gewond zijn geraakt. Dat meldt het officiële Palestijnse persbureau Wafa, gebaseerd op lokale medici en activisten. Het aantal Palestijnen dat sinds het begin van dit jaar door kolonisten zijn gedood is na vandaag opgelopen tot vier.

De Israëlische politie en militaire politie zegt het incident te onderzoeken, aldus de Israëlische krant Haaretz. Volgens het leger is de schutter een kolonist die als reservist ter plaatse kwam nadat hij een melding kreeg over confrontaties tussen kolonisten en Palestijnen. Masafer Yatta wordt regelmatig aangevallen door Israëlische kolonisten. Dat werd ook vastgelegd door Israëlische en Palestijnse filmmakers in de Oscar-winnende documentaire No Other Land.

Afgelopen maandag werden twee Palestijnse broers, Muhammad (52) en Fahim Taha Muammar (48) door een Israëlische kolonist doodgeschoten in Qaryut, een Palestijns dorpje in de buurt van de stad Nablus ten noorden van de illegaal bezette Westelijke Jordaanoever. Volgens Haaretz wordt ook dit incident onderzocht door de militaire politie van het Israëlische leger. Volgens getuigen begon de escalatie toen Joodse kolonisten met bulldozers de olijfboomgaarden van de dorpsbewoners betraden. Na de schietpartij nam het Israëlische leger de bulldozer in beslag. Het IDF veroordeelde volgens de Israëlische krant de schietpartij en zei dat het „het incident uiterst serieus neemt”.

Vorige week zaterdag, vlak nadat Israël en de Verenigde Staten de oorlog tegen Iran afkondigden, sloot het Israëlische leger alle controleposten in de Westelijke Jordaanoever. Volgens het Palestijns-Israëlische nieuwsmedium +972Magazine deelden soldaten afgelopen zondag pamfletten uit aan Palestijnen. Daarop stond dat het leger „een preventieve veiligheidscordon” zou hebben ingesteld „rond het hele gebied van Judea en Samaria”. Het gebruik van de Bijbelse benaming voor de Westelijke Jordaanoever, Judea en Samaria, is niet onomstreden omdat het volgens internationaal recht om door Israël bezet gebied gaat. Bovendien werd het verkeer tussen verschillende delen op de Westelijke Jordaanoever volgens dat pamflet „tot nadere orders” verboden.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren…

“And there will be signs in the sun, in the moon, and in the stars; and on the earth distress of nations, with perplexity, the sea and the waves roaring; men’s hearts failing them from fear and the expectation of those things which are coming on the earth, for the powers of the heavens will be shaken. Then they will see the Son of Man coming in a cloud with power and great glory.”
Lucas 21’ 25-27

Afbeeldingen vergroten door te klikken.

In afwachting van onze Tai-chi les om tien uur, stak ik vanochtend mijn hoofd om de hoek van de deur, om te peilen wat buiten de stand van zaken was – en zag dit: een glimp van de volle maan aan de horizon, geflankeerd door het schijnsel van de opkomende zon op de gebouwen waarachter ze ondergaat.
Intussen was ik net bezig met een post over de ‘De sacrale kunst van Toledo’, Spanje.
Gisteren was het daar op mijn blog nog over ‘Rijksmuseum: herontdekt schilderij is een echte Rembrandt’ gegaan, een bericht overgenomen uit NRC, over waarheid en leugen rond het ‘Rembrandt Research Project’, met betoverende beelden van diens Het visioen van Zacharias in de tempel (1633).

Kortom: kunst alom, binnen en buiten, in een wereld die om schoonheid schreeuwt
Nou, van die Tai-chi is niks gekomen…
Onderweg namen we de bus naar de Landmarkt, om het leven op afstand te kunnen overpeinzen…
Bovenaan:  Vincent Van Gogh, De sterrennacht, juni 1889. 

EINDE

Rijksmuseum: herontdekt schilderij is een echte Rembrandt

Rembrandt
Het Rijksmuseum Amsterdam presenteerde maandagochtend een nieuwe Rembrandt: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633). Het schilderij was eerder afgeschreven als een Rembrandt, en 65 jaar lang niet in het openbaar getoond.

Merlijn Schoonenboom
2 maart 2026

Drie keer eerder werd het schilderij afgeschreven, 65 jaar lang is het niet meer in het openbaar te zien geweest, maar nu weet het Rijksmuseum in Amsterdam het zeker: Het visioen van Zacharias in de tempel (1633) „is een echte Rembrandt”. Maandagochtend presenteerde het museum op een persconferentie het schilderij als ontdekking van twee eigen onderzoekers.

Het schilderij, eigendom van een particulier die anoniem wil blijven, zal vanaf deze week als langdurig bruikleen in het Rijksmuseum komen te hangen. Het schilderij werd in 1898 ook al in het museum getoond, op de eerste overzichtstentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van de inauguratie van koningin Wilhelmina. In 1960 werd het de eerste keer afgeschreven als zijnde een Rembrandt, en nadat het in 1961 was verkocht, was het niet meer door experts onderzocht.

Een paar dagen voor de persconferentie staat Het visioen van Zacharias in de tempel op een schildersezel in het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Relatief klein is het, 60 bij 50 centimeter, olieverf op hout, met een tafereel uit de Bijbel, waarin Zacharias van de aartsengel Gabriël te horen krijgt dat hij en zijn vrouw ondanks hun hoge leeftijd een zoon krijgen, de latere Johannes de Doper. De twee onderzoekers, conservator en Rembrandt-kenner Jonathan Bikker en Petria Noble, hoofd van het restauratieatelier, staan ernaast, en laten via een powerpoint hun bewijzen zien dat de schilder de 27-jarige Rembrandt van Rijn moet zijn geweest.

In 2023 kreeg het museum een foto toegestuurd van de zoon van de koper uit 1961, met het verzoek het werk te onderzoeken. „Zijn vraag was niet, is dit van Rembrandt? Maar: is dit van Salomon Koning of Jan Lievens”, zegt Bikker. Het schilderij werd in 1961 wél gekocht als een Rembrandt, maar in de belangrijke catalogi sinds die tijd ontbrak het. In 1960 bestempelde een Duitse Rembrandt-deskundige het als een ‘Jan Lievens’, in 1969 schreef een andere onderzoeker het ook af, en het Rembrandt Research Project, tussen 1968 en 2014 dé Rembrandt-autoriteit, deed dat ook.

Vroeger alleen zwart-witfoto’s of slechte reproducties

Maar Bikker vermoedt dat die eerdere onderzoekers het echte schilderij nooit hebben gezien, en alleen „zwart-witfoto’s of slechte reproducties” hadden om te beoordelen. Dat is nu anders, zegt hij: het Rijksmuseum had niet alleen de beschikking over het schilderij zelf, maar ook over hogeresolutiefoto’s, scanners en andere apparatuur waarmee ook De Nachtwacht de afgelopen jaren is onderzocht en gerestaureerd.

Het tweejarige onderzoek begon bij het materiaal: het hout van het paneel stamt volgens Bikker en Noble uit de periode waarin Rembrandt werkte, de verf is dezelfde als die hij in andere schilderijen gebruikte, en vergelijkingen met een ander, bijna identiek schilderij in een museum in het Duitse Schwerin laten zien dat dit het origineel moet zijn en die in Schwerin de kopie. Natuurlijk, zegt Bikker, alleen op basis van de informatie van het materiaal had het schilderij ook door een leerling of medewerker van Rembrandt geschilderd kunnen zijn, maar dat geldt volgens hem niet voor de „verfopbouw”, die „typisch is voor Rembrandt”, voor de handtekening die aanwijsbaar op de natte verf is aangebracht, en vooral: voor de stijl.

Petria Noble loopt naar het doek en wijst op een geschilderde plooi in het altaarkleed, die op de powerpointpresentatie op de laptop ernaast is uitvergroot: „Hier komt de onderliggende schets tevoorschijn, het is typisch voor Rembrandt om dat open te laten.” Bikker wijst op de kleine stipjes lichte verf die de stoffen en het wierookvat uitlichten; op de ogen van Zacharias die slechts puntjes zijn, maar voldoende om de emotie van ongeloof op het gezicht van Zacharias op te roepen. Ook loven de onderzoekers de compositie, die volgens hen „het spannendste moment van het verhaal” uitbeeldt: het moment dat Zacharias het nieuws te horen krijgt. Rechtsboven doet een lichtbron de engel vermoeden, maar je ziet hem niet – anders dan op andere, buitenlandse uitbeeldingen van dit thema; Rembrandt was de eerste in de Nederlanden die dit verhaal koos. „Ontroerend” noemt museumdirecteur Taco Dibbits de voorstelling in het persbericht.

Afbeeldingen vergroten door te klikken

‘Oordeel van Rijks niet zomaar een mening’

Maar kan het Rijksmuseum wel zo zeker zijn? Ja, zeggen Bikkers en Noble. De onderzoekers verwijzen naar twee kleine portretten die het museum in 2023 ook als herontdekte Rembrandts presenteerde: Jan Willemsz. van der Pluym en zijn echtgenote Jaapgen Caerlsdr. Volgens hen laten die portretjes en het nieuwe schilderij zien dat er nog steeds Rembrandts uit particuliere collecties kunnen opduiken. Maar de discussie die na de presentatie van ‘Jan en Jaapgen’ onder kunsthistorici over deze toeschrijving werd gevoerd, laat óók zien dat dergelijke recente herontdekkingen vaak omstreden zijn. Niet alleen de wetenschappelijke maar zeker ook de commerciële belangen zijn enorm: de naam Rembrandt voegt vele miljoenen aan de waarde toe. 

Bikker sluit niet uit dat er nu ook discussie ontstaat, maar benadrukt wel dat het oordeel van het Rijksmuseum niet zomaar een mening is. Het is weliswaar geen „museumbeleid” om nu als een soort nieuw Rembrandt Research Project stempels van echtheid uit te gaan delen, zegt hij, maar „persoonlijk vind ik dat wij de enigen zijn met de kennis, de expertise en de apparatuur in huis”. Een commercieel belang heeft het museum daarbij niet, zegt hij: „Wij doen dit puur uit interesse. En om dichter bij Rembrandt te komen.”

De ontdekking – of eigenlijk: herontdekking – bevestigt volgens Bikker en Noble dat de jonge Rembrandt anders moet worden gezien dan kunsthistorici lang deden. Lang werd gezegd dat de schilder in zijn jonge jaren „fijn en netjes” schilderde, en dat hij pas op latere leeftijd grover, schetsmatiger en met minder kleuren ging werken. Maar dat klopt niet, zegt Bikker. Een ander Rembrandt-schilderij uit datzelfde jaar 1633, dat in het Getty Museum in Los Angeles onder de titel Daniel and Cyrus before the Idol Bel hangt, heeft dezelfde stijl. Al maakte Rembrandt toen nog vooral naam als portretschilder, het zijn taferelen die de schilder volgens Bikker ook op jonge leeftijd al het liefst maakte.

EINDE