De terugkeer van Tiësto

2017 REpaired&-posted

Toen Maarten Houtman in 2007 definitief stopte met zijn lesgroepen, schreef hij het pamflet ‘Aan mijn opvolgers’, waarin hij zijn leerlingen aanspoorde zijn werk voort te zetten:

 Nu ik na jarenlang met jullie geoefend te hebben, definitief afscheid neem, moeten jullie het van mij overnemen. Hoe dat zal gaan weet geen mens. Maar jullie moeten bij jezelf nagaan of je dat ook echt wilt. Niet om mij gerust te stellen, maar omdat meditatie een levenszaak voor je is.
[...]
Al met al een geweldige uitdaging, een die het uiterste van je vraagt, maar die ook alle kracht en vertrouwen in je activeert. Het is niet niks, maar dat was het ook niet toen ik de leiding nog had. Maar toen kon je nog, al was het onbewust, het gevoel hebben hij is er, dus...
Durf jezelf uit te dagen, de tijdloze werkelijkheid wacht op je antwoord. Altijd al, maar nu zeker.

Met onze eigen Amsterdamse ‘huiskamergroep’ hebben wij daar sinds 1 januari 2010 een bescheiden bijdrage aan geleverd.
We gaan nu dus ons achtste jaar in.
Het aantal deelnemers was nooit groter dan zes – meer gingen er gewoon niet in. Soms vertrok er iemand, soms kwam er iemand bij. Maar het was altijd gezellig, zeker tijdens het rondje theedrinken vooraf aan de keukentafel. En als er iemand zei: “Voor mij is zingen toch de betere meditatie,” dan hielden we een vrolijk afscheid – zie foto onder.

Mei 2013 overleed Ellen plotsklaps aan een hartstilstand. Het verlies zijn we maar moeizaam te boven gekomen, haar plek in onze huiskamerkring is sindsdien eigenlijk onbezet gebleven.

Casta (half-time) en Aloys (wintergast) hebben de leemte nu enigszins opgevuld.

’s Zomers moeten we het zonder Aloys stellen, van mei tot september is hij onze fietsende Tao-zen ambassadeur in Europa. De deelnemers aan de huiskamergroep ontvangen dan van heinde en verre zijn reisverslagen: van de Noordkaap tot Rome, van de Buiten Hebriden tot Sevilla.

En wij intussen maar zitten en shaken…

Onlangs stond, na jaren, Tiësto weer op ons shake-programma: onderstaande twee nummers van Panama (In Search Of Sunrise 3).
Ellen was onze grote Tiësto fan, als zijn muziek weerklonk shakete ze erop los… dus we draaiden hem veel.
Tiësto keert nu terug … als hommage aan Ellen!

Uit liefde voor het leven

2021 REpaired&posted

Besef dat toch, je bent iets ongelooflijks, je bent zó’n geweldige mogelijkheid. En je zit je aldoor maar af te vragen, zal ik nou een boontje meer nemen of een boontje minder nemen… [gelach] Dat is jouw formaat niet.
De sterren en de hemel en het heelal, dat is jouw formaat. En alleen jij hebt het in de hand om in dat formaat je leven te leven.
En dan zul je ongetwijfeld brokken maken. Dat moet wel, je moet brokken maken in het leven, dat kán niet anders, het kan echt niet anders. Die illusie dat je zo regelrecht naar de hemel wandelt, die is er niet. Maar zorg tenminste dat, als je valt, val dan uit de dertiende verdieping en niet over de drempel. [gelach]
Ja echt, dat meen ik, want dan gebeurt er tenminste iets. [gelach]

Het principe van de eenwording
Eefde, december 1987, woensdagmorgen.

Aan deze uitspraak van Maarten Houtman moest ik dezer dagen denken, nadat me – inderdaad – een ongeluk overkomen was. Ik ben nog springlevend, hoor, daar niet van, maar wel is m’n gezichtsvermogen  aangetast.

Dat kwam zo:
Een paar maanden geleden bracht ik in de provincie een bezoekje aan een oude dame, die ik hoogacht. Ik had op haar verzoek een taartpunt meegenomen, Toen ik binnenkwam zat er een medewerkster van het tehuis waar ze woont – die bij m’n verschijning haar stoel afstond en het bloemetje dat ik meegenomen had in een vaas ging zetten. Ik was zeer gebrand op koffie bij het gebak, dat haalde ze ook nog voor ons.

Intussen had ik gemerkt dat de oude dame wartaal uitsloeg, waar ik vreselijk van schrok. De bezoekster was inmiddels verdwenen, en ik vroeg me af in wat voor situatie ik was beland – en stilletjes overgenomen had. De jarige knoeide intussen gebak op de grond, dat ik gauw wegwerkte. Zo had ik haar nog nooit meegemaakt… ik was geschokt en probeerde de situatie te redden.
Na een halfuurtje – waarin we ons zo goed en zo kwaad onderhielden, werd de middagmaaltijd binnengebracht, vis met patat. Wat ik toen zag bracht me nog meer in de war. De dikke kokkin – die even breed was als ze lang was – spoot uit een tube een hele sliert mayonaise over de patat. Wat ik zag voelde als een scène uit een Jeroen Bosch, mijn ogen puilden uit…
Toen het gesprek weer op haar familie van vroeger kwam, wist ik: nu moet ik weg…
Ik reed terug naar Amsterdam, voerde thuisgekomen een Skype-gesprek waarbij ik vreemde trillingen zag en zat daarna nog even achter de computer te werken.
Toen ik met Klaaske ’s avonds een video wilde kijken, merkte ik pas echt dat er iets mis was, ik zag strepen en kon de ondertiteling niet goed lezen.

De volgende dag had ik hoofdpijn en was mijn zicht slecht. Een ernstige vorm van migraine, dachten we, maar Klaaske belde na drie dagen toch de dokter en we konden vrijwel gelijk langskomen – zij moest me toen al begeleiden.
De dokter nam eerst onze gedachte over dat het migraine zou zijn, maar later belde hij dat hij voor ons toch een afspraak met de oogarts had gemaakt in de polikliniek van het Boven-IJ ziekenhuis. Nadat ik die de volgende dag nogmaals het verhaal vertelde wat ik meegemaakt had, bestudeerde hij mijn ogen. Zijn conclusie was dat het iets met het oogvocht was – een ouderdomsverschijnsel. Maar voor de zekerheid moest ik vier weken later terugkomen voor een ‘blikveldonderzoek’.
Ik heb die weken heel veel geslapen en m’n ogen zoveel mogelijk rust gegeven en hoopte dat het zicht zou verbeteren…
Maar nee hoor. Het blikveldonderzoek wees iets heel anders uit: het moest iets in de hersenen zijn, een infarct dus.
De oogarts was heel meelevend. Toch was er bij ons ook een zekere opluchting: eindelijk op het goede spoor…

Ik werd stante pede doorverwezen naar de neuroloog, die eerst een CT-scan liet maken van m’n hersenen. Toen hij later de foto op zijn scherm had staan, wees hij op verkleurde zenuwcellen bij het visueel centrum in de cortex: Er was inderdaad zuurstoftekort geweest, een herseninfarct door een stolseltje in de aderen. Op mijn vraag naar wat het verband kon zijn met wat ik meegemaakt had, was zijn antwoord ‘dat een infarct ook door een shock kon optreden. Maar dan wel precies in mijn visuele centrum, nergens anders… daar geloofde hij niet in.
Dat bleef mij intrigeren… Alsof ik in de zon gekeken had, of in het hellevuur…
Neurologisch was het in elk geval verklaard.
Ik kreeg de bijbehorende serie vervolgonderzoeken: bloedonderzoek, een hartfilmpje – een onregelmatig hart kan ook een stolling veroorzaken…
Een week later belde de neuroloog me op: “Nou, het hartfilmpje was goed, hoor … MAAR, er zijn sporen te zien van een hartinfarct…
Dus dat werd een doorverwijzing naar de cardioloog, plus weer een rondje ziekenhuis-onderzoek.


Intussen vroeg ik me af: een hartinfarct, maar wanneer dan, ik heb nooit iets gemerkt…
Toen kwam de bijna-dood ervaring bij me boven, die ik in de jaren zeventig had gehad, rond de dood van mijn vader die me erg aangegrepen had – misschien ook omdat mijn moeder in hun hutje-op-de-Mokerhei achtergebleven was, verlaten en stuurloos (ze kon inderdaad geen autorijden).

Het was rond 1976, ik was er slecht aan toe – niet alleen lichamelijk (ik had regelmatig spit aanvallen), maar ik was ook depressief: Klaaske en ik hadden beiden onze bijna voltooide studie psychologie afgebroken, omdat we bij onze – gemeenschappelijke – ’theoretische’ scriptie over gezinstherapie (Klaaske met het accent Kinderpsychologie, ik vanuit de Sociale psychologie) verzandden in ideeën en speculaties… waarbij ik bovendien gek werd van alle psychische afwijkingen, die ik in mezelf meende te herkennen… Maar ik kwam aanvankelijk niet op het idee de studie afbreken, ons gezamenlijke project… En ik voelde de druk van m’n ouders, die al zoveel jaren voor m’n studie hadden betaald…

Tijdens die lange, warme zomer werd het in onze niet-geïsoleerde woonboot ondraaglijk heet. Terwijl ik daar met klamme handen achter m’n studieboek zat, totaal vastgelopen, overkwam het me op een nacht dat ik uit het leven leek te vertrekken. Ik had een visioen waarin ik een lichtwezen zag, dat me naar boven wenkte. Die beleving duurde een eeuwigheid Totdat het idee bij me op kwam dat ik Klaaske niet in de steek wilde laten – het visioen was voorbij.

Vergroten door te klikken

Ik had de herinnering eraan diep in mezelf weggeborgen, maar er was wel een vaag besef dat ik ‘besloten had’ terug te komen en mezelf daarbij een opdracht had gegeven…
Intussen vond in mijn leven – ons beider leven – daarna een diepe verandering plaats. Nu ik terugkijk, leken we in alles geholpen te worden, we kregen contacten waarvan we nooit van hadden kunnen dromen,
Toen Klaaske bedacht dat we filosofie zouden kunnen gaan studeren – haar oude liefde, op dit moment is ze weer Jenseits von Gut und Böse van Friedrich Nietsche aan het lezen – was er voor onze bezige geest weer linnen voor de schaar. Bij ‘Oosterse Filosofie’ raakten we bevriend met een studiegenote, die 10 jaar in een ashram in India gezeten had. Via haar maakten we kennis met meditatie. En toen we op een vakantie in Oostenrijk waren, ontmoetten we daar een Theosoof die ons later uitnodigde bij hem in de leer te gaan…
Maar toen hadden we al kennisgemaakt met Maarten Houtman, die ons liefdevol onder zijn vleugels nam – en niet alleen om te leren mediteren, maar om een heel nieuw leven te beginnen… Hij praatte me de computer aan (“Krishnamurti heeft gezegd dat de computer de wereld gaat veranderen”) en zo kreeg ik later een bijpassende baan.

Een van de eerste dingen die Maarten tegen me zei toen we in Meditatiecentrum ‘De Kosmos’ bij hem gingen zitten, was dat ‘zitten’ ook goed voor de stoelgang was. Maar … hoe wist hij dat ik daar last mee had… Ik kreeg het gevoel dat ik een open boek voor hem was, dat hij me zomaar kon ‘lezen’. En dat terwijl ik juist zoveel geheimen had… Het voelde als een thuiskomst, na de lange jaren van ballingschap van mijn lichaam – die uiteindelijk tot mijn bijna-dood geleid had.

Pas onlangs heb ik over die bijna-dood ervaring kunnen praten en ik probeer ik hem nu door te geven in dit bericht.
En dat allemaal dankzij een verkeerde diagnose… Want uiteindelijk heeft de cardioloog – deze keer verscheen mijn kloppende hart op het scherm – geen gebrek aan mijn hart kunnen constateren, wat hem betreft kon ik nog wel een tijdje mee…
Als klap op de vuurpijl kreeg ik gisteren een alarmerend telefoontje van onze huisarts dat de in het ziekenhuis gemeten bloeddruk ‘veel te hoog was’. Daar schrokken we ons weer een hoedje van. Maar uiteindelijk leerde een rondje meten met vijf minuten tussenpauze in een stil kamertje bij hem op de praktijk dat het vals alarm was… Het was voor mij weer een heel nuttige ervaring te ontdekken dat de druk omlaag geschoten was op het moment dat ik – daar op m’n eentje zittend op een stoel – gevoeld had dat mijn innerlijk alarm verdween. Zo heb je er nog eens wat aan dat je hebt leren zitten ‘zonder opzet’…

De grote weg en de kleine weg

2019 REpaired&posted
Afbeeldingen vergroten door te klikken

“Toen ik, rijdend in mijn wijnrode Ford Focus, aan het eind van m'n tocht, ... van mijn Latijn..., nabij San Luis Obispo in een flits de Stille Oceaan zag, hield op datzelfde moment de wereld haar adem in en voelde ik de voorlopigheid, die als een ontroering door me heen trok.”
Exiled to a wine red Ford Focus, Deel III van ‘Journey to California’

Toen hij hoorde dat wij een zilvergrijze Clio hadden gekocht, was Maarten Houtman geïrriteerd… Waarom moest het met alle geweld dezelfde kleur zijn als die van de Renault Kangoo waar Hanna en hij in reden…
Hij wist dat mij een rode auto voor ogen gezweefd had … eigenlijk de kleur van de wijnrode Ford Focus waarin ik het jaar ervoor in Californië rondgereden had…

Ik had in de garage weliswaar gehoord dat metallic lak sterker was dan de gewone, maar ik begreep precies waar de angel zat… Weer had ik hem als ‘model’, als ideaalbeeld, gekozen – terwijl ik wist dat hij zich daar bijzonder ongelukkig onder voelde. En hij had al zo vaak gezegd dat een leraar-leerling verhouding – waar hij toch al zo’n hekel aan had – bij meditatie zo niet werkte … juist niet!

Toen ik twee jaar eerder een tweedehandsje zocht, had Maarten mij zijn garage aangeraden. Toen ik erheen ging, ging hij met me mee. Het voelde heel goed, heel kameraadschappelijk – met wellicht een vleugje vaderlijkheid – om daar met z’n tweeën rond te kijken. Juist die totaal andere wereld, dat ‘gewone leven’, maakte het zo spánnend…

De eerste keren dat hij met me meereed, kreeg ik zo nu en dan een aanwijzing, zoals ‘je moet sneller doorschakelen’, als ik de motor teveel toeren liet maken. En toen ik invoegde op de snelweg, zei hij ‘dat het hem meeviel…’, toen hij zag dat ik medeweggebruikers de ruimte liet. Ook daar begreep ik overduidelijk de zere plek: mijn neiging om mezelf te poneren … wat in het verkeer natuurlijk heel verkeerd kan uitpakken.

Lang voordat we zelf een auto hadden, reden Klaaske en ik jarenlang met Maarten mee naar de maandelijkse bijeenkomsten van de Sterrelaangroep in Hilversum. Dat ging allemaal heel vanzelfsprekend en het was nog gezellig ook. Bovendien bereidden we ons zo allengs voor op de bijeenkomst die we straks zouden hebben – waarvoor de deelnemers van heinden en ver naar Hilversum kwamen.
De route die wij vanaf Amsterdam reden, langs de rand van de Loosdrechtse plassen, zal ik nooit vergeten…

Uiteindelijk kwam die auto er bij ons toch, ook al had ik er aanvankelijk – wellicht wat modieuze – bezwaren tegen. Feit is dat toen we het ons eenmaal konden permitteren, die auto er ook kwam – waarbij we alle ellende van het parkeren daar op die Binnenkant voor lief namen…
Vooral met de auto op vakantie naar Frankrijk was een thrill.
Maarten en Hanna raadden ons daar ook het adresje waar zij al langer verbleven – in de serre bij ‘Piet en Jetty’. Jetty was een oud-leerlinge van Maarten, ze hadden zich gevestigd in Olonzac in de Herault, niet ver van Narbonne. In die omgeving kon je ook rustig koersen op de bijna verlaten wegen, zodat Klaaske haar auto-angst bijna vergat…
Op een keer kwamen we Maarten en Hanna daar tegen – we hadden dat jaar een ander huisje gehuurd in de buurt – en hebben toen gezellig gegeten op de binnenplaats van restaurant ‘Le Couvent’.

Maar eigenlijk begon het allemaal met die keer dat Hanna me aanbood samen met haar in hun auto te rijden ‘als proefles’. Ik was het chaufferen bijna verleerd…

Als  Shake v/d Wake  Yo-Yo Ma met The Silk Road Ensemble met Silkroad on the Road, dat een muzikale impressie geeft van het ensemble ‘on the road’.
Het wordt gevolgd door een life optreden van de meester tijdens de Proms in 2015, met de Cello Suite Nr. 2 van Bach.
Ik heb ademloos naar die linkerhand gekeken, die in een duivelsdans over de snaren beweegt – slechts één moment leek hij hem heel even te ontspannen...
... en vervolgens begreep ik dat Yo-Yo Ma tijdens dat concert in The Royal Albert Hall, alle zes suites voor de cello gespeeld had, een optreden van bijna drie uur...

Bij ons op dat doodsaaie Plein…

Boven: Hoe saai kan een plein zijn… 

…nee, dan bij de vlaaienboer…

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

Al meer dan twintig jaar spreken Klaaske, Rien en Hein op de zaterdagen af bij onze ‘vlaaienboer’, de Multivlaai op het Buikslotermeerplein – al dan niet in het gezelschap van Aloys, met wie we samen het bestuur van stichting ‘Zen als leefwijze’ vormen –  allemaal om te zorgen dat er geen formele plooien in de gezichten komen….
Het begon ermee dat Rien elke zaterdag zijn bestelde groenten ophaalde bij de kraam op de markt …
… om vervolgens aan te leggen bij de groene ‘Gezond en Wel’ winkel van Does – die nu de eindschakel vormt in de rode muur, die Dirk van de Broek onlangs op het Plein heeft laten verrijzen. Zodra ze bij Does dan zijn neus om de hoek zien verschijnen, worden zij ook prompt mobiel en snellen hem tegemoet met de dáár door hem bestelde boodschappen – waaronder altijd één fles wortelsap – om die dan vervolgens met een mobiel pinapparaat met hem af te rekenen. Zo hoeft Rien daar de drempel niet te overschrijden – die dan ook behoorlijk rolstoelonvriendelijk is… Vervolgens kijkt hij op z’n horloge, ziet dat Klaaske en Hein bijna op de bestemde plek: de vlaaienboer zullen zijn – en racet dan als een bezetene over het Plein, zo gaat het al jaren.
En daarna – zoals we hieronder in 2018 – rusten we samen vreedzaam uit op het terras:

…met Rien…

…of alleen…

…of met meer…

…maar altijd is er koffie…

…met…

…Limburgse vlaai!

Hein mag er ook bij! (foto Jeanne).
Woensdag 27 mei 2026 om 10:43

Vrij en blij ‘Boven ’t IJ’

Woensdag 10 juni 2026 – de narcissen zijn uitgebloeid…

In dat saaie rijtje bovenaan is Aion Studio[1] gekomen…

”Wij bieden chiropractische zorg om het volledige potentieel van uw lichaam te benutten en balans te creëren in uw fysieke, emotionele en energetische welzijn. Onze aanpak richt zich op het aanspreken van uw aangeboren helende vermogens, waardoor u een harmonieuze uitlijning bereikt en uw gezondheid verbetert. Door te luisteren naar uw lichaam en uw zenuwstelsel in balans te brengen, ondersteunt ons team u bij een reis van zelfontdekking en persoonlijke groei. Dit bevordert een optimale gezondheid, vitaliteit en een positieve invloed op uw waarneming, beslissingen en reacties in het dagelijks leven.” 
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

____________________
[1] Zie ‘Helende handen‘.

Een liefdeloze rehabilitatie van de echte liefde

Dit artikel is geschreven door SEBASTIEN VALKENBERG
Gepubliceerd op 22 januari 2014, in Trouw.

Byung-Chul Han: De terugkeer van Eros.
Van Gennep, Amsterdam. 70 blz euro14,95.

Over de schrijver
Byung-Chul Han is hoogleraar filosofie aan de Universität der Kunste in Berlijn. Bij ons is hij vrijwel onbekend, maar in Duitsland geldt hij als een ster. De Süddeutsche Zeitung noemde hem zelfs al de opvolger van Peter Sloterdijk. In elk geval is hij net zo’n omnivoor. Er is nauwelijks een onderwerp waarover Han niet schrijft. Depressie, films, porno. Je komt dit – en heel veel meer – tegen in zijn boeken. Zo ook in zijn nieuwste essaybundel – of is het een pamflet? – ‘De terugkeer van Eros’ (2013).

Zijn ambitie
Eros rehabiliteren. De bundel bestaat uit zeven korte essays. Ze behandelen verschillende thema’s, maar de god uit de Griekse mythologie keert steeds terug. Hem associeert Han met de echte liefde, die steeds schaarser zou zijn geworden. De klacht luidt onder meer dat anderen fungeren als ‘seksobjecten’. De grote boosdoeners zijn de consumptiemaatschappij, het kapitalisme en de pornoficatie van de samenleving. ‘Porno is niet zozeer virtuele seks – zelfs de reële seksualiteit verwordt tot porno.’ Al na een paar bladzijden weet je dat de ondergang van het Avondland weer eens op handen is. Reden voor Han om te pleiten voor een tegenoffensief.

Het resultaat
Een verzameling stukken die lijdt aan ‘apodictitis’, een term die bij mijn weten is gemunt door journalist/redacteur Thomas Vanheste. Han poneert de ene stelling na de andere, maar laat de onderbouwing (veelal) achterwege. Hij gaat er wel erg gemakkelijk vanuit dat onze samenleving ‘steeds narcistischer’ wordt. Waar baseert hij zich op? Dezelfde vraag kan worden gesteld naar aanleiding van zijn aanname dat we midden in een ‘crisis van de liefde’ zitten. Hoezo? Alsof vroegere samenlevingen zoveel ruimte lieten voor de echte liefde. Meer dan tegenwoordig werden huwelijken gesloten uit berekening; of er amoureuze gevoelens in het spel waren, deed minder ter zake.

Opvallendste stelling
In deze tijd kan alleen een Apocalyps ons bevrijden. Zulke ferme woorden maken nieuwsgierig naar de precieze bedoeling van Han. Helaas steekt de apodictitis ook hier de kop op. De boude stelling komt uit een essay over ‘Melancholia’ (2011) van regisseur Lars van Trier. In deze film komt een planeet steeds dichterbij de aarde om hier aan het slot bovenop te knallen. Wil Han op vergelijkbare manier korte metten maken met de samenleving die hij ziet ontsporen? Geen idee, nadere toelichting ontbreekt. Wat rest is vrijblijvend geflirt met de Apocalyps.

Dikste zin
Veel zinnen in ‘De terugkeer van Eros’ zijn als een visgraat die in je keel blijft hangen. Ik sla het boekje op een willekeurige plaats open en kom op pagina 23 tegen: ‘De tijd zonder ogenblik is alleen additief en niet meer situatief.’ Of op bladzijde 55: ‘De seksualiteit past in de gebruikelijke orde van het habituele die het gelijke reproduceert.’ Maar de leermeesters van Han – G.W.F. Hegel, Martin Heidegger en verschillende postmoderne filosofen – blonken ook al niet uit in helderheid.

Reden om dit boek niet te lezen
Inhoud en vorm hadden amper meer van elkaar kunnen verschillen. Han breekt een lans voor de echte liefde, maar een echte ambassadeur van Eros mag hij niet heten. Daarvoor is zijn proza te liefdeloos. Het is moeilijk voorstelbaar hoe de dikke zinnen hierboven bijdragen aan de rehabilitatie die Han voor ogen staat. Daarnaast ontbreekt het aan originele invalshoeken. De rotheid van de consumptiesamenleving, de terreur van de markt, de pornoficatie van de samenleving. Het is een kliekje dat Han voor de zoveelste keer heeft opgewarmd.

Reden om dit boek wel te lezen
Als iemand de status heeft van filosofische ster, maakt dat nieuwsgierig naar zijn werk. Daarbij heeft Peter Sloterdijk een grote schare fans in Nederland. Misschien weet men het werk van diens opvolger (Han) ook te waarderen. In elk geval behandelen beide denkers vergelijkbare onderwerpen.

De filosoof Byung-Chul Han is lui en ‘leeft achteruit’ om te ontsnappen aan collectief narcisme

Vergroten door te klikken

Ons leven in het laatkapitalisme is dood en collectief narcistisch, stelt de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han. Bepaald geen vrolijke boodschap. Maar er ís een betere wereld mogelijk: wees lui, vier de Ander, leef achteruit.
Marian Donner
2 april 2025 – verschenen in De Groene nr. 14

Daar staat hij dan: de laatmoderne mens. Vervreemd, ontheemd en uitgeput. Het kampvuur is gedoofd, de perenboom omgehakt, er is geen plek meer om samen te komen, om verbinding te vinden. De laatmoderne mens vindt nergens nog een thuis. Gevangen in het blauwe licht van zijn beeldscherm is hij vervallen tot een knooppunt in een netwerk van commerciële relaties. Was de wereld ooit een theater, een stage,tegenwoordig is het een markt waar ‘elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. De laatmoderne mens speelt niet meer, hij kan niet meer luisteren, niet meer liefhebben, zijn ego draait rondjes om zichzelf. Dus daar staat hij dan: ‘onder een blote hemel in een landschap waarin niets onveranderd was gebleven behalve de wolken, en in het middelpunt, in een krachtveld van verwoestende stromen en explosies, het nietige, broze mensenlichaam’. 

Die laatste zin is van Walter Benjamin, maar dit is hoe de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han vaak naar andere denkers verwijst: hij verweeft hun woorden met zijn eigen woorden, de bronvermelding staat ergens in een voetnoot achterin, en zo vloeit de tekst voort, in een stream of consciousness vol citaten, aforismen, metaforen, herhalingen en oneliners – ‘Wij leven in een hel van het gelijke.’ De woorden werken als een soort bezwering, de lezer raakt in een roes, voelt zich bij vlagen zelfs opgetild. Zelden werd zijn wanhoop, dat enorme verlangen naar iets beters en mooiers, indringender beschreven dan hier.

Han bedrijft filosofie als kunst, zo meent hij zelf. In een interview uit 2021 met ArtReview legt hij uit dat zijn boeken daarom ook steeds dunner worden. Elke zin is als het ware een microkosmos van het boek, en elk boek een microkosmos van het oeuvre. Uiteindelijk zullen zijn boeken waarschijnlijk helemaal verdwijnen, dan zijn ze opgelost in de lucht en ‘kan iedereen ze inademen’. Waarom zou je immers een boek van duizend pagina’s schrijven als je de wereld ook kunt verlichten met een paar zinnen? Duizend pagina’s wegen niet op tegen een enkele haiku, aldus Han in het interview: ‘De eerste sneeuw – zelfs de narcisbladeren buigen.’

Wie is deze man die misschien wel de populairste, nog levende filosoof ter wereld genoemd kan worden? Hij is in elk geval de best verkopende. Han werd in 1959 geboren in Seoul, Zuid-Korea, de exacte datum houdt hij geheim. Na een studie metallurgie vertrok hij op zijn 22ste naar Duitsland om daar filosofie te studeren, hetgeen hij niet aan zijn ouders vertelde omdat ze hem anders nooit hadden laten gaan. Je zou kunnen zeggen dat zijn afkeer van transparantie en openheid toen al tot uitdrukking kwam. Dat Duitsland zijn ‘spirituele huis’ was, zoals Han het zelf noemt, wist hij toen hij op zijn zestiende voor het eerst Bach hoorde. Zijn Duitse medestudenten herinneren zich hem als een enthousiaste, praatgrage jongen die onophoudelijk vragen stelde. En dat was het biografisch gezien wel zo’n beetje. Veel meer is er niet bekend.

Han geeft zelden interviews, houdt geen lezingen of webinars en reist nauwelijks. Het liefst werkt hij in zijn tuin of speelt hij piano. Als hij een dag niet pianospeelt, wordt hij ziek. Hij heeft een smartphone, maar als iemand belt neemt hij niet op. Hij gebruikt het ding vooral voor een app waarmee hij planten classificeert. Volgens eigen zeggen is hij extreem lui en schrijft hij slechts drie zinnen per dag. Dat doet hij ’s nachts. Dan vangt hij de ideeën op die in de lucht hangen en kopieert hij de woorden. Die woorden zijn volgens Han slimmer dan hij: ‘Ik ben een idioot.’ Hij is katholiek. Sinds een aantal jaar huist de Franse filosofe Simone Weil in hem: Han gelooft dat hij haar reïncarnatie is.

Dit is ongeveer het enige dat Han over zichzelf vertelt in de paar interviews die hij gaf en ook in zijn boeken zal de lezer verder niets vinden. Het is misschien wel het opvallendste aan zijn werk: de complete afwezigheid van een ‘ik’. Nooit haalt Han een herinnering op, nooit vertelt hij een anekdote. Waar de hedendaagse cultuur gedomineerd wordt door persoonlijke verhalen, liefst echt gebeurd, liefst zo dicht mogelijk op de eigen huid, vlakt Han zichzelf juist weg. Maar dit is dan ook een van de symptomen van het laatkapitalisme dat hij in al zijn boeken zo vurig bestrijdt.

Het huidige tijdsgewricht wordt gekenmerkt door ‘een excessieve relatie tot het zelf’, schrijft Han. Al dat ge-ik, al dat denken over het zelf, over hoe het te positioneren, etaleren, verbeteren, verkopen, om het zo de wereld in te manifesteren: de laatmoderne mens heeft zich naar binnen gekeerd. Er is sprake van een collectief narcisme. De Ander verdwijnt steeds meer naar de achtergrond.

In het interview met ArtReview zegt Han dat hij deze verdwijning van de Ander als de kern van zijn werk beschouwt. Daarmee bedoelt hij niet de ander in wie je je kunt herkennen, iemand die bijvoorbeeld schrijft vanuit de eigen ervaring, over de eigen gevoelens, om lezers zo de geruststellende gedachte mee te geven dat we diep vanbinnen allemaal hetzelfde zijn (waarmee de wereld nog meer vervalt tot ‘een hel van het gelijke’), maar de Ander met een hoofdletter: een massieve entiteit die tegenover je staat en juist in zijn vreemdheid ontzag afdwingt. Want alleen in diens aanwezigheid wordt de eendimensionaliteit doorbroken, om even met Marcuse te spreken, en openen zich nieuwe werelden.

Zo vrolijk en licht als Byung-Chul Hans leven uit de spaarzame informatie naar voren komt, zo deprimerend en zwaar is zijn werk. Laat varen al die hoop. Of zoals de Zuid-Koreaanse rapper RM van de immens populaire boyband BTS ooit zei toen hij in een interview De terugkeer van Eros aanraadde: ‘Je zou weleens diep gefrustreerd kunnen raken, omdat het boek suggereert dat de liefde die we momenteel ervaren, helemaal geen liefde is.’

Ondanks zijn zelfverklaarde luiheid en die drie zinnen per dag schreef Han inmiddels 31 boeken. Soms publiceert hij er meerdere per jaar. Het is haast onmogelijk om die enorme productiviteit bij te houden, maar dat hoeft gelukkig ook niet, want een paar uitzonderingen daargelaten lijken alle boeken op elkaar. Steeds weer haalt Han dezelfde denkers aan: Benjamin, Foucault, Heidegger. Steeds weer gebruikt hij dezelfde zinnen en dezelfde perenboom waaronder ooit een gezamenlijk verhaal werd gezongen. Wat verschilt is alleen de invalshoek: of Han het leven onder laatkapitalisme fileert vanuit bijvoorbeeld de liefde, digitalisering, het verdwijnen van verhalen, van rituelen of de drang tot transparantie. Zijn oeuvre is als een bouwwerk, een huis van woorden, waarbij elk boek als het ware een andere kamer vult. Het geeft de lezer houvast, een vaste positie, of om in de terminologie van Han te blijven: een thuis in ruimte en tijd, van waaruit de wereld plotseling overzichtelijk lijkt, ja, begrijpelijk zelfs.

De buitensporige agressie vermengd met zelfmedelijden van types als Elon Musk of Donald Trump – de lezer van Han begrijpt onmiddellijk dat wat we hier aanschouwen ‘een fatale accumulatie van ego-libido is’. Deze mannen zijn bezweken onder hun eigen narcisme. Of neem het interview met Frans Timmermans dat een tijdje geleden in de Volkskrant stond, toen de nietsvermoedende lezer halverwege verrast werd met een extreem intieme ontboezeming over seksueel misbruik. Daarna kabbelde het interview rustig weer door. Het misbruik werd geen nieuws, het haalde niet de kop.

Zo normaal is het delen van trauma’s kennelijk al geworden: dit is inderdaad de wereld als markt ‘waar elke intimiteit uitgestald, verkocht en geconsumeerd moet worden’. Al die hyperpersoonlijke verhalen over pijn en verdriet die de huidige cultuur domineren, de boeken, documentaires en Instagram-posts over rouw en verlies: soms lijkt het of er steeds extremere verhalen nodig zijn om de hedendaagse mens nog iets te laten voelen. Alsof hij door de continue claim op zijn empathie en inlevingsvermogen emotioneel langzaam aan het afsterven is.

Het is niet alleen dat het leven onder laatkapitalisme zijn plezier en uitbundigheid verloren heeft, schrijft Han. Het is veel erger: wij leven in een necropolis. Er heeft zich een rigor mortis over het bestaan uitgespreid, een zwaarte en stijfheid. Omdat we tegenwoordig niets zo vrezen als de dood, aldus Han in een omkering waar hij zo dol op is – de overdaad aan gevoelens leidt tot een gevoelsarmoede; wie onder de huidige transparantiedwang alles kan zien, ziet niets meer. En een leven waaruit de dood verbannen is, is een ondood leven.

Tegenwoordig is de dood geen Ander meer, geen monolitische, angstaanjagende aanwezigheid in het licht waarvan het leven harder straalt. In plaats daarvan wordt ze weg geproduceerd. Verstopt achter gesloten deuren en in verzorgingstehuizen, of een handje geholpen met middel X of een capsule in de Zwitserse bossen, de Sarco genaamd, waar je jezelf voor negentien euro kunt vergassen. De dood wordt op afstand gehouden door zo ‘schoon’ en gezond mogelijk te leven.

En de vraag is niet meer wat een goed leven is, maar hoe we het zo lang mogelijk, in optimale toestand, kunnen rekken. Het toont de leegte waarin we ons bevinden, schrijft Han: ‘De hysterie rond gezondheid en optimalisering is alleen mogelijk in een naakte, van zin verstoken wereld.’ Want een leven onderworpen aan de dictaten van gezondheid, prestatie en optimalisatie is een overleven. Hoeveel luxe dat leven ook bevat – crèmes van duizend euro, wellnesscenters met zuurstofcabines – het mist glans, soevereiniteit en intensiteit. Het creëert een ondood leven, een dood-in-leven: ‘Prestatie zombies, fitness zombies, Botox zombies’. De huidige gezondheidsmanie, aldus Han, ‘is de biopolitieke manifestatie van het kapitaal zelf’.

We denken misschien dat we vrij zijn om onze eigen keuzes te maken, houden onszelf voor dat dit is wat we zelf willen, al die avocado’s, supplementen en ijsbaden, maar onder de schijn van vitaliteit voeden we een systeem van eindeloze productie, prestatie, groei en een ‘willekeurige, kankerachtige woekering’.

Het is het grote verschil met de heersende regimes van weleer, schrijft Han. Onder laatkapitalisme komt de onderdrukking niet meer van buitenaf, van regulering en allerhande ge- en verboden, maar van binnenuit: ‘Wij exploiteren onszelf vrijwillig en hartstochtelijk, in de overtuiging dat we onszelf op die manier verwerkelijken.’ Er is geen concrete tegenstander meer, niemand die direct onze vrijheid inperkt, geen onderdrukker om je tegen te verzetten. Wij kiezen zelf voor dit ondode leven. Opgezweept door de continue oproep om meer en beter te presteren, is de uitgebuite werknemer getransformeerd in de vrije ondernemer die zichzelf exploiteert.

Han citeert Kafka: ‘Het dier ontneemt zijn meester de zweep en geselt zichzelf om zo meester te worden.’ Tegenwoordig zijn wij meester en slaaf ineen. De klassenstrijd heeft plaatsgemaakt voor een interne strijd tegen onszelf. Geweld keert zich niet meer naar buiten, tegen onderdrukkende structuren, maar naar binnen. Vandaar dat de cijfers van depressie, burn-out, automutulatie en zelfdoding almaar groeien. En dat zal voorlopig ook niet veranderen, aldus Han, aangezien het huidige systeem steunt op de eenzame, geïsoleerde ondernemer van het zelf: ‘Je kunt geen revolutionaire massa vormen uit depressieve, ontwortelde individuen.’

Vergroten door te klikken


Han staat in de traditie van de Frankfurter Schule. Net als de filosofen uit deze school – onder meer Benjamin, Adorno en Marcuse – richt hij zich voornamelijk op (pop)cultuur om de heersende ideologie te analyseren die ons heeft gevormd, ons denken en voelen stuurt, en die we zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden als de vis die het water niet meer ziet waarin hij zwemt. Tegelijkertijd echter is Han bij uitstek een denker van en voor deze tijd. Hij mag dan niet vanuit een ik schrijven, op veel andere vlakken valt hij wel degelijk vaak samen met hetgeen hij bekritiseert.

Zo hekelt hij bijvoorbeeld het verdwijnen van verhalen in deze tijd, er is alleen nog een eindeloze stroom informatie die ons overspoelt, maar zelf draagt hij in hoge mate bij aan die stroom: als zijn boeken iets ontberen is het wel een verhaal. Han schrijft voornamelijk in catchy oneliners die het zo goed doen in allerhande columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Citaten uit zijn werk zijn makkelijk te delen, de algoritmen hebben een voorkeur voor hem, online genereert hij talloze hartjes en likes: juist het door hem zo verfoeide internet heeft hem groot gemaakt.

Cynisch gezien zou je zelfs kunnen stellen dat zijn hoge productie, gecombineerd met alle herhaling, van elk laatste boek het intellectuele equivalent maakt van de iPhone-zoveel die de vorige editie vervangt.

En echt nieuw is het allemaal ook niet. Zie de Frankfurter Schule – maar ook de talloze boeken, artikelen en persoonlijke essays die inmiddels verschijnen over de prestatiesamenleving, zelfoptimalisatie die tot zelfexploitatie leidt, de heersende gezondheidscultus, de havermelkelite, depressies die voortkomen uit een gebrek aan connecties, het asociale van sociale media, of hoe het voelt om een laatmoderne mens te zijn: vervreemd, ontheemd en uitgeput. Meestal is kapitalismekritiek daarbij niet ver weg. De meeste mensen weten het immers allemaal al. Veel van de analyses van Han zijn allang doorgedrongen tot het grote publiek, mede dankzij al die columns, TED Talks en TikTok-filmpjes. Tegenwoordig is iedereen een cultuurcriticus. Alleen is Han echt heel veel beter dan de rest.

Het verschil zit hem niet alleen in de diepte van zijn analyses of de tomeloze energie, lees: levenslust, van zijn stijl. Het is dat de gemiddelde cultuurkritiek doorgaans zo gretig terugvalt op ouderwetse ge- en verboden. Zet je telefoon of router eens uit. Lees een boek. Maak een praatje met een vreemde. Luister naar een ander. Luister naar de zee (dit is overigens de ultieme gladstrijking van de Ander, maar dat terzijde). Kijk om je heen, verwonder je.

Het is de doelgerichtheid, dat denken in individuele oplossingen, dat zo naadloos aansluit bij de laatkapitalistische ideologie. Het is het optimisme ervan. Als er geen rituelen meer zijn, maken we toch gewoon onze eigen rituelen? Dan branden we een kaarsje in een tent die als gesubsidieerd kunstproject tijdelijk ergens is neergezet, of planten we een boom voor onze dode vader. Uiteindelijk draait alles om aandacht, toch?, en aandacht is liefde, en op die manier is op zondag de krant lezen of met een bord eten op schoot Studio Sport kijken heus ook wel een soort ritueel. En als we grote verhalen missen, in de politiek bijvoorbeeld, dan neemt elke willekeurige partij gewoon een heidag, stelt wat focusgroepen in, huurt nog een bevriende copywriter in, en komt er wel wat: Yes we can!

Als vissen die het water niet meer zien, bieden veel hedendaagse cultuurcritici geen oplossingen, maar verergeren ze juist het probleem. Want zo simpel is het allemaal niet, laat Han zien. Een ritueel onderga je niet in je eentje, of met een groepje gelijkgestemden, maar overstijgt juist de individuele ervaring en het eigen ego: het verbindt je aan grond (de voorouders), hemel (de goden) en elkaar (de gemeenschap). Een verhaal kan niet zomaar worden bedacht.

Of zoals Han zegt: ‘Een verhaal dat de wereld verandert, dat de wereld opent, wordt niet willekeurig door een individuele persoon in de wereld gebracht.’ Laat staan door een denktank. Een verhaal is de uitdrukking van de stemming van een tijd, er zijn talloze verschillende krachten en spelers nodig om het te vertellen, en al helemaal om het te veranderen. Het enige wat je als individu daarom kunt doen is een vonkje inbrengen dat samen met talloze andere vonkjes op een dag hopelijk een vuur ontbrandt.

Dus wat als je zo’n vonkje wil zijn?

Een ding is in elk geval zeker: tegenover de kapitalistische doodsdrift kán alleen maar de levensdrift staan. En die levensdrift, schrijft Han in Vita contemplativa, borrelt op in de inactiviteit. Niets doen vormt het tegenwicht. Niet per se op persoonlijk niveau, Han geeft de lezer geen opdrachten of lifehacks, maar beschrijft in plaats daarvan de achilleshiel van het laatkapitalistische systeem.

Al is dit wel waarom hij zelf leeft zoals hij doet. Zijn luiheid, het tuinieren en pianospelen, de idioot uithangen: Han kan het doen omdat hij er dankzij zijn succes het geld voor heeft, maar in een interview met El País stelt hij ook dat hij deze benadering van het leven als een politieke daad beschouwt. De wereld heeft een verkeerde afslag genomen, zegt hij in het interview, en daarom beweegt hij zich nu in de tegenovergestelde richting. ‘Achteruit leven’, noemt hij het.

Het is de alomtegenwoordige nadruk op productie, prestatie en groei, die kankerachtige woekering, die ons continu aanzet tot handelen, en ons daarmee heeft gereduceerd tot ‘gebruiks- en werkvee’. We razen zo hard door dat er een ademloosheid is ontstaan: ‘De mens stikt zowat in wat hij zelf aan het doen is.’ Wat volgens Han daarom nodig is, is stilstand. Een overgang van handelen naar zijn. Want pas in de inactiviteit worden we de grond waarop we staan gewaar en de ruimte waarin we ons bevinden. Pas dan schakelt het leven ‘over op zijn contemplatieve modus en pendelt terug naar zijn geheime zijnsgrond’.

Ter ondersteuning voert Han in Vita contemplativa een hele reeks filosofen aan. Guy Debord, Adorno, Nietzsche, de late Heidegger, Thomas van Aquino, allemaal zeiden ze hetzelfde: een bestaan dat overdacht kan worden, aanschouwt en beschouwt, het vita contemplativa dus, is het ‘doel van heel het menselijk leven’.

De sabbat is ook nooit een rustdag na de scheppingsdaad geweest waarop God zogezegd op adem komt, stelt Han. Nee, die rust vormt de essentie, is de kern van de schepping. Daarom is de rust, de inactiviteit, ook goddelijk: ‘Als we rust ondergeschikt maken aan werk, negeren we het goddelijke’. Hij haalt weer een haiku aan: ‘Rustig zitten, niets doen/ de lente komt/ en het gras groeit vanzelf.’

Pas als de doelmatige nadruk op functionaliteit en nuttigheid verdwijnt wordt overleven leven. Pas dan ‘vibreert het leven zichzelf’. Komt het ego los van zichzelf, wordt het weer ontvankelijk voor zijn omgeving, kan het de Ander horen en zien. Want in de inactiviteit bestaat geen vastbesloten zelf. De mens legt zijn naam af, hij wordt niemand en geeft zich over aan dat wat gebeurt. Of zoals Han Roland Barthes citeert: ‘Dat zou de echte luiheid zijn: zo ver komen dat je, op bepaalde ogenblikken, geen “ik” meer hoeft te zeggen.’ Alleen dan behoort het leven zichzelf toe en wordt het weer speels en feestelijk.

De inactiviteit heeft haar eigen logica, haar eigen taal, haar eigen tijd, haar eigen architectuur, haar eigen pracht, ja haar eigen magie. ‘Zij is geen zwakte, geen gebrek, maar een intensiteit, die in onze op activiteit en prestaties gerichte maatschappij niet meer wordt waargenomen en geen erkenning vindt.’ Maar dit is waar het ware geluk in schuilt: in het doel- en nutteloze, ‘het bewust omslachtige, het onproductieve, het nemen van omwegen, het buitensporige, het overbodige, de fraaie vormen en gestes die geen nut hebben en nergens toe dienen’. Vrijheid van doel en nut is de essentie van inactiviteit en de basisformule voor geluk. Het is de zin van het leven. Inactiviteit geeft het bestaan feestelijkheid en glans.

Tegen die eeuwige dwang om te presteren, te produceren en te consumeren, moet volgens Han dan ook een politiek van inactiviteit worden gezet. Een politiek die werkelijk vrije tijd kan genereren. En daarin staat, als het aan Han ligt, het feest centraal.

Het is een onderwerp dat in bijna al zijn boeken terugkomt, soms als terzijde, soms uitgebreid, maar het feest, zou je kunnen zeggen, is het hartstochtelijk kloppende hart van al zijn werk. En dat behandelt hij nergens zo uitgebreid als in het onlangs in vertaling verschenen Over het verdwijnen van rituelen.

Of misschien moeten we Feest schrijven, want net als met de Ander bedoelt Han zeker niet de kleine, middelmatige variant ervan. Niet het feest dat is uitgehold door commercie, met vip-ruimtes en flessen Moët en iedereen die in het wit gaat dus, maar het Feest als ‘een jubelende bevestiging van het menselijk bestaan’, zoals de Duitse (katholieke) filosoof Josef Pieper het beschreef.

Het feest brengt de tijd tot stilstand: ‘tijd als opeenvolging van vergankelijke, vluchtige momenten wordt opgeheven’. De profane alledaagsheid maakt plaats voor exces en extravagantie, men laat de controle varen en danst met wildvreemden tot het ochtendgloren. ‘Een overvloeien van het leven’, noemt Han het. Er is geen extern doel waar de feestganger zich aan onderwerpt, het collectieve narcisme verdwijnt. Het feest verzamelt en verenigt, het bindt ons aan grond, aan de voorouders die ook al zo feestten, aan hemel en elkaar: ‘Het feest sticht een gemeenschap onder mensen en met de goden. Het laat mensen deelhebben aan het goddelijke.’

Han verafschuwt de leegte en onttovering van deze tijd, hij lijkt terug te willen keren naar het kampvuur, de perenboom, de overdadige oogstfeesten. ‘Zou u zichzelf classificeren als een romanticus?’ vraagt de interviewer van ArtReview op een gegeven moment aan Han, zo groot vindt hij het verlangen naar magie en mysterie dat in al zijn werk doorklinkt. Maar voor Han, zo legt hij uit, is alles wat bestaat magisch en mysterieus: ‘De aarde is magisch en iedereen die iets anders beweert is blind.’

Het is daarom niet genoeg om voorzichtiger met de aarde als hulpbron om te gaan: ‘We hebben een compleet andere relatie met de aarde nodig. We moeten haar haar magie, haar waardigheid teruggeven. We moeten het vermogen tot inactiviteit herontdekken, het vermogen om niet te handelen.’ Wat Han zoekt is een hernieuwd evenwicht waarbij de mens niet meer zijn omgeving en zichzelf domineert, maar opnieuw een ‘thuis’ vindt.

Dat thuis zijn we verloren, laat Han in elk boek zien. De laatmoderne mens heeft geen vaste grond meer onder zijn voeten, tijd glijdt als los zand langs zijn vingers, het leven is vluchtig geworden, voelt willekeurig en toevallig, Han spreekt van een ‘contigentiestorm’. En zonder bindende en verbindende verhalen die antwoord geven op het waarom en waartoe van ons bestaan neemt die contingentie almaar toe.

Maar de wereld wordt niet zomaar weer heel. De golven informatie zullen ons via onze apparaten blijven overspoelen, globalisering is niet meer terug te draaien naar het lokale of de meent, God blijft dood: contingentie is here to stay. We zullen ons daarom, meent ondergetekende, op een nieuwe manier moeten zien te verhouden tot ruimte en tijd. Niet terugverlangen naar hoe het ooit was, met dat kampvuur en de perenboom, maar nieuwe relaties aangaan. Want Han mag contingentie, het idee dat alles ook heel anders had kunnen zijn, dan als een existentiële bedreiging zien, zelf wordt ondergetekende daar eigenlijk heel gelukkig van.

Zo’n leuk weetje over een liaan in Zuid-Amerika die het uiterlijk van naburige planten kopieert (en geen mens die begrijpt hoe hij dat doet): het is pure informatie, maar vormt wel degelijk de aanzet tot een verhaal. Bomen die via ondergrondse schimmelsporen aan elkaar verbonden zijn, het universum draait waarschijnlijk rondjes, onder de piramiden van Gizeh zijn onlangs meterslange constructies gevonden, op TikTok staat een filmpje van iemand die muziek maakt voor giraffes, kraaien en olifanten, ze komen allemaal naar hem toe, aaien hem, bewegen heen en weer, het is duidelijk: deze dieren dansen.

Contingentie gooit de boel open, en vormt bovendien een noodzakelijke inspiratiebron voor verzet. Als kapitalisme immers ergens op teert is het wel het idee dat het niet anders kan, dat dit nu eenmaal het beste systeem van alle slechte is, capitalist realism, Tina (there is no alternative). Maar het hoeft niet zo te zijn. We hoeven niet zo te leven. Het is hetzelfde gevoel dat ook de boeken van Han, met al hun informatieoverload, je als lezer geven. Er is een betere wereld mogelijk. En die zou wel degelijk zo kunnen zijn als Han hem in de laatste alinea van Vita contemplativa schetst: ‘In het komende rijk van de vrede zijn mens en natuur met elkaar verzoend. De mens is niet meer dan een medeburger in een republiek van levenden, waartoe ook planten, dieren, stenen, wolken en sterren behoren.’ Dan behoudt elk wezen op deze aarde zijn waarde. Dan vieren we feest, zingen en dansen we, en zijn we werkelijk vrij.

Meer A.I. op ShakingLife

Hoe groter de technologische vooruitgang, hoe meer we lijden

| recensie

Door Hans Achterhuis op 2 april 2026 | Filosofie Magazine

Volgens de Frans-Tunesische denker Mehdi Belhaj Kacem hebben we God zelf gemaakt en leidt techniek tot eindeloos veel kwaad.

Mag je een boek bespreken waarvan je twee hoofdstukken nauwelijks gelezen hebt? Kun je iets positiefs zeggen over een tekst waarmee je het radicaal oneens bent? Durf je een recensie aan van een boek waarvan je de naam van de auteur niet kende voordat je het in handen kreeg?

Mijn antwoord is driewerf ‘ja’. Om met het laatste ‘ja’ te beginnen, het verbaasde me dat ik van Mehdi Belhaj Kacem nog nooit had gehoord, terwijl ik de Franse filosofie toch redelijk denk te volgen. Dat deze Frans-Tunesische denker in Parijs als cultfilosoof gevierd wordt, was mij echter totaal ontgaan. Korte afstemming met Nederlandse collega’s maakte mij duidelijk dat hij in ons land inderdaad onbekend is. Omdat ik getroffen werd door de grootsheid van zijn filosofisch systeem en omdat ik de denkers waarop Kacem zich beroept – in de eerste plaats Heidegger – redelijk meen te kennen, durfde ik een recensie aan.

Tegelijkertijd moet ik erkennen dat ik, ondanks mijn intensieve lectuur, twee hoofdstukken nauwelijks kon volgen. Ze zijn gebaseerd op een filmverhaal en een literaire tekst die ik niet kende en die niet helder worden weergegeven. Toch blijven deze hoofdstukken intrigeren. De film is Total recall van Paul Verhoeven en in mijn jonge jaren als docent zou ik graag de film met studenten hebben bekeken en het commentaar van Kacem hebben bediscussieerd.

Mijn derde en nog resterende twijfel bij deze recensie was hoe je omgaat met een tekst waarmee je het radicaal oneens bent. Het grootse filosofische systeem dat Kacem optuigt loopt uit op het type speculaties over de toekomst dat we ook van de techbro’s uit Silicon Valley kennen, waarin verondersteld wordt dat techniek grenzeloze mogelijkheden geeft. Het techno-optimisme van Silicon Valley krijgt bij Kacem echter de vorm van een apocalyptisch ondergangsgeloof. Bij beide interpretaties van de ontwikkeling van techniek voel ik mij niet thuis, maar Kacems benadering geeft meer stof tot denken en dus ook tot gefundeerde tegenspraak dan het posthumanistische geloof dat ons tegenwoordig uit de Verenigde Staten toewaait.

Mensen en dieren

Wat maakt God, techniek en alwetendheid ondanks de bezwaren zo aantrekkelijk? Met behulp van de uitstekende inleiding van vertaler Pieter Lemmens waag ik enkele opmerkingen erover. In de eerste plaats gaat het om de durf om in onze tijd van filosofische interpretaties van bestaande teksten een nieuwe wijsgerige weg in te slaan. In Kacems complexe denksysteem draait het om de verschillende manieren waarop de natuur door mensen en dieren wordt toegeëigend. Belangrijk is het verschil daartussen. Beide zijnswijzen moeten zich het bestaande toe-eigenen om te overleven en dat gaat altijd gepaard met dood en lijden als een soort betaling daarvoor. De menselijke toe-eigening gaat echter verder dan die van dieren, omdat mensen zich met behulp van techniek ook de wetmatigheden van de natuur kunnen toe-eigenen. Maar naarmate de techniek meer mogelijkheden geeft, wordt ook de prijs die we ervoor betalen in de vorm van dood en lijden hoger. In de mogelijkheden van techniek schuilt ook het fenomeen van het kwaad. Voor Kacem, die niet aarzelt om het christelijke begrip ‘erfzonde’ te gebruiken, houdt kwaad in dat de techniek mensen in staat stelt om elkaar ook niet-noodzakelijk, buitensporig lijden toe te brengen.

Meer A.I. op ShakingLife

God als technisch hoogstandje

Robotbaby van het bedrijf Babyclon, ontwikkeld voor educatieve doeleinden. Barcelona, 2022© Olivia Arthur / Magnum Photos / ANP
Ga onderaan naar pag. 2 , voor het voorwoord van de vertaler, dr. P.C. Lemmens.
Dichters & Denkers
God als technisch hoogstandje
Door technologie kan de mens alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde buiten zichzelf bewaren. Wat wij altijd God hebben genoemd, is volgens de filosoof Mehdi Belhaj Kacem niets anders dan dit alwetende geheugen.
Tom Grosfeld
15 april 2026 – verschenen in De Groene, nr. 16

De ideeën die de Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) uitwerkt in zijn essay God, techniek en alwetendheid laten je wekenlang verpletterd achter. De meest provocerende gedachte: wat we altijd God noemden is in wezen niets anders dan de technologie. Kacem is in Nederland amper bekend (dit is de eerste vertaling van zijn werk), maar wordt in Frankrijk al jaren gezien als een enfant terrible, punk- en cultfilosoof en groot denker, stelt filosoof Pieter Lemmens in de inleiding. Na bijna dertig jaar schrijven verscheen in 2020 zijn magnum opus Système du pléonectique, waarin hij zijn groots opgezette filosofische systeem ontvouwt. Ook dit essay, gebaseerd op een lezing die hij in 2016 hield, vertrekt vanuit bovenstaande gedachte.

Kacem opent zijn essay met een bespreking van de ‘traumatische structuur’ van het menselijke geheugen. Daarmee doelt hij op het gegeven dat de mens zijn geheugen (alle kennis die hij door de eeuwen heen verzamelde) heeft geëxternaliseerd, buiten zichzelf bewaart. Dit steeds totaler wordende, bijna alwetende technologische geheugen, ontstaan door talloze uitvindingen zoals het schrift, inkt, papier, de boekdrukkunst en de computer, is in alle opzichten superieur aan het biologische en dus beperkte individuele geheugen van de mens.

De exponentieel toenemende wanverhouding die ontstaat tussen beide geheugens valt de mens zwaar, als een trauma dat elke dag groter wordt. Dit trauma ligt volgens Kacem aan de basis van het lijden van de mens en specifiek de toename van steeds ernstigere geheugenstoornissen zoals dyslexie, autisme, schizofrenie, psychose, neurose en depressie. Wat deze pathologieën gemeen hebben, schrijft hij, is dat ze proberen een teveel aan geheugen te ‘reguleren’ door het te sluiten, zoals een obsessief persoon bijvoorbeeld doet door zich uitsluitend te concentreren op één onderdeel van zijn geheugen, en iemand die in waanzin verkeert zich juist laat meevoeren door alle mogelijke denksporen en kan ervaren dat hij in staat is tot een exacte, totale en profetische voorspelling van de gehele toekomst, of juist paranoïde wordt en alles ‘weet’ wat andere geheugens achter zijn rug om weten. Kacem laat zien dat ons geheugen niet zo natuurlijk en vanzelfsprekend is als we denken. Het is gemaakt, technisch en daarmee ook precair en potentieel ontwrichtend.

Het vermogen van de mens om zijn lijden onnodig en buitensporig te vergroten, waarvan bovenstaande pathologieën voorbeelden zijn, noemt Kacem het Kwaad. Omdat de mens in zijn diepste kern een technologisch wezen is, dat wil bij Kacem zeggen een wezen dat in staat is tot technologische virtuositeit (en zich zo’n beetje de hele natuur en de wetmatigheden achter het zijn kan toe-eigenen), is het Kwaad gegeven met de zijnswijze van de mens. Dat is, oneerbiedig samengevat in één zinnetje, waar het pleonectisch systeem (afgeleid van de Oud-Griekse uitdrukking pleon echein, ‘meer hebben’, in de zin van hebzucht) van Kacem op neerkomt: de menselijke technologische virtuositeit waardoor we ons materieel en cognitief oneindig veel meer konden toe-eigenen dan zelfs de intelligentste dieren zich ooit kunnen voorstellen.

Permanente technologische innovatie is in die zin geen specifiek kenmerk van onze tijd, zoals sommige (techniek)filosofen beweren, maar al zo’n dertig- tot veertigduizend jaar aan de gang. Wat wel typerend is voor ons tijdvak, of althans voor het ‘techno-wetenschappelijke tijdperk van de pleonectiek’, is dat de mogelijkheden tot toe-eigening werkelijk onbeperkt worden. De mens neemt vandaag de dag op terminale wijze de gehele aardse gemeenschap over.

Maar niet alleen laat de ‘beloning’ van deze permanente innovatie, die een intensiteit en snelheid heeft bereikt die nooit is geëvenaard, nog altijd op zich wachten, schrijft Kacem, ze leidt ook onherroepelijk tot de exponentiële toename van buitensporig lijden – van de pest en cholera tot schizofrenie en autisme, van oorlog en marteling tot dakloosheid en armoede – dat voor ons nooit heeft bestaan. Toe-eigening gaat dus onherroepelijk gepaard met onteigening. Hoe meer herinneringen we ons toe-eigenen, hoe kwetsbaarder we worden. De externalisering en archivering van kennis die door techniek mogelijk is gemaakt is als een pharmakon, zowel gif als medicijn, zowel verrijkend als verwoestend.

En dan wordt het nu tijd om God erbij te halen. Wat is het idee van God? Volgens Kacem een volledig geheugen, een totale communicatie van alle informatie en kennis van wat is, geweest is en zal zijn, zonder beperkingen. Het idee van God wil een oplossing bieden voor de eindigheid van het menselijk geheugen. Vandaar zijn hypothese: wat als datgene wat we altijd God hebben genoemd de technologie zelf is?

Laat er geen misverstand over bestaan, schrijft Kacem, ‘ik formuleer hier niet de gangbare “prometheïsche” hypothese dat de mens, bedwelmd door zijn technologische macht, zichzelf uiteindelijk “voor God houdt”. Mijn stelling is veel radicaler. Ik stel dat datgene wat we altijd en overal, waar dan ook, in welke formulering dan ook, “God” hebben genoemd, niets anders is dan de technologie of preciezer gezegd: de technowetenschap. God kan om volledig aantoonbare redenen niets anders zijn, wat gelovigen, fideïsten en fundamentalisten van welke strekking er ook van vinden.’

Volgens Kacem kunnen alle predicaten die we altijd hebben toegeschreven ‘aan die ongrijpbare entiteit die we God noemen’, in ieder geval in theorie worden toegepast op de Technologie: een totaal geheugen, alwetendheid, almacht en, waarom niet, onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo’n onsterfelijke, eeuwige machine behoort niet alleen tot de orde van het mogelijke, maar zelfs tot die van het aannemelijke, schrijft hij. ‘De materialisering van dit totale geheugen ligt vandaag de dag binnen handbereik.’

God, het project van de mensheid, is met andere woorden bezig zichzelf te verwerkelijken. Hij wordt steen voor steen gebouwd, als de totaliteit van alle technische geheugens, en wij zijn allemaal zijn arbeiders. Leuke voetnoot: alleen al het idee van God zou, naast zo veel andere dingen, nooit in ons opgekomen zijn als we niet het dier van techno-mnemonische (technieken die het geheugen externaliseren en uitbreiden, zoals het schrift, computers, internet) virtuositeit waren, schrijft Kacem. ‘De intuïtie van God hebben we volledig te danken aan het technologische wonder dat ons lang geleden overkwam.’

Kacem richt zijn vizier in de tweede helft van zijn essay op het transhumanisme, de stroming die de koppeling tussen technowetenschap en God het dichtst benadert. Natuurlijk zeggen de transhumanisten van Silicon Valley (en inmiddels de meer mainstream programmeurs die aan een soort goddelijke kunstmatige intelligentie bouwen, zeg ik erbij) niet openlijk dat ze van plan zijn om God te maken, schrijft Kacem. ‘Een wetenschapper uit Silicon Valley die letterlijk zou zeggen wat hun ideologie in onzichtbare inkt zegt, namelijk God = technologie, zou waarschijnlijk zijn carrière in gevaar brengen.’

Toch is dat de transhumanistische hypothese: wij topwetenschappers kunnen God creëren, een superintelligentie, een supergeheugen, een entiteit die onsterfelijk en eeuwig is, almachtig en alwetend. Om dit gedachtegoed verder te detailleren voert Kacem de twintigste-eeuwse pater-filosoof Teilhard de Chardin op, de eigenlijke (niet erkende) grondlegger van het (zogenaamd atheïstische) transhumanisme. Deze denker interpreteerde het darwinisme, de geschiedenis van de evolutie van de soorten, als zeer lange voorbereiding op het ontstaan van de mens, die op zijn beurt weer uitsluitend op aarde zou zijn om (een technologische) God voor te bereiden.

Kacem sluit niet uit dat het de transhumanisten op een dag zal lukken, er zijn wel gekkere dingen gebeurd. En de mens blijft nu eenmaal een technologisch dier, in staat tot het volbrengen van wonderen. Dat zou wel betekenen dat we afkoersen op een wereld zonder mens. De eeuwigheid, onsterfelijkheid en eindigheid waar transhumanisten zo in geloven hebben enkel betrekking op de machine. Voor ons bestaat er geen dingmatige eeuwigheid. Toch blijven we innoveren en ernaar toewerken. We kunnen niet anders.

Net wanneer Kacem zich wel heel nadrukkelijk lijkt te voegen bij de traditie van het apocalyptisch ondergangsdenken dat zo kenmerkend is voor Silicon Valley, maakt hij, behoorlijk subtiel, duidelijk dat hij geen transhumanist in vermomming is, maar de mensheid juist probeert te behoeden voor dit toekomstscenario (en nee, niet door méér techniek of méér AI). Of misschien wil hij ons er alleen op attenderen. Ook goed. Alleen vraagt hij zich af: hopen we werkelijk dat we de macht van Silicon Valley kunnen beperken door aan ethiek te doen? ‘Daarmee zouden we de mensheid vragen niet langer na te streven wat ze altijd al boven alles heeft nagestreefd. Het is de ontologische machinerie van de pleonectiek.’ We weten niet hoe we deze manier van zijn kunnen beteugelen, onderbreken. We weten niet beter of de technologie is het instrumentarium voor onze hyper-toe-eigening. Dat is waarom alles soms zo onvermijdelijk voelt, waarom het fatalisme geneigd is de overhand te nemen. Dit is wie we zijn als mens. De machine draait op volle toeren.

Meer A.I. op ShakingLife

De Sterrenhemel van Bezem

Voordat ik Marinus Bezem  conceptueel aan het woord laat, eerst mijn eigen verhaal – dat eigenlijk het verhaal van Icarus is. Al zocht ik het niet de hoge hemel, maar bezocht ik een berg van acht meter hoog, hier in de buurt.

Overmoedig stormde ik het vertrouwde klinkerpaadje op, op weg naar de top – die bekroond wordt met het monument van Marinus Bezem.
Vroeger was die beklimming voor mij een makkie, daar draaide ik m’n hand niet voor om. Maar nu leek het handen- en voetenwerk te worden – tot ik halverwege omkeerde en meer glijdend dan stappend, eerder wankelend, aan de afdaling begon, met grote moeite mijn evenwicht bewarend. Ik voelde me een neerstortende Icarus, die van Brueghel, met de voortploegende boer op de voorgrond, als symbool van een onverschillige wereld.
Maar wat mij overkwam was precies het tegendeel daarvan: toen ik toch nog zonder ongelukken beneden aan belandde, stond daar als door een wonder bij de voet van het pad een klein jongetje – dat me met ernstige ogen aankeek en zei: “Oppassen…!”

Sterrenhemel

“Even achterover leunen en genieten van de sterrenhemel. Daar lijkt dit kunstwerk van Marinus Boezem een uitnodiging toe. In de figuurlijke zin dan, want liggen op een stoel van graniet is verre van comfortabel. Wie vergeten is waar de sterren zich bevinden: de sokkel toont een kaart van de Melkweg en Noordelijke sterrenhemel.”

Klik rechtsboven op afbeeldingen om ze te vergroten.

“Het Observatorium ligt acht meter boven parkniveau en is bereikbaar via een pad van klinkers. De granieten stoel vertoont gelijkenis met de ‘Chaisse Longue’ van de beroemde architect Le Corbusier. Niet vreemd in een wijk die geïnspireerd is op de moderne architectuur, waar Le Corbusier de grondlegger van was. Elementen zoals licht, lucht en beweging zijn leidende motieven in het werk van Marinus Boezem. Andere fascinaties zijn het heelal en gotische kathedralen. Het zijn metaforen voor het verlangen van de mens om in aanraking te komen met het goddelijke.”

“Als je het geluid van de A10 wegdenkt”



De Bossche plastische getallen

Bovenaan:
De pleiners op het terras van Multivlaai, v.l.n.r. Klaaske, Casta, Hans (foto Hein).

Onlangs raakte ik in gesprek met Hans Schotman op het Buikslotermeerplein, waar Klaaske en ik een ijsje zaten te eten op het terras van Multivlaai. Het ging over de Emmaüs Priorij in Maarssen, waar ik net net over aan ‘t schrijven ben, i.v.m. de vijfdaagse meditatie sessie, die Maarten Houtman daar in juli 2001 hield.
We kregen het over de architectuur van het klooster, dat gebouwd is in de stijl van de Bossche School. De menselijk maat is daarin leidend bij de getalsverhoudingen van de architectuur. Le Corbusier was daar ook een prominent voorbeeld van.
Na afloop stuurde Hans me uitvoerige documentatie over Le Corbusier en de Bossche school, zie onderaan.

“Priorij Emmaus was een klooster van de Kanunnikessen van het Heilig Graf in Maarssen in Nederlandse provincie Utrecht. Deze rooms-katholieke orde kocht in 1957 de zeventiende-eeuwse buitenplaats Doornburgh.
Enkele jaren later liet de orde door Jan de Jong, leerling van Dom van der Laan, achter het landhuis, bij de Vecht, een priorij met pandhof bouwen. Het ontwerp was in de stijl van de Bossche School. Het nieuwe klooster werd in 1966 ingewijd door kardinaal Alfrink. Het 17e-eeuwse buitenhuis Doornburgh werd sindsdien gebruikt als gastenhuis.”
Wikipedia
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Emmaüs Priorij is altijd nauw verbonden geweest met het werk van Maarten Houtman. In de jaren zeventig van de vorige eeuw begon hij, met steun van Zr. Willibrord , de priores, daar met zijn groepen, waar ook inwonende zusters aan deel namen. Tot 2005 organiseerde Maarten maandelijkse groepsbijeenkomsten en meerdaagse sessies, die gehouden werden in de Kappittelzaal van het Klooster. Bij de lange sessies logeerden de deelnemers in de ‘Doornburgh’:

Doornburgh is een aan de rivier de Vecht gelegen 17e-eeuwse buitenplaats in het dorp Maarssen. Het huis is tezamen met onder meer het eromheen gelegen park, de toegangshekken, een timmermanswoning, een koetshuis en een ijskelder erkend als rijksmonument. Sinds 2017 wordt Doornburgh getransformeerd tot buitenplaats voor kunst en wetenschap.” (Wikipedia).  
Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

Hierboven nog wat plaatjes van de priorij.

Hans vertelde me over de verhoudingsgetallen, waar de architectuur van de van de Bossche School op gebaseerd is. Zoals trouwens ook bij Le Corbusier, bij wie Hans in Berlijn werkzaam geweest is, Casta en hij hebben daar toen enige jaren gewoond. Hij beloofde me documentatie toe te sturen over de architectonische verhoudingsgetallen, hieronder zie je het resultaat.



1. Le Corbusier

Le Corbusier, geboren als Charles-Edouard Jeanneret in 1887, was een Zwitserse en Franse architect. Hij nam zijn naam aan op 33-jarige leeftijd, gebaseerd op Lecorbesier, een naam uit zijn voorgeschiedenis. Hij was een van de sterkste voorstanders van de toepassing van Phi in het dagelijks leven. Aanvankelijk was hij sterk tegen het idee, maar nadat hij het grondiger had bestudeerd, raakte hij gefascineerd door het concept. Hij was al lange tijd geïnteresseerd in een basisstructuur in de kunst. Zijn interesse in de kunsten werd van jongs af aan gestimuleerd door muzikale opleiding.

Pythagoras was gedurende zijn leven zeer geïnteresseerd in harmonie die in wiskundige interesse werd gevonden. Le Corbusier deelde deze interesse. Hij wilde “een harmonische maat bieden voor de menselijke schaal, universeel toepasbaar op architectuur en mechanica.” Op het moment dat hij dit bestudeerde, werd ander werk over proportionele systemen breed beoordeeld. Het was een tijd waarin het idee dat wiskunde ingewikkelde dingen kon oplossen steeds meer geaccepteerd werd. In 1951 organiseerde de Milan Triennale een internationale bijeenkomst over proporties, en Le Corbusier werd gekozen als voorzitter.

Le Corbusiers zoektocht naar een proportioneel systeem om harmonie te creëren resulteerde in de Modulor tussen 1943 en 1955.

Modulor

De Modulor leek op de Vitruvian Man in de zin dat ze allebei met menselijke proporties te maken hadden. In een deel van het systeem werd een (schaal) man van zes voet hoog met een arm opgeheven tot 2,15 meter in een vierkant geplaatst. De hoogte van zijn navel was een gouden deel van zijn lengte. Ook stond de hoogte van de uitgestrekte arm in een gouden relatie met de hoogte van de pols die naar beneden hing.

Het Modulor-systeem was gebaseerd op de Fibonacci-serie. Het doel was om “overal de menselijke schaal te behouden.” In 1952 werd het gebouw Unite d’ in Marseille voltooid, volledig gebaseerd op de Modulor. Le Corbusier geloofde dat het harmonie kon brengen aan alles, van deurklinken en kasten tot gebouwen en andere stedelijke ruimtes.

Hij publiceerde Le Modulor in 1948 en Modulor II in 1955, wat aandacht trok van architectuurkringen en werd opgenomen in elke discussie over proportie. Het systeem is tegenwoordig terug te zien in de architectuur van de moderne Le Corbusier-appartementen.

In 1946 schonk hij Modulor aan Albert Einstein. Einstein zei: “Het is een schaal van proporties die het slechte moeilijk maakt en het goede makkelijk.”

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

2. Dom van der Laan: Het plastische getal

Het plastische getal is bedacht door Dom Hans van der Laan (1904-1991).
Pater van der Laan studeerde architectuur bij professor Grandpré-Molière in Delft. In 1927 werd hij monnik in Oosterhout. In 1968 kwam hij naar de abdij van Vaals, waar hij op 19 augustus 1991 is gestorven.
Samen met zijn broer Nico gaf hij van 1945 tot 1973 een cursus “Kerkelijke architectuur”, die de herontdekking beoogde van de maatstaven en grondslagen van echte architectuur.

De abdijkerk van Vaals is de eerste rijpe vrucht van dit werk: een indrukwekkend geheel, bestaande uit bovenkerk, crypte en atrium, dat in 1968 voltooid werd. Sindsdien heeft Pater van der Laan verschillende andere kloosters gebouwd, alsook een privé-huis. In 1977 publiceerde hij zijn levenswerk “De architectonische ruimte”. Pater van der Laan heeft gezocht naar een systeem van maten met algemene geldigheid.

In tegenstelling tot de gulden snede, is het plastisch getal zowel in 2d als in 3d gerelateerd.

Van der Laan was niet geïnteresseerd in de afmetingen van de ruimtes zelf, maar in wat de verhouding tussen de afmetingen teweeg bracht bij de mens.
Hij maakte daarbij ook gebruik van andere verhoudingen dan de gulden snede, zoals 3 : 4, 4 : 7, 3 : 7 en 1 : 7, verhoudingen die we al terug vinden bij Romeinse bouwmeesters en die de mens herkent als volmaakt, omdat deze maten terug te vinden zijn in de natuur.

De kloosterkerk van Sint-Benedictusberg nabij Vaals in Zuid-Limburg. Aan beide zijden van de kerk is een galerij met 8 openingen met daarboven 14 ramen.
Hierdoor ontstaat de verhouding 8 : 14 = 4 : 7 (zie boven).

De plastische verdeling van een lijnstuk levert de twee nodige betrekkingen breedte/ hoogte= l/p en hoogte/ diepte= p/p^2 met l+p+p^2=p^5.

De term p kunnen we lezen als het plastische getal. Bij het oplossen van deze vergelijking geldt dat p gelijk is aan 1,324718.

Bij het beschouwen van ruimte zijn twee aspecten van belang. Namelijk het zien (de waarneming van de mens) en ons verstand (we maken er ons een voorstelling van). Dom Hans van der Laan zegt dat ruimte door de waarnemer beoordeeld wordt door zijn begrenzingen te meten, om zo inzicht te krijgen van de grootte van de ruimte. Dit meten is de manier waarop de mens van nature kennis neemt van zijn omgeving. Dat tellen gebeurt in eenheden van vergelijkbare grootte. Dom Hans van der Laan verwoordt deze eenheden met het begrip “type van grootte”. Dit begrip heeft geleid tot de totstandkoming van het stelsel van groottes en hun onderlinge verhouding volgens het plastische getal. Dit stelsel is gebaseerd op een reeks grootten, waarbij de verhouding tussen de termen van deze reeks constant is. In het geval van het plastische getal leverdt dit de meetkundige rij op met de acht lengte: 1, p, p^2, p^3, p^4, p^5, p^6 en p^7

Studies en voorbeelden van toepassingen van het plastische getal:

Meer informatie over de Sint-Benedictusberg op benedictusberg.nl


‘Verrijzenis Kerk’ in Enschede
waar Hans het altaar ontwierp

Afbeeldingen vergroten door rechtsboven te klikken.

De Verrijzeniskerk in Enschede is een moderne kerk uit 1967 van architect ir. Joh.H.Sluymer en ir. A. Middelhoek. Het gebouw is in gebruik geweest om zowel een protestantse kerk te huisvesten, als een katholieke geloofsgemeenschap. In het pand is ook een stiltekapel die dagelijks open is om even binnen te lopen.