Regisseur Fastvold over de unieke zingende sekteleidster Ann Lee: ‘Waarom kent niemand haar?’

Uit NRC


Sabeth Snijders vanuit Venetië
Gepubliceerd op 24 februari 2026


De nieuwe film van de Noorse actrice en filmmaker Mona Fastvold klinkt als een ironische stunt, schreef filmvakblad Variety na de première in Venetië: een musical over het leven van de vrome en kuise oprichtster van een achttiende-eeuwse religieuze sekte. Maar wie de hoogst originele biopic over de Shakers bekijkt, een christelijke groepering die haar naam kreeg door hoe ze al sidderend, dansend en zingend hun zonden bekenden en liefde voor god uitten, ziet een film die allesbehalve ironisch is. Via zang en dans wordt in The Testament of Ann Lee „oprecht, inventief én ontroerend” iets verteld over een opmerkelijk utopisch experiment in de Amerikaanse geschiedenis. 

Als regisseur Fastvold in Venetië praat over Ann Lee (1736-1784), valt ook meteen haar bewondering op voor de vrouw die vanuit Manchester met een klein groepje Shakers naar de VS trok om daar een Shaker-nederzetting te beginnen. Fastvold is areligieus opgevoed en onderschrijft niet alle ideeën van Lee – Lee had van kinds af aan bijvoorbeeld een sterke afkeer van seks, ook op latere leeftijd zag ze het als de wortel van alle kwaad. Maar de Noorse werd geraakt door hoe ‘moeder’ Ann Lee leiding gaf in een door mannen gedomineerde wereld, met empathie en vriendelijkheid.

Decennia voor de slavernij werd afgeschaft in de VS en vrouwen stemrecht kregen werd er in de communes van de Shakers al geen onderscheid gemaakt op basis van geslacht of afkomst en was er veel empathie voor kinderen. Fastvold snapt dus niet waarom de Shakers geen grotere plek innemen in de Amerikaanse geschiedenisboeken, terwijl Ann Lee „een van de grootste utopische gemeenschappen in de Amerikaanse geschiedenis creëerde”. Fastvold: „Hoewel dit een experiment met gebreken was. Ik wil dat mensen denken: Moet ik dit kennen? Heb ik iets gemist in de geschiedenisles?”

Trance 

De Shakers, in hun begindagen Shaking Quakers genoemd, zijn naast hun vroomheid en arbeidsethos, vooral bekend om hun extatische erediensten. In The Testament of Ann Lee zien we hen via repetitieve bewegingen, krachtige uitademingen en zang in soms dagenlange trance raken. Fastvold sleept kijkers via wervelende danssequenties en de op Shakerhymnes geïnspireerde muziek van Oscarwinnaar Daniel Blumberg regelmatig mee in hun extase. 

Wat je op het scherm ziet en hoort is een combinatie van opnames uit workshops van wat er daadwerkelijk op set is gefilmd of ingezongen in een studio, vertelt Fastvold in Venetië. „We begonnen met repeteren en workshops een jaar voor de opnames, daar ligt de kern van wat je ziet en hoort. Daar begon Amanda [Seyfried] en de rest van de cast te werken met de choreograaf. En daar begonnen we ook al muziek en het geluid op te nemen en te experimenteren met de liederen.” Iedereen, ook Seyfried, was altijd echt aan het zingen benadrukt Fastvold. „Veel van wat werd opgenomen in de workshops belandde in de uiteindelijke film.”

Fastvold werkte voor het script samen met haar echtgenoot Brady Corbet – ze schreven eerder ook het Oscargenomineerde scenario voor zijn historische epos The Brutalist. Veel van wat er over de echte Ann Lee bekend is, blijft giswerk of legende. Corbet en Fastvold kozen ervoor ook de meest parabel-achtige elementen uit de overlevering zonder cynisme in beeld te brengen. Zo worden de rauwe gebeurtenissen uit Ann Lee’s leven, ze verloor vier kinderen voor hun eerste levensjaar en werd zeer hardhandig vervolgd en gevangengezet, even realistisch verbeeld als haar Bijbelse visioenen. Meer Shakerpersonages hebben in de film trouwens visioenen. In een vrij ludieke, maar bloedserieus gespeelde scène zien we een van Ann Lee’s volgelingen, John Hocknell (David Cale) achter zijn eigen vinger aanrennen die onbeheersbaar als een rondfladderende vlinder beweegt en zo de weg wijst naar de beste plek om een commune te beginnen.

Niet zwelgen in geweld

Deze parabelachtige elementen worden volop gecombineerd met musicalmomenten. Waren er zaken uit het leven van Ann Lee die Fastvold moeilijker in beeld kon brengen omdat ze haar film als een musical vormgaf? „Nee, ik denk dat de vorm ons alleen heeft geholpen en dat er eigenlijk ook geen andere manier was om dit verhaal te vertellen: de Shakers leefden op een hele muzikale en bewegingsgerichte manier. Ze konden echt overvallen worden door de Heilige Geest en in zang uitbarsten. Er zijn zoveel beschrijvingen met zinnen als ‘Toen legde ze haar handen op hem en begonnen ze allebei te schudden, en ze schudden en bewogen twee uur lang. En daarna viel hij op de grond en vloog zijn voet omhoog’. Of verhalen over hoe Ann Lee urenlang krachtig zong en iedereen zich daardoor vervuld voelde van de Heilige Geest.”

De enige momenten waarbij ze bewust afweek van de verhalen over Ann Lee, gingen over de ontberingen die ze tijdens haar leven heeft doorstaan, zegtFastvold. „Mishandelingen, het van haar lichaam scheuren van haar kleren, menigten die haar achterna zaten. Het kwam steeds terug, opnieuw en opnieuw. Maar ik wilde niet zwelgen in dat geweld, dat voelde respectloos. Dus ik laat het één keer zien, in een lange scène die eerlijk en bruut is, dat vond ik voldoende om haar lijden te begrijpen.” In haar film zien we inderdaad tegen het einde hoe de Shakerenclave wordt aangevallen, de gelovigen worden gemarteld en Ann Lee zelf wordt aangerand – om te controleren of ze geen man is.

Fastvold raakte zelf gefascineerd door de Shakers na het horen van een hymne met referenties aan Ann Lee geschreven door de Afro-Amerikaanse Patsy Roberts, een voormalige tot slaaf gemaakte die werd vrijgekocht door de Shakers. Ze hoorde de hymne tijdens de research voor haar vorige film, The World to Come, over de liefde tussen twee eenzame buurvrouwen, ergens in de wildernis aan de Amerikaanse oostkust rond 1850.

Waar komt haar interesse in dit deel van de Amerikaanse geschiedenis vandaan? Ze groeide zelf op in Noorwegen. „Deze film speelt wel eerder dan The World to Come, dit is midden jaren 1750 tot het einde van die eeuw. Wat ik ontdekte over deze periode is dat ze iets nieuws probeerden vorm te geven.” Fastvold ziet parallellen met de huidige tijd. „We staan ook op de rand van een nieuwe wereld, deze maal met technologische ontwikkelingen die we proberen te begrijpen en waarin we proberen te navigeren. Het heeft dus wel wat van het Wilde Westen wat we nu ervaren: de anarchie, het gevaar, de ontdekkingen, de naïviteit. Misschien word ik daarom ertoe aangetrokken? Al kan ik het ook niet helemaal uitleggen waarom ik er zo obsessief mee bezig ben en het gevoel had dat ik deze film moest maken.”

Waarna ze grappend toevoegt: „Ik ben als David Cale en zijn vinger, ik volg en vraag me af ‘waar brengt dit me heen?’. Naar hier!”

Amanda Seyfried en Lewis Pullman in ‘The Testament of Ann Lee’.SEARCHLIGHT PICTURES


In de jonge jaren van de Verenigde Staten vonden ketterse Europeanen daar een veilige haven voor hun afwijkende geloofsopvattingen. Zo ook Ann Lee, die in 1776 in Amerika aankwam. Samen met haar volgelingen, de ‘Shakers’ geheten, geloofde ze dat ze de tweede Christus op aarde was. 

In de nieuwe film The Testament of Ann Lee is te zien hoe deze sekte van ‘shakende’ aanbidders al in de 18e eeuw een verrassend progressief wereldbeeld aanhing. De Amerikaanse Markha Valenta, die onderzoek doet naar religie en politiek in de VS, bekeek de film die Ann Lee portretteert als vergeten feministisch icoon.  

Met dank aan NRC
Over de muziek zegt componist Daniel Blumberg: “Het verhaal van de Shakers en Ann Lee is inherent radicaal. Ik probeerde de grenzen van de melodische kern van hymnen en liederen te verleggen naar deze meer elementaire en geïmproviseerde klanken. Buiten mijn films maak ik platen met liedjes, dus het werken met liedvormen was vertrouwd, maar het was een heel nieuw proces om dat voor een film te doen. Er is een breed scala aan stemmen te horen op deze soundtrack, variërend van enkele van mijn favoriete improvisatoren ter wereld en ongetrainde koren tot Hollywood-acteurs.”

The Testament of Ann Lee, Original motion picture soundtrack by Daniel Blumberg


Een eeuw later
(eigen bijlage)

Klik op logo hierboven voor de link naar onderstaand artikel.
Mary Ann Case (later Anna Case)
Eldress Anna Case (1855-1938), een prominente figuur binnen de religieuze gemeenschap van de Shakers. Anna Case stond bekend als een van de laatste leidinggevenden van de Shaker-gemeenschap in Watervliet. Shakers waren een religieuze sekte die bekend stond om hun minimalistische meubelontwerpen en geloof in eenvoud.
Reprinted from the Winter 2019 edition of the Watervliet Shaker Journal.
Written by Lorraine Weiss
In maart 1866 liep een elfjarig meisje weg van huis in Rochester, New York. Het gezinsleven verslechterde na de dood van haar moeder, mogelijk veroorzaakt door het drankprobleem van haar vader. Een familielid slaagde erin haar naar de Shakers te sturen, waar ze niet alleen onderdak vond, maar ook een spirituele houvast die de rest van haar leven zou duren. Haar naam was Mary Ann Case (later Anna Case), en haar aankomst bij de South Family werd vermeld in een dagboeknotitie van 18 maart 1866, waarin stond: "Mary Ann Case geloofde."

We kennen Moeder Ann Lee, die de Shakers naar Albany bracht en het geloof verspreidde naar andere gemeenschappen in het noordoosten; en Moeder Lucy Wright, die 25 jaar lang (1796-1821) hoofdpredikant was en wiens vooruitziende blik en bestuurlijke vaardigheden het netwerk van gemeenschappen uitbreidden en de basis legden voor het dagelijks leven van alle Shakers. Ook Anna Case bracht mededogen, leiderschap en bestuurlijke vaardigheden naar de Shakers. Haar verhaal speelt zich echter af aan het andere uiteinde van het verhaal, toen de omstandigheden haar dwongen toezicht te houden op de ontbinding van de Shakergemeenschap in Watervliet, die door Moeder Ann en Moeder Lucy was gesticht.

Elke Shakerfamilie wees een lid aan om een ​​dagboek bij te houden. Samen met andere zakelijke documenten geven deze dagboeken soms informatie over de activiteiten van individuele Shakers. Aantekeningen over Anna Case laten zien dat ze betrokken was bij de gebruikelijke taken die van alle leden van deze gemeenschap werden verwacht. Tussen mei en december 1885 schilderde ze bijvoorbeeld de ramen van drie gebouwen, hielp ze met de oogst, werkte ze aan het opwinden van garen, maakte ze jurken voor "elk van de kleine meisjes" van de familie in het zuiden en "maakte ze het weven van drie trapkleden af".

Haar leiderschapskwaliteiten werden in 1881 erkend toen ze werd aangesteld om Ouderling Rosetta Hendrickson (1844-1912) te assisteren. De volkstelling van de staat New York uit 1905 vermeldt de 48-jarige Anna Case als "Eldress" (ouderling) samen met Eldress Hendrickson, die toen 60 was. Het is waarschijnlijk dat de rol van ouderling/ouderling in die tijd ook de taken omvatte die voorheen werden uitgevoerd door diakenen/diaconessen, die de dagelijkse personeelszaken van de gemeenschap regelden, zoals werk- en woontoewijzingen. Anna Case werd in 1912 de leidende ouderling na het overlijden van Eldress Rosetta. In het voorjaar van 1915 werd ze ook benoemd tot trustee van de Shakers van Watervliet, waardoor haar takenpakket werd uitgebreid met het beheer van alle zakelijke aangelegenheden.

De Shakers bleven in de 20e eeuw een agrarische gemeenschap en waren sterk afhankelijk van ingehuurde arbeidskrachten. Het toezicht houden op de landbouwmanagers en de verkoop van landbouwproducten behoorde tot het werk van Eldress Anna. Ze regelde ook de verkoop van andere producten die speciaal voor The World werden gemaakt, zoals overhemden die werden genaaid voor plaatselijke overhemdenfabrieken, truien die werden gebreid voor warenhuizen en diverse textiel- en luxeartikelen. Tegelijkertijd zorgde ze voor de benodigdheden voor de Shakers zelf. Er zijn verwijzingen naar hoe ze omging met de rantsoenering van meel en andere producten tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Wanneer ze niet bezig was met haar geestelijke en administratieve taken, was ouderling Anna vaak aan het naaien of breien en maakte ze spullen voor de winkel van de zusters, zoals Anna Goepper vaak opmerkt in de South Family Journals:
"Niemand kan ouderling Anna overtreffen als het gaat om gebreide artikelen van welke soort dan ook. Ze is elk moment dat ze vrije tijd heeft bezig." (juli 1916)
"Ze breit zulke mooie truien, een geweldige handwerkster van allerlei soorten." (8 juli 1922)

“Ouderling Anna is de hele tijd bezig met het breien van elegante zijden truien. Ze krijgt er 40 tot 45 dollar voor. Ze breit ze van fijn zijden garen dat 1 dollar per klos kost.” (13 september 1922)

In december 1922 schreef Lucy Bowers in haar dagboek: “Ouderling Anna breit een trui in 48 uur of minder.” Naast het breien van kleding voor de winkel, was ze ook een van de Shaker-zusters die poppenkleding maakte voor de verkoop aan The World. Goepper noteert in 1921 dat Anna Case “12 poppen aankleedt voor de verkoop in Shaker-kleding.”

Ouderling Anna's aandacht reikte veel verder dan de South Family. Lucy Bowers schrijft in haar dagboek van 3 juli 1919: “Ouderling Anna gaat met het [Libanon] Ministerie naar de North [Family]. Weer een moeizame verhuizing.” Ze verwijst naar het proces van de sluiting van de Shakergemeenschap in Watervliet North. Ten tijde van deze dagboeknotitie was Anna Case betrokken geweest bij de sluiting van drie gemeenschappen.

De eerste twee sluitingen die ze meemaakte vonden wellicht plaats in de jaren 1890, toen leden van de Shakergemeenschap in Groveland (nabij Rochester) en de grotendeels Afro-Amerikaanse Shakergemeenschap in Philadelphia naar de locatie in Watervliet werden verplaatst. In 1915 speelde ze een directe rol toen het Centraal Ministerie haar uitnodigde voor een vergadering over de sluiting van de Shakergemeenschap in Enfield, Connecticut. Ze kreeg de taak om Lucy Bowers en Eldress Caroline Tate naar de Shakergemeenschap in South te verplaatsen.

De achteruitgang van de Shakerlevenswijze trof haar echter nog dichterbij toen de Shakergemeenschap in Watervliet vanaf 1916 werd gesloten. Er werden verschillende tijdelijke huurwoningen geregeld, aanvankelijk als basis voor studentes die werkten voor de Women's Land Army of America.
EINDE

Van klimaatverandering tot identiteit: de essentiële lessen in Metamorphoses, het 2000 jaar oude gedicht van Ovidius

Cath Pound BBC

Je zou denken dat Ovidius' Metamorfosen, een eeuwenoude verzameling van de grootste Griekse mythen, vandaag de dag weinig relevantie meer heeft. Maar de verhalen over verlangen en bedrog onthullen verrassende parallellen met hedendaagse problemen, van klimaatverandering en de vluchtelingencrisis tot gendergerelateerd geweld en identiteit. 

Ovidius’ Metamorfosen is niet zomaar een verzameling mythen en legendes – het is dé verzameling mythen en legendes. Grotendeels gebaseerd op Griekse bronnen, maar rond 8 na Christus in het Latijn geschreven, bevat het de beroemdste versies van de verhalen die we kennen, van Perseus die Medusa doodt tot de ijdele Narcissus die verliefd wordt op zijn spiegelbeeld.

De verhalen over verlangen, jaloezie, list en bedrog hebben door de eeuwen heen talloze kunstenaars en schrijvers geïnspireerd – en voelen nog steeds verrassend relevant aan.

“De Metamorfosen is een buitengewoon eigentijdse tekst,” vertelt Fiona Cox, hoogleraar en auteur van Ovid’s Presence in Contemporary Women’s Fiction, aan de BBC. “Ovidius’ obsessie met vloeibaarheid, plasticiteit en verandering stelde hem in staat de beperkingen van lichamen, de grenzen van gender en seksualiteit, en de relatie tussen mens en aarde, evenals het dierenrijk, te onderzoeken,” zegt ze.

De verhalen gaan over universele waarden [en] de menselijke conditie – Frits Scholten

Het veranderlijke karakter van de mythen zelf betekent dat “elke generatie ze voor haar eigen doeleinden kan gebruiken. Ze gaan over universele waarden [en] de menselijke conditie. Ze confronteren ons met de verlangens, de passies, de emoties die we allemaal hebben,” vertelt Frits Scholten aan de BBC. Hij is curator van Metamorphoses, een nieuwe tentoonstelling in het Rijksmuseum die de invloed van het werk op de kunst door de eeuwen heen onderzoekt.

Of je nu teruggaat naar Ovidius’ oorspronkelijke vertelling van de mythen, een van de vele hedendaagse herinterpretaties leest, of de talloze kunstwerken verkent die ze hebben geïnspireerd, je zult ontdekken dat deze oude verhalen opvallend veel te zeggen hebben over de wereld waarin we vandaag de dag leven.

Volgens Scholten zijn de gevaren van menselijke ijdelheid en trots alomtegenwoordig in Ovidius’ werk. De mythe van Narcissus die verliefd wordt op zijn spiegelbeeld is al lang door kunstenaars als Caravaggio gebruikt om te waarschuwen tegen dergelijke ijdelheid. Het verhaal vertoont onvermijdelijk parallellen met hedendaagse zelfpromotie op sociale media. “We zijn verliefd geworden op onszelf en vergeten wat er om ons heen gebeurt,” zegt Scholten.

De mythe van Narcissus die verliefd wordt op zijn spiegelbeeld wordt al lange tijd door kunstenaars zoals Caravaggio gebruikt om te waarschuwen tegen ijdelheid (Credit: Palazzo Barberini, Rome).

Maar als we kijken naar de realiteit achter onze gefilterde selfies en foto’s van de nieuwste overvolle Instagram-hotspot, zullen we, zoals Narcissus, ontdekken dat “het uiteindelijk slechts een weerspiegeling en een illusie is die ons niet heeft gebracht wat we hadden gehoopt”.

Pygmalions liefde voor het beeld van een vrouw dat hij heeft gemaakt, spreekt al lange tijd kunstenaars als Rodin aan, die het verhaal gebruikten als excuus om hun eigen vaardigheden te vieren. Voor Scholten roept Pygmalions overtuiging dat zijn creatie superieur is aan alle echte vrouwen om hem heen echter herinneringen op aan het misplaatste vertrouwen van de mensheid in haar eigen uitvinding, kunstmatige intelligentie (AI). “Wij mensen denken dat we alles kunnen beheersen en overal een oplossing voor hebben,” zegt hij.

Maar deze arrogantie heeft gevolgen. In George Bernard Shaws hervertelling van de mythe, later verfilmd tot de hitfilm My Fair Lady uit 1964, ontdekt Pygmalions personage, Henry Higgins, dat zijn “creatie”, Eliza, uiteindelijk een eigen wil ontwikkelt. Mocht hetzelfde gebeuren met AI, dan zouden de gevolgen veel minder prettig kunnen zijn.

Pygmalion’s liefde voor het standbeeld dat hij creëerde heeft kunstenaars als Rodin en Jean-Leon Gerôme aangesproken (Jean-Léon Gérôme, De mythe van Pygmalion en Galatea, 1890, The Metropolitan Museum of Art).
“Hij had jarenlang de vrouwen zonden zien begaan en daarom wilde hij nooit trouwen. Hij bleef liever vrijgezel, omringd door zijn eigen kunst. Dagenlang werkte hij aan een ivoren beeld, een vrouwenbeeld (Galatea). Hij gaf het beeld de perfecte schoonheid en uiteindelijk werd hij er smoorverliefd op. Hij schonk het beeld allerlei cadeaus en juwelen, maar het bleef van ivoor. Op een dag werd er een feest gevierd ter ere van Aphrodite. Overal werd er wierook gebrand en werden er runderen geofferd. Pygmalion sprak bij het altaar de wens uit dat de goden hem een vrouw zouden geven. Hij had de moed niet om "die van ivoor" te zeggen en in de plaats zei hij "die lijkt op mijn ivoren vrouw". Aphrodite, zelf aanwezig, begreep zijn wens: driemaal schoot een vlam hoog op, ten teken van genade. Zodra hij thuiskwam haastte hij zich naar zijn geliefde beeld en kuste haar op de mond. Het beeld kwam tot leven. Daarna dankte Pygmalion Aphrodite duizendmaal. Negen maanden na het huwelijk van Pygmalion en Galatea werd Paphos geboren.” 

Die arrogante leiders die momenteel aan de macht zijn, of het nu techgiganten of oligarchen, presidenten of premiers zijn, zouden er goed aan doen het verhaal van de jager Actaeon ter harte te nemen. Toen hij Artemis met haar nimfen zag baden, werd de godin zo woedend dat ze hem in een hert veranderde, dat vervolgens door zijn eigen honden werd verslonden. “Al die wereldleiders vol trots zouden zich ervan bewust moeten zijn dat dingen kunnen veranderen,” zegt Scholten.

Metamorphoses is echter niet alleen maar een sombere waarschuwing. In het verhaal van de verliefde Salmacis en Hermaphroditus, wier lichamen, mannelijk en vrouwelijk, zich verenigen, zien we een oude representatie van genderfluiditeit. Volgens Scholten is dit een suggestie dat “we iedereen moeten beschouwen als unieke mensen en niet als afwijkingen van de norm. De ambiguïteit die in de natuur zelf aanwezig is, is ook terug te vinden in Ovidius.”

‘Een opleving van de belangstelling voor Ovidius’

Hoewel de invloed van Ovidius door de eeuwen heen is toe- en afgenomen, wijst Cox op de observatie van Marina Warner in haar boek Fantastic Metamorphoses, Other Worlds, dat hernieuwde belangstelling voor Ovidius vaak te zien is op kruispunten en drempels. “Het is misschien niet verwonderlijk dat de onzekerheid en onrust van de huidige tijd samenvallen met een hernieuwde belangstelling voor Ovidius,” zegt Cox.

Warner zelf gebruikte de mythe van Leto, die gedoemd was om met haar kinderen eindeloos over de aarde te zwerven, om de moeilijkheden van vluchtelingen te onderzoeken in haar roman The Leto Bundle uit 2001. “Een gevoel van ballingschap, van dakloosheid, is nooit ver weg bij Ovidius… er zijn veel mythen waarin mensen in ballingschap worden gedreven of ver van huis terechtkomen,” zegt Cox. “Het is interessant dat sinds Warner dit boek publiceerde, andere schrijvers de benarde situatie van vluchtelingen hebben onderzocht aan de hand van verwijzingen naar Ovidius.” Ze wijst op de Franse auteur Marie Ndiaye, wier roman Three Strong Women uit 2009 ging over ballingschap en ontheemding in Frankrijk en Senegal.

De jager Actaeon werd veranderd in een hert en vervolgens verslonden door zijn eigen honden (Bron: Alamy)

De Schotse auteur Ali Smith heeft zich op verschillende manieren laten inspireren door Ovidius, met name in haar novelle Girl Meets Boy uit 2007, een moderne hervertelling van de mythe van Ianthe en Iphis, die als meisje werd geboren en als jongen werd opgevoed, gesitueerd in Schotland. Hun verhaal “stelt Smith in staat de angst te onderzoeken van degenen die zich genoodzaakt voelden hun gender te verbergen, en viert tegelijkertijd relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, jaren voordat het homohuwelijk in Engeland en Schotland wettelijk werd toegestaan,” aldus Cox.

De verontrustende toename van vrouwenhaat en gendergerelateerd geweld wordt op ongemakkelijke wijze weerspiegeld in de vele aanrandingen die vrouwelijke personages in De Metamorfosen ondergaan. Hoewel Ovidius zelf deze ervaringen vaak bagatelliseert, hebben verschillende vrouwelijke auteurs recentelijk geprobeerd het verhaal voor hun eigen doeleinden te herinterpreteren.

Medusa is grotendeels een symbool geworden voor overlevenden van seksueel geweld, en dat is buitengewoon – Natalie Haynes

Hoewel Marie Darrieussecq ontkent dat Ovidius een inspiratiebron was voor haar internationale bestseller uit 1996, Varkensverhalen, wordt het verhaal over een jonge vrouw die in een dubieuze Parijse massagesalon werkt en geleidelijk in een zeug verandert, algemeen beschouwd als Ovidiaans. “Door de verkenning van seksueel geweld en de creatie van een vrouw die uiteindelijk terugvecht, loopt het boek vooruit op Ovidius’ verschijning binnen de #MeToo-beweging. Steeds meer schrijvers onderzoeken de verkrachtingen in de Metamorfosen vanuit het perspectief van het slachtoffer,” zegt Cox.

Natalie Haynes deed precies dat met haar krachtige hervertelling van het verhaal van Medusa in Stone Blind (2022). “De langste versie van het verhaal van Medusa is verreweg te vinden in Ovidius’ Metamorfosen,” vertelt Haynes aan de BBC. Maar het is een versie die Haynes woedend maakte. Ovidius vertelt hoe Medusa ooit een mooie jonkvrouw was, maar nadat ze door Neptunus in de tempel van Minerva was verkracht, koos de godin ervoor om Medusa te straffen in plaats van haar verkrachter door haar in een monster met slangen als haar te veranderen. Alsof dat nog niet erg genoeg is, wordt haar verhaal verteld vanuit een mannelijk perspectief – dat van Perseus.

Juul Kraijer’s SPAWN is een mooie Medusa-achtige vrouw die schijnbaar nadenkt over haar lot terwijl slangen over haar gezicht glijden (Credit: Courtesy of Juul Kraijer Studio)

Hoewel Haynes zijn versie zeker niet wilde gebruiken, putte ze wel elementen ervan uit om de volledige gruwel van het misbruik dat Medusa onderging, over te brengen. In het bijzonder een scène waarin Perseus, zich realiserend dat haar hoofd waardevol is als wapen, er een bed van zeewier voor maakt, omdat hij de afgehakte nek niet op het harde zand wil leggen. “Er is iets absoluut afschuwelijks aan de zorg die hij toont voor haar onthoofde hoofd in vergelijking met de zorg die hij voor haar als levend wezen toonde. Ik heb dat moment volledig overgenomen voor Stone Blind,” zegt Haynes.

Ondanks haar woede over de manier waarop Medusa werd behandeld en hoe haar mythe zo verkeerd is begrepen, is Haynes blij met de recente veranderingen in perspectief. “Ze is vooral een symbool geworden voor overlevenden van seksueel misbruik, en dat is buitengewoon,” zegt ze. De Ovidische transformatie van Medusa van verguisd monster tot feministische heldin is duidelijk zichtbaar in de veranderende manier waarop ze in de kunst is afgebeeld. Waar ze ooit een angstaanjagend wezen zou zijn geweest, is SPAWN (2019) een mooie jonge vrouw die ogenschijnlijk over haar lot nadenkt terwijl slangen over haar gezicht kronkelen.

Een minder bekende, uiteindelijk positievere mythe, die volgens Haynes rijp is voor een verfilming, is die van Philemon en Baucis.

“De goden dalen neer van de Olympus om ons te beproeven – er zit bijna een sprookjesachtig element in – en iedereen wijst hen de deur, behalve Philemon en Baucis. Dus besluiten ze iedereen te straffen door de vallei waarin ze wonen te overstromen en hen te verdrinken, maar Philemon en Baucis nemen ze als eersten mee naar hoger gelegen gebied.” Nadat ze de wens hadden geuit om uiteindelijk samen te sterven, veranderen de goden hen, wanneer het moment daar is, in bomen en groeien ze voor de rest van de tijd samen op. “Dat voelt voor mij als een fabel over klimaatverandering,” zegt Haynes.

Haynes’ interpretatie sluit aan bij Scholtens visie op de belangrijkste boodschap in De Metamorfosen. “Achter al deze specifieke en meer gefocuste kwesties schuilt altijd die zorg over de wereld en haar toekomst,” zegt hij. Hoewel goddelijke transformatie centraal staat in het gedicht, is de wereld in gevaar als gewone stervelingen “de wereld blijven beschouwen als iets dat we kunnen veranderen.”

Metamorphoses is tot en met 25 mei te zien in het Rijksmuseum.
EINDE

Wat drijft Israël? Dit zijn de motieven voor de oorlogen in Iran en Libanon

Boven:  Israëlische militairen op de grens met Zuid-Libanon, waar inwoners door het Israëlische leger gewaarschuwd werden te evacueren.

Derk Walters, NRC
Gepubliceerd op19 maart 2026

Wat Donald Trump met Iran wil, is lastig te achterhalen. Vrijwel dagelijks, en soms zelfs meerdere keren per dag, geeft de Amerikaanse president wisselende motivaties voor zijn oorlog.

Daarbij vergeleken zijn de motieven van aanvalspartner Israël duidelijk. In Iran moet het regime weg. In Libanon moet Hezbollah vernietigd worden.

Anders dan Trump heeft de regering-Netanyahu een coherente visie. Een analyse van de Israëlische grondslagen van beleid, in vier delen.

Vergroten door te klikken.

De verwoestingen die Israëlische luchtaanvallen in Beiroet veroorzaken zijn groot.

Dit nooit meer’

Het hedendaagse militarisme in Israël is verbonden met de geschiedenis van het zionisme, zegt Yaron Peleg, hoogleraar moderne Hebreeuwse studies aan de Universiteit van Cambridge. Israël is na de Holocaust zo sterk bezig geweest met ‘dit nooit meer’, aldus Peleg, dat het elke mogelijke dreiging bij voorbaat de kop wil indrukken.

Peleg, per e-mail: „De zionistische militaire capaciteiten, aanvankelijk defensief, vermengden zich met een groeiend Holocaust- of slachtofferdiscours in Israël en ontwikkelden zich tot een extreem agressief militarisme. Je kunt het omschrijven als de gepeste die zelf een pestkop werd. Israël lijkt te compenseren voor een lange geschiedenis van misbruik als gemarginaliseerde gemeenschap, met geweld dat volstrekt buiten proportie lijkt ten opzichte van de bedreigingen.”

Werkt dat ook? Analist Brown wijst op de successen, zoals de adembenemende inlichtingenpositie, het vermogen van het Israëlische leger om zich te bewegen waar het wil en de vijand zware verliezen toe te brengen. Maar, waarschuwt hij, in deze strategie heeft oorlog geen duidelijk eindpunt meer, omdat militaire actie niet langer wordt gebruikt om een stabiele politieke orde te creëren. „In plaats daarvan wordt oorlog de orde zelf.”

DOEL
Permanente veiligheid

Het veranderen van het regime in Iran en het vernietigen van Hezbollah zijn acties met als doel om de veiligheid van Israël te waarborgen. De Australische genocidewetenschapper Dirk Moses van de City University of New York ontwikkelde het concept ‘permanente veiligheid’, dat goed op Israël toepasbaar is. Israël wil zijn inwoners, en bij uitbreiding het hele Joodse volk, permanente veiligheid bieden – en daarvoor moet alles wijken.

Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht

Dirk Moses  Australische genocidewetenschapper

Het streven naar absolute veiligheid betekent ook dat Israël anticipeert op toekomstige bedreigingen. Dit maakt aanvallen op hele bevolkingsgroepen noodzakelijk, om te verhinderen dat er uit dat vijandige volk ooit opstandelingen tegen Israël voortkomen. Dit is volgens Moses ook de rationale achter de totale verwoesting van Gaza: dit moest ervoor zorgen dat Hamas nooit meer Israël kan bedreigen.

Veiligheid is altijd de hoogste prioriteit geweest voor alle Israëlische regeringen, zegt Moses. „Zogenaamd progressieve Israëlische regeringen hebben sinds eind jaren veertig etnische zuivering, collectieve bestraffing en land- en eigendomsdiefstal in de praktijk gebracht. Dit zijn de basisprincipes van elke koloniale staat: geen inheems volk geeft vrijwillig zijn land op.”

Een appartement in Tel Aviv wordt geïnspecteerd nadat het geraakt is bij een Iraanse raketaanval, waarbij twee doden vielen. Het Israëlische leger bij de grens met het zuiden van Libanon.

De regering-Netanyahu heeft dit volgens Moses naar een „hoger, intensiever niveau” getild, door te pleiten voor permanente controle, de uitbreiding van nederzettingen en het verwerpen van het tijdelijke karakter van de bezetting op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Deze aanpak is gericht op het actief hervormen van het Midden-Oosten.

In Libanon, zegt Moses, past Israël sinds 2024 de ‘Dahiya-doctrine’ toe: de massale vernietiging van infrastructuur en het vergiftigen van landbouwgrond om gebieden onbewoonbaar te maken. „Voorstanders prijzen dit als een manier om oorlogen te verkorten door de prijs voor de vijand ondraaglijk hoog te maken. Maar het schendt wel het beginsel van proportionaliteit in het humanitair oorlogsrecht.”

Inherent paranoïde

De Israëlische „hyperwaakzaamheid”, zoals Moses het noemt, is „inherent paranoïde”, en kan juist een onveilige situatie opleveren: als je iedereen als een potentiële doodsvijand behandelt, creëer je juist de bedreigingen die je wilde voorkomen. Hij ziet deze strategie als een „selffulfilling prophecy”: je escaleert oorlogen en radicaliseert vijanden, voor wie je vervolgens weer extra op je hoede moet zijn.

Een belangrijk onderdeel van de permanente veiligheidsstrategie is het fundamenteel destabiliseren en ontmantelen van buurlanden. Moses: „Dat is nu ook het doel in Iran: de staat verzwakken, meer nog dan het regime vervangen. Net als in Irak, Syrië en Libië na 2003. Dit is de chaosstrategie. Dat is slecht voor de stabiliteit in de wereld, maar in de ogen van Israëlische leiders goed voor Israël.”

Zoals Henry Kissinger al in 1957 schreef: „Absolute veiligheid voor één macht betekent absolute onveiligheid voor alle anderen.”

Het idee om alles te controleren om totale veiligheid te bereiken, is volgens Moses hoogmoedig. „En hoogmoed komt voor de val, zou je denken. Maar dat gaat niet altijd op. Koloniale staten als de VS en Australië zijn erin geslaagd om de inheemse bevolking permanent te verdrijven.”

METHODE
Kopstukken liquideren

In Iran past Israël een kenmerkende methode toe: als je de vijandelijke leider geliquideerd hebt, en hij wordt vervangen, dan probeer je ook die vervanger zo snel mogelijk te doden. Hiermee hoopt Israël de vijand te desorganiseren en permanente schade aan te brengen aan zijn leiderschapscapaciteiten.

Vooral deze week sloeg Israël hard toe: dinsdag vermoordde het Ali Larijani van de Iraanse Nationale Veiligheidsraad en commandant Gholamreza Soleimani van de paramilitaire Basij-milities, woensdag minister Esmaeil Khatib (Inlichtingen). Volgens The Wall Street Journal gooide Israël al zo’n tienduizend bommen op leden van het regime, waarbij er ook „duizenden” zijn omgekomen.

De Israëlische minister Israel Katz (Defensie) zei dat hij het leger carte blanche gegeven heeft om Iraanse kopstukken te doden, of, in zijn woorden: „herhaaldelijk de kop van de octopus af te hakken en te voorkomen dat hij verder groeit”. Daarbij maakt Israël geen onderscheid tussen hardliners en meer gematigde vijandelijke leiders. Hierdoor reduceert Israël ook de kans om met de vijand tot een vergelijk te komen.

Volgens Israël verloopt de liquidatiecampagne succesvol: de Iraanse commandostructuur is verstoord en het moreel van de veiligheidstroepen ondermijnd. Ooggetuigen melden tegenover westerse media dat Iraanse veiligheidstroepen flink in paniek zijn. Het vervolgdoel zou zijn dat het regime zo verzwakt raakt dat het Iraanse volk het omver kan werpen. Zover is het nog niet.

Tweede of derde garnituur

Het liquideren van vijandelijke kopstukken is geen nieuwe methode. De afgelopen decennia deed Israël dit al met tal van leiders van vijandelijke milities.

Volgens de Palestijns-Amerikaanse historicus Rashid Khalidi van de Columbia-universiteit in New York heeft de decennialange liquidatiecampagne tegen Palestijnse leiders erin geresulteerd dat de tweede of zelfs derde garnituur overbleef om de toch al gedecimeerde Palestijnse Autoriteit te besturen. De geliquideerde leiders, aldus Khalidi in zijn boek De honderdjarige oorlog tegen Palestina, behoorden tot de beste en meest effectieve; „door hun verlies bleven de Palestijnen achter met een minder dynamische en zwakkere organisatie”.

Maar aan deze strategie kleven ook risico’s. In The New York Times waarschuwt Ami Ayalon, oud-leider van de Israëlische inlichtingendienst Shin Bet, voor chaos als zijn land de Iraanse elites blijft uitdunnen. Daarbij verwijst hij naar Irak, dat na de eliminatie van het bewind van Saddam Hoessein decennialang vrijwel onbestuurbaar was.

IDEOLOGIE
Groot-Israël

Het militarisme en de bufferzones gaan hand in hand met een ideologisch doel van deze Israëlische regering: gebiedsuitbreiding. Met name Smotrich verklaart openlijk dat hij een zo groot mogelijk deel van de Westelijke Jordaanoever bij Israël wil trekken, Gaza opnieuw wil bezetten en Zuid-Syrië wil veroveren tot aan Damascus.

Smotrich is geen uitzondering; ook Netanyahu zelf voelt zich „zeer verbonden” met een ‘Groot-Israël’. De Likud-partij van de premier heeft historische wortels in een stroming van het zionisme die gebiedsuitbreiding verlangt. Zijn irredentisme – het streven naar annexatie van gebieden buiten het eigen grondgebied die bij het land ‘horen’ – is dus geen verrassing.

De maximalisten vinden dat het grondgebied voor het Joodse volk zich zou moeten uitstrekken van de Nijl tot de Eufraat. Een minder ruime opvatting van Groot-Israël is ‘Eretz Israël’. Dit eveneens op de Bijbel gebaseerde ‘Land van Israël’ omvat behalve Palestina ook delen van Syrië, Jordanië en Libanon.

Het gebied in Libanon dat Israël wil evacueren komt aardig overeen met het grondgebied van de twee noordelijkste bijbelse stammen van Israël: Asher en Naftali. Sommige zeloten vinden dat Israël daarom recht heeft op dit gebied.

Recht van de sterkste

Het innemen van andermans grondgebied is illegaal volgens het internationaal recht. Maar sinds de inname van het Oekraïense schiereiland de Krim door Vladimir Poetin, in 2014, heeft het recht van de sterkste aan terrein gewonnen. Dat geldt ook voor Israël, dat behalve Gaza stukjes Libanon en Syrië heeft ingenomen.

Een deel van de Groot-Israël-gedachte wordt al in de praktijk gebracht, constateert hoogleraar Moses. „Iedereen kan de voortschrijdende annexatie van de Westelijke Jordaanoever zien, in de vorm van apartheid die alle rechten aan Joden toekent en geen rechten aan Palestijnen, maar ook van meer dan de helft van Gaza, evenals Syrië.”

Dit patroon van „defensief imperialisme”, zoals Moses het noemt, is gebruikelijk in de wereldgeschiedenis: expansie in naam van veiligheid, waardoor nieuwe vijanden ontstaan ​​en de drang tot verdere expansie wordt aangewakkerd. „Het is een intern gegenereerde dynamiek met Amerikaanse aanmoediging: denk aan de zegen van de Amerikaanse ambassadeur dat Israël zijn grenzen zou kunnen uitbreiden tot de bijbelse grenzen, die ook zijn buurlanden zouden omvatten.”

EINDE

De schoonheid is de schuldige. Hoe Ovidius’ Metamorfosen in het Rijksmuseum worden verbeeld

Boven:  Caravaggio, Narcissus. 
Galleria Nazionale d'Arte Antica, Rome.

ESSAY

Metamorfosen 
De ‘Metamorfosen’ van de Romeinse dichter Ovidius inspireren al 2000 jaar kunstenaars. In het Rijksmuseum is nu de rijke oogst te zien, van Bernini tot Bourgeois. Maar waarom hebben zoveel verhalen met verkrachting te maken?

Bianca Stigter, NRC
Gepubliceerd op 6 februari 2026

Vergroten door te klikken


In het laatste boek van de Metamorfosen, tweeduizend jaar geleden geschreven door Ovidius, vraagt de Romeinse dichter zich af: de pauw, de arend, de duif, ja elke vogelsoort: „Wie zou geloven dat die werden geboren uit een ei, als hij niet zou weten dat het zo gebeurde?” 

Gedaantewisselingen in de natuur kunnen behoorlijk spectaculair zijn, met de rups die in een vlinder verandert als overtreffende trap. Maar, zoals de Nederlandse dichter Hans Faverey niet tweeduizend, maar 36 jaar geleden schreef:  „De mooiste vogel, die door ijsvogels/ kan worden gemaakt, is zelf/ een ijsvogel.” 

Ook mensen kunnen niets anders maken en zijn dan mensen. Dat was al zo in de tijd van Ovidius en in de tijd daarvoor, nooit was er een paradijs waarin een mens een vlinder kon worden, of een zeehond (graag, graag!). Mens zijn we, mens zullen we blijven, tot we tot stof vergaan. Zelfs een ander mens worden zit er niet in. We zijn veroordeeld onszelf te blijven.  

Een uitweg biedt de fantasie, de religie, de verbeelding, de kunst, met als stip op 1 het epische gedicht van Ovidius, waarin hij de toen en daar (Rome, 8 n. Chr.) bekende mythes over gedaantewisselingen tot een geheel smeedde, van de schepping van de aarde tot zijn eigen tijd. En opeens kan het wel, kan het steeds, weer en weer en weer, mensen kunnen aan hun eigen soort ontsnappen en een god, een ster, een boom, een hert, een koe, een stier, een beer, een bloem, een zwaan, een nachtegaal, een zwaluw, een ijsvogel worden.  

Giovanni Luteri, genaamd Dosso Dossi (ca. 1487–1542), ‘Apollo Ferrara’, ca. 1525. 
 GALLERIA BORGHESE/MAURO COEN

Daarover lezen is goed, het zien is nog beter; geschilderd of gebeeldhouwd lijken gedaanteverwisselingen nog meer mogelijk. Zien is tenslotte geloven, en de drang tot realisme, altijd een van de motoren van de westerse kunst, biedt kunstenaars in de gedaanteverwisselingen een geweldige uitdaging. Nog steeds wordt bijvoorbeeld het beeld uit de zeventiende eeuw van de god Apollo en de nimf Daphne, die in een laurierboom aan het veranderen is, haast extatisch beschreven. Gian Lorenzo Bernini maakte van „hard marmer zachte huid, die verandert in ruwe bast op de plaats waar Apollo’s hand zich om Daphnes middel sluit. De vaardigheid waarmee Bernini textuur uithouwt in steen en de grenzen tussen natuur en mens, materiaal en onderwerp in elkaar laat overvloeien is ongeëvenaard”, staat in de catalogus van de tentoonstelling over de Metamorfosen die nu in het Rijksmuseum te zien is.  

Bijbel voor kunstenaars

De verhalen die Ovidius inspireerden hebben via hem duizenden kunstenaars geïnspireerd, van beeldhouwers uit de oudheid tot fotografen uit de eenentwintigste eeuw. Karel van Mander noemde de Metamorfosen begin zeventiende eeuw een bijbel voor kunstenaars, en publiceerde in 1604 naast zijn beroemde Schilderboek ook een Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ouidij Nasonis. Na de Bijbel moet het boek van Ovidius wel een van de meest geraadpleegde bronnen zijn voor kunstenaars en op deze expositie zijn dat niet de minsten. Bernini, Michelangelo, Titiaan, Poussin en ook Rodin, Brancusi, Bourgeois en Mendieta, er is werk van de allergrootsten in alle zalen. 

Metamorfosen is de laatste tentoonstelling van conservator beeldhouwkunst Frits Scholten. Misschien is het door zijn keuzes dat de beeldhouwkunst op deze tentoonstelling de meeste indruk weet te maken. De tentoonstelling morrelt ook elders aan het primaat van de schilderkunst. Er zijn tapijten, bokalen en curiosa te bewonderen, waarbij een stuk bloedkoraal bijvoorbeeld dienst kan doen als hertengewei, op een beker van goud uit begin zeventiende eeuw, die de door de godin Diana in een hert veranderde Actaeon voorstelt.

Curieus is een uit allemaal fallussen opgebouwd hoofd op een majolica schotel. Dit ‘lullenbord’ uit 1536 hangt in een van de laatste zalen, waar de band met de door Ovidius verzamelde mythen een beetje wordt losgelaten en allerlei transformaties te zien zijn, bijvoorbeeld een uit groente en fruit opgebouwd portret van keizer Rudolf II door Arcimboldo. Aan weerszijen van de deuropening hangen twee werken waarin de mens mens blijft, aan de ene kant een kinderkopje van Medardo Rosso uit 1891, dat dankzij het licht uit de bijenwas tevoorschijn wordt getoverd, aan de andere kant een reeks van zeven foto’s van Roman Opalka die zichzelf zo hetzelfde mogelijk heeft vastgelegd en zo zijn ouder worden etaleert.

En als je die deuropening doorgaat kom je bij het topstuk van de tentoonstelling, de Slapende Hermaphroditus, ook van Bernini, nou half van Bernini. Het gaat om een antiek beeld dat in 1619 in Rome werd opgegraven. Bernini kwam op het idee om de gestalte op een door hem uit marmer gehouwen matras neer te leggen, die onder het gewicht van het beeld lijkt in te deuken.  

Levende slangen 

Maar zover zijn we nog niet. We lopen even terug naar de eerste zaal. De tentoonstelling begint, hoe kan het ook anders, met een boek, een Nederlandse uitgave van de Metamorfosen uit 1557 die de tekst beperkt tot een paar regels onder een houtsnede van Bernard Salomon. Het boek is opengeslagen op de bladzijde waar Daphne in een laurierboom verandert. Dat is een van de grote genoegens van deze tentoonstelling: kijken hoe kunstenaars door de eeuwen heen met steeds andere middelen dezelfde transformatie hebben verbeeld.  Er hangt ook nog een fors schilderij van Dosso Dossi dat deze mythe verbeeldt, maar hier is de gedaanteverwisseling van Daphne bijzaak, alle aandacht gaat naar Apollo. En dan is er nog een wandtapijt van Clemente Maioli uit circa 1660, waar ook de handen van Daphne al takken zijn geworden en haar rechtervoet een stronk. 

In de catalogus staan nog meer werken over deze mythe, een van de bekendste uit het Ovidiaanse repertoire. Die zijn niet op de tentoonstelling te zien. Ook de Apollo en Daphne van Bernini uit de Galleria Borghese ontbreekt. De tentoonstelling is een samenwerking met dit museum in Rome en zal daar vanaf eind juni te zien zijn. Maar slechts een kwart van de werken zal volgens de catalogus op beide locaties aanwezig zijn. Dat heeft niet alleen met de kwetsbaarheid van de kunst te maken. De meeste hedendaagse werken, waaronder een groot videowerk van Juul Kraijer, een nieuwe interpretatie van Medusa en haar slangenhaar met levende slangen, reizen bijvoorbeeld ook niet naar Rome. 

Verkrachtingen 

Ovidius echoot met zijn verhalen tot in het heden, tot de Epstein Files, AI, plastische chirurgie, et cetera. Alles verandert, niets gaat teloor, zoals de dichter zei. Echo, echo.  

Niet alle metamorfoses uit Ovidius blijken onder kunstenaars even populair. Het verhaal over Alcyone en Ceyx die in ijsvogels veranderden ontbreekt bijvoorbeeld in het Rijks. Daar geliefde verhalen zijn die van Pygmalion, Arachne, Leda en de Zwaan, Europa en de stier, Medusa, Narcissus en de al genoemde Apollo en Daphne. Wat opvalt, is dat zoveel verhalen met verkrachtingen te maken hebben. Van de ongeveer 250 verhalen die in de vijftien boeken van Ovidius voorkomen, draait het zo’n vijftig maal om een verkrachting of een poging daartoe, telde in 1978 de classicus Leo Curran.  

Wat zegt dat over onze cultuur? En wat zegt het over onze cultuur dat afbeeldingen van die verkrachtingen en pogingen tot verkrachtingen zo mooi, zo godvergeten mooi worden afgebeeld en dan zo hevig bewonderd? Is dat niet alsof je een moord misschien wel veroordeelt maar tegelijkertijd vooral het moordwapen prijst; het ingelegde ivoor, het glimmende metaal, de snelheid van de kogel? 

Een flink deel van de metamorfoses betreft een god die zich vermomt om, meestal, een schoonheid te kunnen verkrachten. Na de verkrachting verandert hij weer terug. Die flexibiliteit is de andere groep gedaanteverwisselaars, de nimfen, de mooie meisjes en jongens, niet gegeven. Als zij veranderen blijven ze meestal veranderd. Daphne kan niet weer mens worden. Ze is boom en ze blijft boom. Zonder macht en zelfs zonder stem. 

Ovidius schrijft wel met mededogen over deze ontmenselijkte mensen. En het opnemen van zoveel verhalen over verkrachting suggereert op zijn minst dat Ovidius voelde dat zulk geweld een kritische bevraging waard was, zoals Stephanie McCarter in haar nieuwe Engelse vertaling van de Metamorfosen (2022) stelt. Geldt dat ook altijd voor de kunstenaars die de dichter heeft geïnspireerd?  

Wraak

Ovidius geeft schoonheid vaak de schuld, ook in het verhaal over Daphne. „Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn!”, vraagt de nimf aan haar vader, een riviergod, in de Nederlandse vertaling van M. d’Hane-Scheltema. „Verander mijn gedaante, waarmee ik te veel succes had”, vertaalt Piet Schrijvers.  

De wraak van Apollo voor het niet krijgen van zijn buit is dat Daphne ook als boom mooi blijft en de bladeren zal leveren voor lauwerkransen. In de kunstwerken van voor 1900 op de tentoonstelling, vooral gemaakt door mannen, lijkt schoonheid, niet die van de personages maar die van de werken zelf, op zijn minst onverschillig ten opzichte van hun lot. Laten we maar niet beginnen over Pygmalion, een geliefd onderwerp voor kunstenaars en kunsthistorici omdat het de kunstenaar vergelijkt met een god of met god, beide scheppers, en wat schept hij dan? Een vrouw. Geheel naar zijn eigen wensen.  

Of zijn de kunstenaars een soort parasieten, vliegen op de stroop, muggen bij het licht, bloedzuigers die zich aan schoonheid en leed laven? In haar gedicht Mythic Fragment (1985) over Daphne, uit haar bundelThe Triump of Achilles, nee even verderop in haar gedicht Hyacinth, ook over een metamorfose, ditmaal van een jongen in een bloemschrijft de Amerikaanse dichter Louise Glück „Beauty dies. That is the source of creation.”  Zou je dat kunnen opvatten als: schoonheid sterft en dat sterven is de bron van alle schepping, van alle kunst? De uitspraak is vaag en dubbelzinnig, zoals poëzie, ook die van Ovidius zelf, nu eenmaal is, maar hij lijkt toch een diepe, verschrikkelijke waarheid te bevatten. Wat mooi is sterft en komt weer tot leven in de kunst, bijvoorbeeld?

In de hedendaagse werken van vrouwen op de expositie, naast de Medusa van Kraijer, onder meer een soort Daphne van Femmy Otten, is een aanzet te zien tot een andere , minder doemrijke omgang met de oude verhalen en hun gevolgen. Medusa jaagt hier geen vrees aan, Daphne vraagt geen medelijden. Toch doet geen van deze versies je nog naar gedaanteverwisselingen verlangen. Blijf maar mens, schoenmaker.

Metamorfoses die min of meer gelukkig eindigen, zoals die over de ijsvogels, zijn er wel, maar het zijn er niet veel en ze zijn nog minder vaak afgebeeld. In het Rijksmuseum ontbreken ze. Of toch, zou de slapende Hermaphroditus op diens naturalistische matras er een kunnen zijn? Het beeld, geleend van het Louvre, blijkt borsten en een penis te bezitten, volgens Ovidius is het een „gestalte die geen man of vrouw kan heten, maar geen of elk van beide”. Hermafrodiet graag! Maar ook hier wordt de verandering ingezet door een verkrachting. Hermaphroditus was de mooie zoon van Hermes en Aphrodite op wie de nimf Salmacis verliefd wordt. Hij gaat zwemmen in haar bron. Zij grijpt hem maar hij wil haar niet. De goden verhoren haar gebed om altijd samen te zijn.  

Tentoonstelling: Metamorfosen. Ovidius en de kunsten. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 25 mei. Catalogus €40,- Info: Rijksmuseum.nl 
EINDE

Antisemitisme put uit een altijd beschikbaar reservoir vol anti-Joodse mythen

Bart Funnekotter, NRC

Gepubliceerd op 2 november 2023

Afbeeldingen vergroten door te klikken

9-4-2024: dit artikel is opnieuw relevant omdat het het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) dinsdag cijfers over antisemitisme heeft gepubliceerd: dit jaar zijn 2,5 keer zoveel incidenten geregistreerd in Nederland als het jaar ervoor. 

Pogrom is een Russisch woord, het betekent zoiets als ‘vernietiging’. De term ontstond aan het eind van de negentiende eeuw toen tsaristisch Rusland geteisterd werd door een golf van antisemitische moordpartijen. Afgelopen zondag klonk er een echo uit dat verleden: een woedende menigte bestormde op het vliegveld van de Dagestaanse stad Machatsjkala een vliegtuig dat afkomstig was uit Israël.

Door de oorlog tussen Israël en Hamas is het fenomeen antisemitisme helemaal terug van nooit weggeweest. De pogrom van Machatsjkala bleef zonder slachtoffers, maar dat gold niet voor die van Alexandrië (38 n.Chr.), het Rijnland (1096), Brussel (1370), Lissabon (1506), Sanaa (1679), Odessa (1905) en de Duitse Kristallnacht (1938), om maar enkele van de meest beruchte geweldsexplosies uit een lange reeks te noemen.

Het kwaad van het antisemitisme blijkt dus hardnekkig. Dat roept de vraag op hoe het kan dat Joden in zulke verschillende maatschappijen op zulke verschillende momenten in de geschiedenis telkens weer te maken krijgen met haat en vervolging. Is er een rode draad – religieus, cultureel, politiek – die al deze gebeurtenissen met elkaar verbindt?

„Nee – en ja”, zegt historicus David Feldman. Hij is hoogleraar aan de Universiteit van London en directeur van het Birkbeck Institute for the Study of Antisemitism. „Het is niet zo dat al deze gebeurtenissen eenzelfde soort trigger hebben; dus dat als aan voorwaarden a, b en c voldaan is, je vanzelf een antisemitische uitbarsting krijgt. Het is wél zo dat er iedere keer wordt teruggegrepen op een reservoir met anti-Joodse ideeën dat gedurende meer dan tweeduizend jaar is gevuld.”

De Joden deden dit elk jaar op een vaste tijd. Dan vingen ze een Griek op doorreis, mestten hem een jaar lang vet, brachten hem vervolgens naar een bos, slachtten hem, offerden zijn lichaam volgens hun gebruik en proefden zijn ingewanden.

De Joods-Romeinse historicus Flavius Josephus (37-100) beschrijft de mythe dat Joden bloedoffers zouden brengen

Bart Wallet, hoogleraar vroegmoderne en moderne joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, beaamt dat. „Het gaat om een repertoire van anti-Joodse mythen, sprookjes en iconografische afbeeldingen die een plek innemen in het cultureel archief van Europa. Er komen voortdurend nieuwe beelden bij, terwijl er bijna nooit iets uitgaat.”

Enkele voorbeelden uit deze verzameling: Joden hebben te veel macht, ze beheersen politiek en media; er bestaat een mondiale Joodse samenzwering; Joden zijn loyaal aan elkaar, niet aan het land waar ze wonen; Joden zijn kapitalisten; Joden zijn communisten; Joden gebruiken het bloed van christenen en moslims voor hun rituelen. 

Deze beelden die zijn heel fluïde en dynamisch, zegt Wallet. „Ze kunnen zich goed aanpassen aan nieuwe situaties. Vaak zijn ze stilletjes op de achtergrond aanwezig: ze zijn er, maar doen er niet echt toe. Totdat er iets gebeurt, totdat er een crisissituatie ontstaat. Dan wordt er uit dat repertoire geput en bieden deze ideeën een makkelijke, snelle verklaring voor ingewikkelde maatschappelijke problemen.”

Het is belangrijk om te begrijpen dat mensen die zich bedienen van dit soort beelden meestal niet gek zijn, benadrukt David Feldman. „Voor hen is dit kennis, geen bijgeloof.”

Gruwelijke gewoonte

Hoe raakte dit reservoir gevuld? Veel mensen denken dat de afkeer van Joden geboren werd in 33 na Christus, toen Jezus Christus in Jeruzalem gekruisigd werd, maar dat klopt niet, zegt Jessica Roitman, hoogleraar Joodse studies aan de Vrije Universiteit. „Volgens mij ligt het begin al eerder, in de Hellenistische tijd.”

In deze periode van 300 voor tot 30 na Christus, toen de opvolgers van Alexander de Grote het Midden-Oosten bestierden, werden Joden soms ook al met afschuw bezien. Roitman: „Griekse etnografen beschreven graag de volkeren met wie ze in contact kwamen. Joden besneden hun pasgeboren jongetjes, en dat vonden deze auteurs een gruwelijke gewoonte. Ze vonden het ook bizar dat Joden geen varkensvlees aten. Hier zie je voor het eerst dat de mensen die wij nu Joden noemen bij elkaar in één groep worden gestopt – een groep die wordt gekenmerkt door vreemde, afkeurenswaardige gewoontes.”

Het Joodse monotheïsme zorgde in een polytheïstische wereld ook voor opgetrokken wenkbrauwen, zegt Roitman. Het sprak voor iedereen vanzelf dat je te maken kreeg met andere goden als je van het ene naar het andere gebied reisde, maar alleen de Joden vonden dat hún God overal aanbeden moest worden. Zo ontkiemde het idee dat Joden eerst loyaal zijn aan zichzelf en pas daarna aan de plek waar ze leven.”

En de vijanden droegen hen weg, sleepten hen weg en gooiden hen weg en lieten niemand van hen over, behalve een paar, die ze geweld aandeden door hen tegen hun wil te dopen met stinkend water.

Kroniekschrijver Salomo bar Simson  over een pogrom in Worms in 1096

Nadat de Romeinen de Levant veroverden, werd het er voor de Joden niet beter op. De latere keizer Titus vernietigde in het jaar 70 de tempel in Jeruzalem en verdreef de Joden van hun land. Deze diaspora (Grieks voor ‘verstrooiïng’) was uitzonderlijk, zegt Roitman: „De Romeinen hadden in hun hele rijk te maken met opstanden van veroverde volken, maar de koppige onwil van de Joden om zich te voegen naar het keizerlijk gezag wekte grote woede op. Waarom wilden ze geen deel uitmaken van dit fantastische project?”

Terwijl de Romeinen de provincie Judea zuiverden, kreeg in hun rijk een van oorsprong Joodse sekte voet aan de grond. Zeker nadat de volgers van Jezus van Nazareth besloten ook niet-Joden in hun gelederen toe te laten, nam het aantal christenen snel toe. „Je ziet de weerslag hiervan in de evangeliën, waarin het leven van Jezus geboekstaafd is”, zegt Roitman. „In de vroegste evangeliën is de beslissing om de Messias te kruisigen echt een besluit van de Romeinen, maar in het laatste evangelie, dat van Johannes, is de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus meer een schoorvoetende uitvoerder van de wil van de Joodse bevolking.”

Levende relieken

Met het optreden van de apostel Paulus, die de wijde wereld introk om het nieuwe geloof te verspreiden, ontstond het idee dat het Judaïsme een oude religie was, zegt David Feldman. „De Joodse religie was echt niet meer van deze tijd. Er was nu een nieuw convenant, dus het had volgens christenen geen zin meer om Joods te zijn. Het werd Joden enorm kwalijk genomen dat ze bleven volharden in hun afwijzing van Jezus als de Messias.”

Begin vierde eeuw bekeerde de Romeinse keizer Constantijn zich tot het christendom, waarna de rest van het rijk volgde. Feldman: „Toen werd het nog gevaarlijker voor de Joden, omdat ze nu ook de officiële staatsgodsdienst saboteerden. In de loop van de tijd werden de kruisiging van Christus en zijn afwijzing als de Messias gezien als een Joodse samenzwering, een daad die inging tegen het algemeen belang.”

Christelijke theologen braken zich het hoofd over wat er met de Joden moest gebeuren, zegt Jessica Roitman. „De vierde-eeuwse kerkvader Augustinus van Hippo zei: we moeten de Joden niet doden. Het zijn levende relieken, voorbeelden van een volk zonder thuisland, een waarschuwing voor wat er gebeurt als je Christus niet accepteert.”

Waar een Jood zich ook vertoonde, hij werd gestenigd of neergeknuppeld – hoewel hij de fatale klappen niet onmiddellijk kreeg, opdat een al te snelle dood hem de pijn niet al te zeer zou besparen.

De hellenistische Joodse filosoof Philo van Alexandrië over de pogrom van het jaar 38 in zijn stad

Hun positie als outsiders die geen land mochten bezitten en geen lid konden worden van een gilde, zorgde ervoor dat sommige Joden tijdens de Middeleeuwen hun heil zochten in het uitlenen van geld tegen rente. Dat was christenen in principe verboden, zegt Roitman. „Het kwam regelmatig voor dat een heerser de Joden van zijn grondgebied wegstuurde omdat ze het bloed van een baby zouden hebben gedronken, of iets dergelijks. Maar dit was dus een beeld uit het reservoir van antisemitische ideeën dat een koning kon gebruiken om van zijn schulden af te komen.” Grootschalige uitzettingen van Joden vonden onder meer plaats in Engeland (1290), Frankrijk (1306) en Spanje (1492).

Recent onderzoek wijst overigens uit dat er in de Middeleeuwen ook veel niet-Joodse geldschieters waren, zegt David Feldman. „De connectie tussen Joden en geld stak de kop op in de twaalfde eeuw, toen christelijke moraaltheologen een oproep deden tot een spiritueel reveil. Ze vonden de maatschappij te materialistisch en waarschuwden dat christenen te ‘Joods’ werden. Wat zo begon als een analogie, eindigde met vervolging.”

Enig perspectief

De Reformatie van Maarten Luther leek de Joden aanvankelijk enig perspectief te bieden, zegt Bart Wallet. „In zijn geschrift Das Jesus Christus ein geborener Jude sei uit 1523 zette Luther uiteen dat hij best begreep dat Joden niks moesten hebben van de katholieke kerk: dat was immers een instituut dat het geloof totaal gecorrumpeerd had. Sommige protestanten zagen Joden daarom zelfs als medestanders in hun strijd tegen de kerk.”

Die gevoelens van verbondenheid verdwenen nadat bleek dat de Joden ook niet geneigd waren zich aan te sluiten bij dit nieuwe geloof. Wallet: „Luther had ze bij wijze van spreken allemaal verwacht bij de doopvont in Wittenberg. Toen dat niet gebeurde, greep hij in latere geschriften terug op het traditionele corpus van anti-Joodse beelden en schreef bijzonder antisemitische teksten.”

Ik heb vele geschiedenissen gelezen en gehoord over Joden […] dat zij de bronnen vergiftigden, kinderen stalen […] zo ook dat een Jood een ander door bemiddeling van een christen een pan vol bloed deed toekomen.

Maarten Luther  in ‘Von den Juden und ihren Lügen’ uit 1543

Twee eeuwen later stelden de Joden na de Romeinen, katholieken en protestanten opnieuw een vernieuwingsbeweging teleur met de taaiheid waarmee ze vasthielden aan hun eigen geloof en gebruiken. Het tijdperk van de Verlichting was aangebroken en daarom was hun stokoude religie nu helemáál een anachronisme geworden, vonden belangrijke filosofen. Wallet: „Aan de ene kant werden Joden door Verlichtingsdenkers als individuen geaccepteerd, maar aan de andere kant werd er op hun collectief en religieuze traditie neergekeken. Voltaire vond katholieken al een groot probleem in een verlichte wereld, maar Joden helemáál. De Duitse filosoof Immanuel Kant sprak zelfs over de noodzaak van een ‘euthanasie op het Jodendom’.”

Karl Marx heeft dit fenomeen later goed uitgelegd, vindt Wallet. „Joden zijn een soort projectiescherm van alles waar we tégen zijn, concludeerde hij. Het gaat daarbij nooit over het reële Jodendom. Niemand is geïnteresseerd in dat reële Jodendom. Het Jodendom is het ultieme ‘tegenover’, waardoor je je eigen positie scherp kunt formuleren. Wrang genoeg bezondigde Marx zich daar zelf ook aan door Joden als de ultieme kapitalisten af te schilderen.”

De negentiende eeuw waarin Marx leefde was de eeuw van het nationalisme. Overal in Europa wilden mensen die zich beschouwden als één volk hun eigen land hebben. Daarbij zorgden de over het hele continent verspreide Joden voor een probleem, helemaal als ze hun best deden om op te gaan in die nieuwe natie, zegt Roitman. „Dit was de tijd van ‘een Duitser op straat, een Jood thuis’. Als ze allemaal bij elkaar in een getto zaten, had je nog wel overzicht, maar nu werd het moeilijk om te bepalen wie een Jood was en wie niet. Dat zorgde voor allerlei angsten. Want waren deze nu onzichtbare Joden wel écht loyaal aan hun land en niet aan andere Joden in het buitenland?”

Uiteindelijk zal men in [de Joden] slechts een onwetend en barbaars volk vinden, en barbaarse mensen die al lange tijd de smerigste hebzucht verbinden met het afschuwelijkste bijgeloof en de onoverkomelijkste haat tegen alle volkeren die zij tolereren en aan wie zij zichzelf verrijken.

De Franse denker Voltaire  in zijn ‘Dictionnaire philosophique’ uit 1764

Naast deze twijfels over een mogelijke internationale Joodse samenzwering, werd de positie van Joden in de nieuwe natiestaat nog door iets anders bedreigd, zegt David Feldman. „Het idee van de natie als een christelijke gemeenschap werd aan het eind van de negentiende eeuw vervangen door het idee van de natie als een gemeenschap van ras. Daardoor bleven zelfs Joden die zich bekeerd hadden, zoals de Britse premier Benjamin Disraeli, kwetsbaar voor antisemitisme. Hij kon er zijn hele leven nooit écht bij horen.”

Rondom de overgang tussen de negentiende en twintigste eeuw bereikte het antisemitisme een nieuw hoogtepunt, vooral in Oost-Europa, waar de liberale gedachte dat alle inwoners van een land gelijkwaardig zijn nooit echt voet aan de grond gekregen had, zegt Bart Wallet. „Dat leidde aan de ene kant tot het ontstaan van het zionisme: het idee onder Joden dat ook zij één volk waren dat een eigen staat nodig had. Aan de andere kant verscheen er een boek als De protocollen van de wijzen van Zion. Dat was een in 1903 door de tsaristische geheime dienst vervalst document over een zogenaamd plan van de Joden om de wereldheerschappij te bemachtigen.”

Intersectionaliteit

Vanaf het eind van de negentiende eeuw kwam de trek op gang van Europese Joden naar het grondgebied waarvandaan hun volk negentien eeuwen eerder verdreven was. „Er hadden daar al die tijd Joden geleefd, maar dat was een kleine minderheid”, zegt Roitman. „Ze hadden het er niet zo slecht gehad als in Europa. Wie zijn belasting als ongelovige betaalde, kon meestal in vrede leven, al was er niet altijd sprake van tolerantie. Ook onder moslims kregen Joden te maken met vervolging.”

In het Midden-Oosten bestonden al lang negatieve stereotypen over Joden, bevestigt Bart Wallet. „Maar je merkt dat extreme antisemitische ideeën uit Europa daarmee vermengd raakten. De vertalingen in het Turks en Arabisch van De protocollen van de wijzen van Zion vonden gretig aftrek.”

De zwartharige Jodenjongen loert urenlang, satanische vreugde op het gezicht, op het nietsvermoedende meisje dat hij met zijn bloed schendt en daarmee ontrooft aan haar volk.

Adolf Hitler  in Mein Kampf (1924)

Palestina maakte tussen 1516 en 1917 deel uit van het Ottomaanse rijk. Na 1917 hadden de Britten het er voor het zeggen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour beloofde in dat jaar aan Lionel Rothschild, een lid van een bekende bankiersfamilie, dat de Joden met ‘zionistische aspiraties’ recht hadden op een ‘nationaal thuis’ in Palestina.

Dat thuis kwam er pas na de Shoah, een uitbarsting van antisemitisme waarbij zes miljoen Europese Joden op industriële wijze werden vermoord. De Joden in Palestina kwamen in 1948 in opstand tegen het Britse gezag en stichtten de staat Israël – deels op land dat bewoond werd door Palestijnen. Zij werden verdreven. Feldman: „Israël pakte land af en is dat blijven doen. Het werd een bezettende macht na de Zesdaagse Oorlog van 1967 waarbij Gaza en de Westelijke Jordaanoever werden ingenomen. Zolang gerechtigheid wordt onthouden aan Palestijnen, creëert dat anti-zionisme. Dat is geen antisemitisme – maar kan daar wel in overgaan.”

Dat vindt ook Jessica Roitman: „Anti-zionimse en antisemitisme kunnen naast elkaar bestaan. Er zijn zelfs orthodoxe Joden die anti-zionisten zijn. Of de grens tussen het ene en het andere fenomeen wordt overschreden, moet echt van geval tot geval worden bekeken. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen waarom iemand zich specifiek druk maakt om het lot van de Palestijnen en niet om dat van de Oeigoeren. Dat is geen flauwe whataboutism. Misschien heeft het er wel mee te maken dat iemand niet houdt van Joden met macht.”

De Joden zijn van plan uw vrouwen aan te randen, uw kinderen om te brengen en u te vernietigen. Volgens het moslimgeloof is de verdediging van uw leven een plicht die alleen door de vernietiging van de Joden vervuld kan worden.

Mohammad Amin al-Hoesseini, de grootmoefti van Jeruzalem  roept in 1942 vanuit Berlijn Arabieren op Joden aan te vallen

Hoewel Joden aan het begin van de twintigste eeuw een belangrijke rol hebben gespeeld binnen de arbeidersbeweging en socialistische en communistische partijen – iets wat ze door conservatieven bijzonder kwalijk werd genomen – is de steun voor de Palestijnse zaak in het Westen tegenwoordig vooral sterk in progressieve kring. Dat is niet zo gek, zegt Bart Wallet. „Linkse kritiek op Joden gaat al terug op Marx, en tijdens de Koude Oorlog werd Israël gezien als deel van het imperialistische, koloniserende Westen. De Sovjet-Unie omhelsde het anti-zionisme als ideologische overtuiging en zond allerlei anti-Israëlpropaganda de wereld in. Geleidelijk zag je dat jongere generaties zeiden: wacht eens even, de echte underdogs hier zijn de Palestijnen. Dat leidde enerzijds tot legitiem protest, maar ook tot uitlatingen als dat Joden de nieuwe nazi’s zouden zijn. Dat laatste is antisemitisme.”

Het idee van intersectionaliteit dat de afgelopen decennia op universiteiten populair is geworden, heeft verder bijgedragen aan deze ontwikkeling, zegt Jessica Roitman. „Intersectionaliteit betekent dat je verschillende vormen van onderdrukking niet los van elkaar kan zien. Dus wie tegen de discriminatie van lgbtq-mensen is, móét ook tegen het optreden van Israël tegen de Palestijnen zijn.”

Beeld uit een video van een menigte die in de Dagestaanse stad Machatsjkala een vliegtuig uit Israël bestormt, vorig weekeinde.FOTO'S: AFP

Tweestatenoplossing

Sinds de terreurdaden van Hamas van 7 oktober en de keiharde reactie daarop van Israël is in islamitische landen, maar ook in Europa, een opleving van antisemitisme te zien: er klinken anti-Joodse leuzen op demonstraties, Joodse panden worden beklad, Joodse mensen voelen zich bedreigd. „Zulke spanningen tussen Joden en hun buren zijn dus van alle tijden”, concludeert David Feldman. „Maar het is goed om voor ogen te houden dat Joden in de afgelopen tweeduizend jaar ook vaak genoeg vreedzaam naast moslims en christenen hebben gewoond. Het kán dus beter worden.”

Antisemitisme zal echter nooit meer helemaal verdwijnen, weet Feldman. „Ook als er gerechtigheid voor de Palestijnen komt. Het reservoir met antisemitische beelden blijft onderdeel van de culturele bagage, inmiddels wereldwijd. Als er iets naars gebeurt dat moeilijk te verklaren is, zullen er altijd mensen zijn die teruggrijpen op deze ideeën.”


Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE

Toledo, kruispunt van religies

Afbeeldingen vergroten door te klikken.

 

 

Het interieur staat bekend om zijn enorme omvang, gedetailleerde houtsnijwerk en indrukwekkende kunstschatten. Het afgebeelde hoofdaltaarstuk is een van de grootste en meest complexe van Spanje en toont scènes uit het leven van Jezus. Het hoofdaltaarstuk is een meesterwerk van houtsnijwerk, bedekt met bladgoud. Elke laag werd met de hand aangebracht met gips en lijm, waarna het geheel werd gepolijst en opnieuw verguld.
Het groeide uit tot een van de grootste heiligdommen van de Europese kunst. De plattegrond met vijf schepen, het transept, de omgang en de radiale kapellen kenmerken een lichtrijke architectuur die diep geworteld is in de Castiliaanse gevoeligheid. Elke meesterbouwer – van Petrus Petri tot Enrique Egas – en elke kardinaal liet zijn stempel achter op de portalen, de glas-in-loodramen en de liturgische ruimtes.
In de loop der tijd werd de kathedraal ook een schatkamer van artistieke meesterwerken: El Transparente, El Custodia van Enrique de Arfe, het koor, El Expolio (De Ontkleding van Christus) van El Greco en de middeleeuwse glas-in-loodramen.

Mezquita del Cristo de la Luz

De Hermitage of Kerk van Cristo de la Luz, voorheen de Bab al-Mardum Moskee (Arabisch: مسجد باب المردوم‎). Van de tien moskeeën die ooit in de stad bestonden, is dit de best bewaarde. In de islamitische tijd was het een kleine gebedsruimte, verbonden aan een stadspoort (Bab al-Mardum), die werd gebruikt door nieuwkomers in Toledo of door mensen die zich voorbereidden op hun vertrek. Het werd gebouwd in het jaar 999, de tijd van glorie van het kalifaat van Córdoba, zoals vermeld in de epigrafische strook op de ingangsgevel. 

Sinagoga del Tránsito

De Sinagoga del Tránsito,  ook bekend als de ‘Synagoge van Samuel ha-Levi of Halevi’. Voormalige Joodse gemeente en synagoge, gelegen aan de Calle Samuel Levi, in de historische oude stad Toledo. Status: Synagoge (1357–1391), Kerk ( ca.  1492 – 19e eeuw), Joods museum (sinds 1910).
Ontworpen door meestermetselaar Don Meir (Mayr) Abdeil, werd het gebouwd in 1357 in de Mudéjar- of Moorse stijl als een bijgebouw van het paleis van Samuel HaLevi , schatmeester van koning Peter van Castilië.
De synagoge bevindt zich in de voormalige Joodse wijk van de stad tussen het klooster van San Juan de los Reyes en de synagoge van Santa María la Blanca . Het is een van de drie bewaard gebleven synagogen die door Joden zijn gebouwd onder het bewind van het christelijke koninkrijk Castilië.
Het gebouw werd na de verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492 omgebouwd tot een katholieke kerk. Het werd kortstondig gebruikt als militaire kazerne tijdens de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19e eeuw. In 1910 werd het een Sefardisch Joods museum , dat tegenwoordig formeel bekendstaat als het Sefardisch Museum.

El Greco’s ‘Vista de Toledo’

Het multiculturele Toledo is ook de stad, waar  Johannes van het Kruis in het klooster van de Karmelieten in een cel werd opgesloten en negen maanden werd vastgehouden, vanwege zijn steun aan de hervormingen van Theresia van Ávila. 

El Greco’s ‘El Expolio’

 De Ontkleding van Christus, of El Expolio (Latijn: Exspolĭum), is een schilderij van El Greco, begonnen in de zomer van 1577 en voltooid in het voorjaar van 1579 voor het hoogaltaar van de sacristie van de kathedraal van Toledo, waar het normaal gesproken nog steeds hangt. Eind 2013 was het tijdelijk te zien in het Prado in Madrid (samen met de andere werken van El Greco), na een periode van reiniging en restauratie; het keerde in 2014 terug naar Toledo. Het is een van El Greco's beroemdste werken. Een document gedateerd 2 juli 1577, waarin naar dit schilderij wordt verwezen, is de vroegste vermelding van El Greco's aanwezigheid in Spanje. De opdracht voor het schilderij werd verkregen dankzij El Greco's vriendschap vanuit Rome met Luis, de zoon van Diego de Castilla, deken van de kathedraal van Toledo. De Castilla senior regelde ook El Greco's andere grote opdracht, waaraan hij gelijktijdig werkte: de schilderijen voor de Toledaanse kerk van Santo Domingo el Antiguo.
Het schilderij toont Christus die met een serene uitdrukking naar de hemel opkijkt; zijn geïdealiseerde figuur lijkt afgescheiden van de andere mensen en het geweld om hem heen.Een in het zwart geklede figuur op de achtergrond wijst beschuldigend naar Christus, terwijl twee anderen ruzie maken over wie zijn kleding zal krijgen. Een man in het groen, links van Christus, houdt hem stevig vast met een touw en staat op het punt zijn gewaad af te scheuren ter voorbereiding op zijn kruisiging. Rechtsonder buigt een man in het geel zich over het kruis en boort een gat om de inbreng van een spijker te vergemakkelijken die door Christus' voeten zal worden gedreven. Het stralende gezicht van de Verlosser staat in schril contrast met de grove figuren van de beulen, die om hem heen zijn verzameld en met hun bewegingen, gebaren en lansen een indruk van onrust wekken.

(Wikipedia)



Salvador Dali’s ‘Cristo de San Juan de la Cruz’


Het wereldberoemde schilderij van Dalí heet Christus van Johannes van het Kruis, omdat een tekening van de middeleeuwse mysticus hem inspireerde.
Als hervormer van de eeuwenoude kloosterorde van de Karmel[1] had Johannes van het Kruis (1542-1591) het soms hard te verduren. Tegenstanders van zijn hervormingen sloten hem maandenlang op in een kerker. Op een nacht had hij tijdens het gebed een mystieke ervaring. Wat hij zag, raakte hem diep. Hij zag het kruis van bovenaf, vanuit het standpunt van God de Vader.

___________________
[1] Orde van Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel (OCarm), is een van de oudste katholieke bedelordes, ontstaan in de 13e eeuw op de berg Karmel in het Heilige Land. 

EINDE

‘Ik ben dadig!’ riep hij uit.

Tom Poes zat de volgende morgen nog aan zijn ontbijt, toen Joost op de buitendeur klopte. ‘Ik ben zo vrij de Oude Schicht voor te rijden,’ sprak de trouwe knecht. ‘Het is nog wat vroeg, maar tot mijn bevreemding kon ik vannacht niet slapen wegens bezorgdheid over heer Olivier. Men hecht soms meer aan een persoon dan men wel weet, ik stel voor om nu te gaan zoeken, al zal dat niet meevallen. Men weet niet welke richting men in moet slaan.’
Ook Heer Bommel merkte dat het nog mistte, toen hij de volgende morgen vanonder een steen naar boven kwam. De grijsaard stond hem op te wachten, met een grote vogel op zijn schouder. ‘Dit is mijn dochter Ima,’ stelde hij trots voor. ‘Ze zal je het water naar Parna’s opbrengen.’
‘In de mist kun je graven,’ zei de vogel.
Heer Bommel zocht vergeefs naar woorden. Hij begreep dat hij in de handen van zonderlingen gevallen was. En dat toegeven de beste houding zou zijn.


Met die gedachte bedankte hij de grijsaard voor zijn gastvrijheid en liep vervolgens op goed geluk achter de vogel aan. Het beest fladderde in een rechte lijn, alsof het een bepaalde richting volgde; maar toen heer Ollie boven de nevels een bekend gebouw zag oprijzen, hield hij halt. 'Daar!' riep hij uit. 'Dat is het stads-laboratorium! Nu kan ik te weten komen waar ik ben!
'De rivier gaat vlugger’, kraste de vogel.
Heer Bommel sloeg echter links af zonder zich aan die opmerking te storen, terwijl het dier berustend op zijn schouder ging zitten.
Tot zijn grote opluchting bereikte hij nu eindelijk weer vertrouwd gebied, en hij stapte glimlachend de werkruimte van professor Prlwytzkofski binnen.
Jammer genoeg trof hij het niet. De geleerde was juist doende om de plaats van de zon ten opzichte van het middelpunt in het uitdijend heelal te berekenen, en hij keek danig gestoord op toen hij zijn bezoeker zag.
'Ik ben dadig!' riep hij uit. 'Maakt u zich voort.' 
'Maar ik ben voort,' zei heer Ollie verontschuldigend. 'Ik ben verdwaald, bedoel ik; en nu weet ik niet welke kant ik op moet. Waar ben ik precies?
'Ik ben ja dadig dat vast te stellen,' schalde de hoogleraar. 'Waar is onzer zonnensysteem met betrekking tot der centrum des universums? zo vraag ik mij. En daar komt ener lomp met zijner parkiet mij vragen waar hij isj!'
Hij zweeg, door ontroering overmand, en in de ingetreden stilte kraste de vogel: 'Der centrum des universums is waar men is.'

Het bovenstaande is een fragment uit de laatste aflevering van de Bommel Saga: Het einde van eindeloos’. 
Alle belangrijke figuren komen er nog een keer langs – waaronder natuurlijk ook kapitein Walrus, wiens goede schip de ‘Albatros’ op een zandplaat geraakt, omdat hij de gondel waarmee Heer Bommel naar Parnassus vaart voor zijn boeg krijgt - wat hem hem onvermijdelijk verleidt tot ruwe taal…
En vanzelfsprekend horen Tom Poes en de trouwe knecht Joost daar ook bij … om maar niet te spreken van mevrouw Doddel – ‘zegt u toch Doddeltje…’ , om wier hand – of moet zeggen: ‘vinger’ – deze slotepisode uiteindelijk draait.

Lees ook:

Bloedregen en saffraankleurige luchten

Times of Sicily, a blog committed to providing coverage of Sicilian news and topics spanning culture, food, art, history, and politics, aims to appeal to an English speaking audience. 


Het woordenboek definieert een siroccowind als 'een hete, stofrijke wind uit de Libische woestijnen die over de noordelijke Middellandse Zeekust waait'. In het Grieks staat hij bekend als sorokos, in het Catalaans als xaloc, in het Kroatisch als jugo, in het Spaans als siroco (waar het Engels vandaan komt), in het Egyptisch-Arabisch als khamsin en in het Italiaans als scirocco. Op Sicilië, een van de regio's waarmee de sirocco het meest wordt geassocieerd, wordt hij scirocco genoemd. Wanneer de sirocco waait, heeft dit een grote impact op het klimaat van het eiland. Zoals alle extreme weersveranderingen, beïnvloedt de sirocco niet alleen het fysieke landschap, maar ook het mentale landschap van de inwoners.  
Afbeeldingen vergroten door te klikken

Wanneer de woestijnwind de kust van Noord-Afrika verlaat, laat hij uitzonderlijk droge, stoffige omstandigheden achter. De windvlaag komt vervolgens in contact met vochtigere lucht die circuleert in het Middellandse Zeegebied. Deze lucht verandert, naarmate hij zich over zee verplaatst, geleidelijk in koelere lucht die regenval veroorzaakt wanneer hij het zuidelijke Europese vasteland bereikt. De geografische ligging van Sicilië zorgt ervoor dat het zowel de hete adem van de Sahara als de natte wraak van de Europese klimaatzones voelt. De regen die uit siroccowolken valt, bekogelt autodaken en witte muren met klodders dor rood zand, algemeen bekend als ‘bloedregen’.

Of het nu hitte en stof of vochtigheid en regen met zich meebrengt, de sirocco kan Sicilianen dagenlang teisteren. De eilandbewoners zijn gewend aan het fenomeen en verdragen de grillen ervan met dezelfde berustende standvastigheid als de Prins van Salina van Lampedusa tijdens de koetsrit van zijn familie naar Donnafugata. De gevolgen voor buitenlanders zijn echter veel sterker, met name de verstikkende hitte.

Patrick Brydone, de Schotse Grand Tourist die een van de beroemdste reisverslagen van de achttiende eeuw schreef, ‘A tour through Sicily and Malta’, was geschokt door de vochtige intensiteit van de windvlagen en de oververhitte keerzijde ervan, die hij beide in zijn kenmerkende kleurrijke en heldere proza ​​beschreef. Bijvoorbeeld: ‘Het waait nu al zeven dagen onafgebroken; en het heeft al onze vrolijkheid en goede moed weggevaagd; en als het nog veel langer aanhoudt, weet ik niet wat de gevolgen zullen zijn. Het veroorzaakt een mate van lusteloosheid, zowel in lichaam als geest, waardoor ze absoluut niet meer in staat zijn hun normale functies uit te voeren.’

Als de aanhoudende loodzware atmosfeer al een hoge mate van traagheid veroorzaakte, was de hitte die met één sirocco arriveerde, voordat deze in een vochtige wolk kon veranderen, Brydones grootste klimatologische verrassing: ‘Ik opende de deur zonder enig vermoeden van zo’n verandering; en ik ben nog nooit zo verbaasd geweest in mijn leven. – De eerste windvlaag op mijn gezicht voelde als de brandende stoom uit de mond van een oven.’

Brydone draaide zich om naar zijn reisgenoot en riep dat de atmosfeer ‘in vlammen stond’. Je hoort hem bijna uitroepen: ‘Mijn God, meneer, wat een hitte!’ Hij probeerde een wandeling te maken, zoals ‘dolle honden en Engelsen’ dat doen, maar moest zijn verlies toegeven en keerde terug naar zijn appartement op de bovenverdieping. Hij vond de lucht ‘zwaar en benauwd’, het atmosferische equivalent van maccu, die geconcentreerde Siciliaanse soep gemaakt van gedroogde tuinbonen. De verlichting kwam toen de windrichting veranderde, waarop Brydone opmerkte dat het ‘moeilijk voor te stellen was hoe anders de lucht aanvoelde’.

Sicilianen die hij kende wilden zijn mening weten en verzekerden hem tegelijkertijd dat het een relatief korte hittegolf was geweest en dat ze de wind veel sterker en warmer hadden meegemaakt. De Britten werden als onverstandig beschouwd omdat ze zich aan de barre omstandigheden van de windvlaag hadden blootgesteld door daadwerkelijk de straat op te gaan.

Een andere reiziger, Louis Simond, beschreef de sirocco in zijn boek ‘A Tour in Italy and Sicily’ uit 1829: ‘De zuidoostelijke wind (sirocco) waaide de hele dag en het hele landschap zag er stoffig wit uit. Er waren inderdaad stofwolken in de stad, maar op de omliggende bergen moet het slechts schijn zijn geweest.’ Hij benaderde het fenomeen met een zekere koelbloedigheid en verzekerde de lezer terloops dat hij ‘geen hinder ondervond’. Hij schreef dit toe aan het feit dat de sirocco in de herfst, winter en lente vaker waait dan in de zomer, hoewel hij wel toegaf dat de wind de vegetatie ‘oprolde alsof ze door insecten werd aangevallen’, wat leidde tot een vergeling en verwelking van de planten – ‘Geurige acacia- en sinaasappelboomgaarden domineerden de voorgrond: maar vandaag was dit alles gehuld in stof, en de bomen en planten hingen slap.’

Interessant genoeg vergeleek het Edinburgh Medical and Surgical Journal van 1850 de sirocco met de leste-wind van Madeira en kwam na enig debat tot de conclusie dat de effecten op Sicilië vergelijkbaar waren met die van Simond – met een verhoogde zomerhitte – namelijk dat ‘het alle effecten vertoont van een hete, droge, verschrompelende wind, die de bladeren van planten uitdroogt en scheuren veroorzaakt in meubels en hout in het algemeen’. Het tijdschrift concludeerde dat ‘dierenlichamen’ negatief werden beïnvloed door de extreme droogte.

Een ander geleerd werk, ‘Schetsen van de medische topografie van de Middellandse Zee’, bevat een hele appendix over dit onderwerp, getiteld ‘Uittreksel uit een mededeling van Dr. Benza over de Sirocco-wind, met name zoals die in Sicilië waait’. Dr. Benza meldt dat hij de wind in Palermo net zo hard en heet heeft gevoeld als in Agrigento, waarmee hij Brydone tegenspreekt, die veronderstelde dat het zuiden van het eiland van nature meer in de vuurlinie zou liggen. Wij zijn het met Benza eens, aangezien we de angstaanjagende windvlagen op beide locaties hebben ervaren. Bovenal merkt Benza echter op dat de meest schadelijke invloed op het ‘menselijk lichaam’ voelbaar is in moerassige gebieden rond plaatsen als Siracusa – een logische aanname.

Benza’s diagnose uit 1830 is nog steeds relevant: ‘een algemene lusteloosheid of traagheid van het spierstelsel, gepaard gaande met hoofdpijn en een zwaar en beklemmend gevoel in het zenuwstelsel, wat leidt tot een onvermogen tot elke vorm van lichaamsbeweging, zowel lichamelijk als geestelijk; Alles wat je aanraakt is vochtig en klam, vooral je kleren, die aanvoelen alsof ze zijn uitgewrongen; verminderde eetlust; toegenomen dorst; ‘Het zweet vloeide rijkelijk…’

Benza sloot zijn verhaal af met een suggestief beeld van de wind aan de horizon: ‘Als de horizon tijdens de sirocco bewolkt is, zijn de meest levendige en prachtige flitsen te zien, die enkele seconden aanhouden.’ Dit leidt onvermijdelijk tot de prachtige barokke Italiaanse verzen van Lucio Piccolo, de neef van Lampedusa, die de sirocco vereeuwigde in deze regels: ‘E sovra i monti, lontano sugli orizzonti / è lunga striscia color zafferano: / irrompe la torma moresca dei venti…’ wat vrij vertaald betekent: ‘En over de bergen, ver aan de horizon / is een lange saffraankleurige strook: / de massieve Moorse wind breekt erdoorheen…’

We geven het laatste woord aan Lord Byron, zoals hij ongetwijfeld zou hebben gewaardeerd. In zijn gedicht Don Juan schetst hij met deze simpele regel in ottava rima een van de meest aangrijpende beschrijvingen van de harteloze, onophoudelijke kracht van de wind: ‘De dood rijdt op de zwavelachtige siroc’.

Andrew en Suzanne zijn de auteurs van Sicily: A Literary Guide for Travellers. Het Times Literary Supplement schreef over hun boek: ‘Sicilië zit vol heerlijke anekdotes: het is niet alleen een literaire wegwijzer voor reizigers op een eeuwenoud eiland, maar ook een culturele gids voor iedereen die zich in de waanzin van de tegenstrijdige en fascinerende uitersten van Sicilië bevindt… Sicilië zal ongetwijfeld gehavend en verfrommeld raken, bevlekt met caponata en wijnvlekken.’

Ze zijn ook de auteurs van Andalucia: A Literary Guide for Travellers, dat eveneens werd besproken in de Times Literary Supplement: ‘een doordachte, grondig onderzochte en opmerkelijk evenwichtige wetenschappelijke gids over de literaire geschiedenis van een van de meest geprezen regio’s van Spanje.’

Andrew is de vertaler van het onlangs verschenen Borges in Sicily van Alejandro Luque, een reisverslag op zoek naar de fotolocaties die Ferdinando Scianna gebruikte toen hij de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges fotografeerde tijdens zijn rondreis over het eiland.

EINDE

Icarus de hemelbestormer

Bovenaan:  Pieter Bruegel I, De toren van Babel, ca. 1565, olieverf op paneel. Verworven met de verzameling van: D.G. van Beuningen 1958.

ter aarde besteld

Toen ik onlangs het liedje ‘Icarus’ tegenkwam op het Muziekweb, zocht ik op hoe vaak die titel voorkwam. Dat bleek bij de klassieke muziek tweeënzeventig maal te zijn, bij populaire muziek driehonderdvijfenzestig maal (zie ook de video van de band ‘Oregon’ helemaal onderaan).

Ook in de beeldende kunst blijkt Icarus een machtig thema te zijn, een mythe die blijft intrigeren – zoals ook bij Hanna Mobach: “Sinds de eerste tekeningen uit 1991 is ‘Icarus’ een thema dat telkens opduikt, zwevend, zwemmend, soms paarsgewijs; en tenslotte getekend, maar dan met klei.”

In onze tijd zijn ruimtereizen ‘gewoon’ geworden. Wellicht dat de eerst ‘wandeling op de maan’, in 1968, Hanna inspireerde tot haar ‘Ruimtevaarder’ – waarmee ze, geïnspireerd door ‘Ateliers 63’, een vrijwel synchrone sprong in de ruimte van de kunst nam.

<<
Hanna Mobach, ’Ruimtevaarder’, 1970.

Icarus bij Hanna Mobach

Hanna Mobach, Icarus 2001.
Hanna Mobach, Zwemmer, 2003
Icarus [1] 

De regen had een dunne sliblaag achtergelaten in een holte van het rotspad. Toen werd er een vorm zichtbaar die je bij droogte nooit zag, een heel ijle gestalte, met takjes op de plek van zijn voeten. Ik maakte er een serie potloodtekeningen van, totdat de wind de gestalte uitwiste.

Later, in een kleigroeve in Limburg, zag ik plotseling vlak voor mijn voeten een spleet in de grond, het evenbeeld van de holte die ik getekend had.
Die spleet goot ik af, het gips maakte de ijle gestalte uitvoerbaar op groter formaat, zoals ‘Max und Moritz’.
Icarus [2]

Voorheen had ik al kleine, kwetsbare figuurtjes geboetseerd, alleen of getweeën, die aansluiten op de potloodtekeningen van Icarus.
In vervolg daarop ontstond een kleine reeks van minnaars die ik omgaf met transparante bouwsels van latoenkoper en kopergaas.

Sinds de eerste tekeningen uit 1991 is Icarus een thema dat telkens opduikt, zwevend, zwemmend, soms paarsgewijs; en tenslotte getekend, maar dan met klei
.


Icarus op www.hannamobach.nl

De Icarus van Bruegel

In “Landschap met de val van Icarus” verwijst Brueghel heel duidelijk naar Ovidius. Dit schilderij en een latere versie, verschillen op een aantal, zeer belangrijke, punten van elkaar. Op het oudste schilderij komt Daedalus niet voor. Op dat schilderij is ook een ondergaande zon te zien, terwijl in de versie op hout de zon in het zenith staat. De vraag is of het schilderij op doek niet is overgeschilderd. Volgens Gibson is het schilderij misschien wel meermalen overschilderd. Onlogisch zou dat niet zijn, want, zoals iemand opmerkte, Icarus heeft er anders wel erg lang over gedaan om uit de lucht te vallen als de zon nu bezig is onder te gaan. Het lijkt immers voor de hand te liggen dat de was in de vleugels van Icarus begon te smelten toen de zon op z'n hoogste punt stond. | Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. | Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurde lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235 © 2008 Albert van der Kaap

De hybris van Icarus
Ovidius – Metamorphosen 8.183-235

Ondertussen was Daedalus ingesloten door de zee, vol haat voor zijn lange ballingschap op Kreta en geraakt door heimwee naar zijn geboorteplaats, zei hij:
"Hoewel Minos de landen en de zeeën verspert, de hemel blijft toch zeker open. We zullen langs daar gaan; hoewel hij alles bezit, de lucht heeft hij niet."

Zo sprak hij en richtte zijn geest op de nog onbekende kunst en hij bracht een omwenteling teweeg in de natuurwetten. Want hij plaatste veren op een rij, beginnend met de kortere en daarna steeds een langere, zodat je kon denken dat ze op een helling gegroeid waren. Zo ontstond eertijds geleidelijk de landelijke herdersfluit uit ongelijke riethalmen. Toen maakte hij de veren in het midden vast met een draad en vanonder met was en zo samengevoegd boog hij ze in een kleine kromming, zodat hij echte vogelveren nabootste.

De jongen Icarus stond erbij en niet wetend dat hij met zijn leven aan het spelen was, probeerde hij nu eens met een stralend gezichtje de veren te pakken, die bewogen werden door een licht briesje, dan weer kneedde hij met zijn duim de goudgele was. En door zijn spel hinderde hij het wonderbaarlijke werk van zijn vader.

Nadat hij de laatste hand gelegd had op zijn werk, bracht de kunstenaar zelf zijn lichaam in evenwicht tussen de twee vleugels en hij bleef hangen in de lucht die bewogen werd (door de wind).

Hij onderrichtte ook zijn zoon "Icarus," zei hij "ik raad je aan in het midden van de weg te vliegen opdat de zee je veren niet zou verzwaren door te laag te vliegen en opdat het vuur ze niet zou verschroeien door te hoog te vliegen: vlieg tussen elk van beiden (neem de gulden middenweg). Ik vraag je met aandrang niet te kijken naar de Ossendrijver, de Grote Beer en het sterrenbeeld van de jager. Volg mij als gids!" Tegelijkertijd leerde hij hem de regels van het vliegen en hij maakte de tot dan toe onbekende vleugels aan zijn schouders vast.

Tijdens het werk en de waarschuwingen waren de wangen van de oude man vochtig van tranen en zijn vaderlijke handen beefden. Hij gaf zijn zoon kusjes, die niet meer herhaald konden worden. En licht gemaakt door de veren vloog hij voorop en hij vreesde voor zijn kameraadje, zoals een vogel die zijn tengere kroost vanuit het hoge nest de lucht inleidt. Hij spoorde hem aan te volgen en bracht hem de onheilbrengende kunst bij. Zelf bewoog hij zijn eigen vleugels en keek om naar die van zijn zoon.

Iemand die met een bevende hengel vissen probeerde te vangen (een visser), een herder die leunde op zijn stok en een boer die steunde op een ploeg zagen hen, ze waren stomverbaasd en ze dachten dat het goden waren omdat ze konden vliegen. En reeds lag links Samos, gewijd aan Juno (ze waren al voorbij Delos en Paros gevlogen). Rechts lag Lebinthos en Calumne, rijk aan honing, toen de jongen genoegen begon te scheppen in zijn roekeloze vlucht, zijn gids verliet en aangetrokken door de drang naar de hemel, een al te hoge vlucht nam.

De nabijheid van de verschroeiende zon maakte de geurige was, het bindmiddel van de veren, mals: de was smolt. Icarus zwaaide met zijn vleugelloze armen en omdat hij zijn vleugels miste, kon hij absoluut geen lucht meer opvangen. En zijn mond, die de naam van zijn vader nog riep, werd gevuld met het azuurblauwe water dat zijn naam aan hem ontleent.

Maar de ongelukkig vader, die geen vader meer was, riep:" Icarus, waar ben je? Waar moet ik je toch gaan zoeken? Icarus," zei hij herhaaldelijk: maar hij zag de veren op de golven drijven en hij vervloekte zijn uitvinding; hij begroef het lichaampje in een graf; en het eilandje werd genoemd naar de naam van degene die daar begraven lag.

Van op een eikentak zag Perdix hem toen hij het betreurende lichaam van zijn zoon in een graf legde. Perdix was een snatervogel die in het moeras leefde en hij getuigde van zijn vreugde in een lied: Hij was toen een unieke vogel, in vroegere jaren niet gezien, nog maar onlangs een vogel geworden en voor jou, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.

Bron: Ovidius Metamorphosen 8.183-235

De hoogtevrees van Perdix (intermezzo)
Ovidius – Metamorphosen 8. 236-259

PERDIX 236-259

Terwijl hij het lichaam van zijn miserabele zoon begroef, zag een kwetterende patrijs hem, vanuit een modderige greppel, en klapte in zijn vleugels, nadat hij zijn vreugde had betuigd met een lied.
Toen was hij de enige vogel, voor meerdere jaren niet opgemerkt, en onlangs vogel geworden, was voor jouw, Daedalus, een langdurig schuldbewijs.
Want zijn zus, onbekend met het lot, vertrouwde hem haar kind toe als leerling, een jongen, die zijn twaalfde verjaardag vierde, ontvankelijk voor het onderrichten van de geest.

Want hij nam het ruggenmerg, nadat hij het in het midden in een vis had waargenomen, als voorbeeld en hij sneed blijvende tanden in ijzer en vond de toepassing van een zaag uit.
Als eerste verbond hij ijzeren armen, twee vanuit een knooppunt, zodat ze, mits ze met gelijke tussenruimte uit elkaar stonden, het ene deel stond, het andere deel een cirkel beschreef.

Daedalus was jaloers en duwde hem hals over kop van de heilige burcht van Minerva, terwijl hij het als een val voorwendde: maar hem, maakte Pallas, die genieën gunstig gezind was, tot een vogel en overdekte hem, midden in de lucht, met veren.

De kracht echter van het genie ging weg naar zijn vleugels, en voeten: de naam bleef hem bij. Toch heft die vogel haar lichaam niet omhoog en maakt zij het nest niet in takken in een hoge top;
Zij vliegt dicht bij de grond en legt haar eieren in heggen, hij is bang voor hoogtes, zich de oude val herinnerend.

Bron: Ovidius Metamorphosen 8.236-259

Icarus! Icarus!
Het verhaal in staccato stijl


Icarus! Icarus!het elegische verhaal
Ovidius, Ars Amandi ii, 21-96

NB Volgens onze moderne Van Dale is elegie: ‘een lyrisch dichtstuk waarin de aangename herinnering aan hetgeen men vroeger bezat, afwisselt met treurigheid om het verlies ervan’.

…en nu muziek!

NB In de openingstitel staat per vergissing “Icarus” als “Leather Cats”.
Dit concert werd uitgevoerd en opgenomen in 1987 tijdens het Freiburg Arts Festival in Duitsland. Oregon bestaat uit Ralph Towner – gitaar en keyboards, Paul McCandless – hobo, Engelse hoorn, sopraansaxofoon, Glen Moore – bas, Trilok Gurtu – tabla, percussie.

EINDE

Christen-nationalisten in de VS zien in de Iran-oorlog een teken van de Eindtijd

ACHTERGROND

Religie 
Christelijke zionisten speculeerden al in de negentiende eeuw over het einde der tijden in het Midden-Oosten. In de VS hebben predikers en techmiljardairs de Apocalyps ontdekt.

Sjoerd de Jong, NRC

Gepubliceerd op5 maart 2026 om 15:22.

Brengt de ‘epische woede’, zoals de Amerikaanse aanval op Iran is gedoopt, het einde der tijden nabij – en dus de terugkeer van Christus? Sommige evangelische predikers geloven het. Israël en het Midden-Oosten zijn voor hen het projectiescherm van eindtijdfantasieën en speculaties over een Nieuwe Aarde.

Ook in het Amerikaanse leger, dat van Trumps zelfverklaard ‘minister van oorlog’ Pete Hegseth een leger van „krijgers” moet worden, duiken die apocalyptische overtuigingen op. Bij de Military Religious Freedom Foundation kwamen, zo bericht The Guardian, ruim tweehonderd klachten binnen van militairen die klagen dat hun superieuren de aanval op Iran uitleggen als onderdeel van Gods plan of als opmaat naar de eindstrijd met Satan bij Armageddon.

Dat zal gesneden koek zijn voor evangelisten als de Texaanse dominee John Hagee. In zijn Cornerstone Church in San Antonio verkondigt hij al jaren dat oorlog in het Midden-Oosten, na de terugkeer van het Joodse volk naar het Heilige Land, de wederkomst van Jezus zal voortbrengen. Een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen, die dat in de weg zou staan, noemde hij in 2023 dan ook het werk van de antichrist, de tegenhanger van Jezus. De eindstrijd moet er komen, in of om Israël – de Joden zijn in dat programma niet meer dan een instrument.

Die christelijk-zionistische overtuiging, nu vooral wijdverbreid in de VS, heeft lange historische wortels. Op basis van passages in de Bijbel speculeerden Britse dominees al vanaf de zeventiende eeuw over de terugkeer van het uitverkoren volk naar Israël (Zion) als prelude van de Eindtijd en de terugkeer van Christus. Invloedrijk was de aristocraat en sociaal hervormer Anthony Shaftesbury (1801-1885), politiek strijder tegen kinderarbeid en dierenmishandeling. Uit religieuze motieven ijverde hij voor Joodse vestiging in het destijds Ottomaanse Palestina, in de verwachting dat de Apocalyps nabij was. Ook in Nederland leefde dit christenzionisme, vooral in orthodox-gereformeerde kring. Het kreeg een impuls door de stichting van Israël in 1948 en de daaropvolgende oorlogen met Arabische buurlanden.

De apocalyptische verwachtingen (van het Griekse apokalupsis, ‘onthulling’ of ‘openbaring’) zijn gebaseerd op Bijbelteksten die een eindstrijd met Satan en de wederkomst van Jezus voorspellen. In de Openbaring van Johannes wordt die geplaatst bij Armageddon, de vlakte bij het Noord-Israëlische plaatsje Megiddo, waar in de oudheid veel veldslagen plaatsvonden. Wat er staat te gebeuren vermeldt ook de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (2:3-4): „Want de dag [van de Heer] komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is. De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.”

Een doctrinair onderscheid is dan nog dat tussen ‘premillenialisten’, die geloven dat Jezus zal terugkomen om zelf Satan te verslaan en het Duizendjarig Rijk te vestigen, en ‘postmillenialisten’, die ervan uitgaan dat eerst dat Rijk moet worden gevestigd voordat Jezus zijn opwachting maakt. De eerste variant leeft sterk onder evangelisch christenen in de VS. Evenals de theologisch omstreden notie van rapture, de opname van de ware gelovigen in de hemel voordat de eindstrijd uitbreekt.

Binnen het christendom zijn dit randbewegingen, die vaak haaks staan op de kerkleer en theologie, maar wel invloedrijke. Populaire uitwerking kregen Eindtijd-thema’s in de VS vanaf de jaren tachtig in christian fiction, romans over religieus leven, bekering en verlossing. In de bestseller-reeks Left Behind (1995-2007) van de evangelisten Tim LaHaye en Jerry Jenkins vecht een groep op aarde achtergebleven gelovigen (de uitverkorenen zijn opgenomen in de rapture) in het Midden-Oosten de Eindstrijd uit met de antichrist, de ‘wetteloze mens’ uit de Bijbel die de plaats van God inneemt. In de reeks (die liep tijdens de Irak-oorlog) is dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in een legervoertuig de troepen van Satan aanvoert. Aan het einde van de cyclus keert Jezus glorieus terug om de strijd te beslechten.

Dat klinkt bizar, maar afkeer van een ‘totalitaire wereldregering’ is een diep cultureel thema in de VS, een natie die per slot van rekening werd geboren uit afscheiding van een wereldrijk, het Britse. Religieus vertaald leeft het onder de christelijk-nationalisten in de VS, die een belangrijke schakel zijn in Trumps MAGA-coalitie. Zij zien in de zondaar Trump, een man die onbesmuikt erkent zijn vijanden niet lief te hebben maar te haten, een breekijzer om een gevallen samenleving recht te zetten en het Rijk Gods naderbij te brengen.

Ambassade in Jeruzalem

Voor een deel van zijn bewonderaars geldt dat op wereldschaal. Trumps verplaatsing in 2018 van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, de heilige christelijke stad, was voor hen meer dan politiek. Het was een symbolische stap in de spirituele oorlog tegen Satan. Ook de Republikeinse senator Ted Cruz van Texas verdedigde de eerdere aanval van Israël op Iran vorig jaar op Bijbelse gronden. „Wie Gods zegen zoekt, moet Israël steunen”, aldus Cruz.

Maar lang niet iedereen in de MAGA-coalitie denkt er zo over. Trumps leus was immers niet voor niets America First. Cruz werd direct gekapitteld door tv-ster Tucker Carlson die, net als veel MAGA-aanhangers van het eerste uur, wars is van buitenlandse avonturen.

Op sommige christelijke sites is uitleg te vinden hoe de aanval op Iran al dan niet zou passen in de Bijbelse boodschap

In Nederland is de noodzaak om ‘geestelijke strijd’ te leveren tegen Satan onder meer te vinden bij Christenen voor Israël. De stichting streeft ernaar Nederlanders „bewust te maken van de betekenis van het Joodse volk in Gods handelen met deze wereld, Gods liefde voor Zijn volk en Zijn komende koninkrijk”. Ook bij de messianistische vereniging Hadderech, die Joden en christendom wil samenbrengen, leven Eindtijd-verwachtingen. Zo zag Eppo Bruins, actief in de vereniging en later minister van Onderwijs, in zijn Pesach-lezing Hoe heerlijk zal dat zijn (2022) tekenen dat „de beloofde wederkomst nabij is”, na tweeduizend jaar „verblind te zijn geweest door Griekse gedachten en Romeinse instituties”. 

Ook geven sommige niet-kerkgebonden christelijke sites uitleg hoe de aanval op Iran zou passen in de Bijbelse boodschap. De site Cvandaag ziet duidelijk parallellen maar tekent ook aan: „De Bijbel gebruikt geschiedenis niet als blauwdruk voor geopolitieke voorspellingen. Christenen doen er goed aan parallellen te herkennen als symbolische echo’s, niet als exacte herhalingen.” Bij de parallellen gaat het vooral om het oudtestamentische verhaal van Esther, die in Perzië uitroeiing van de Joden door de boosaardige Haman listig wist te voorkomen. De nederlaag van Haman wordt gevierd in het Poerim-feest, dit jaar net rond de aanval op Iran. Cvandaag haalt predikant Oscar Lohuis van Christenen voor Israël aan, die als reactie op de oorlog verzekert dat „alle Hamans roemloos ten onder zullen gaan”.

Techmiljardairs

In de VS zijn het intussen niet alleen christelijk-nationalisten die bevlogen raken door de hoop dat alles anders zal worden na een vurige periode van chaos en ontwrichting. Fascinatie met de apocalyps heerst ook onder techmiljardairs uit Silicon Valley als Elon Musk en Peter Thiel, die koortsdromen koesteren over de toekomst van de mensheid. Religieus gezag en technologische innovatie, menen zij, moeten de overbevolkte wereld van de ondergang redden – althans hún wereld. Sociaal criticus en schrijver Naomi Klein trekt in opiniestukken en interviews van leer tegen wat zij het „eindtijdfascisme” noemt,onder een flinterdunne elite van kapitalistische superrijken.

Miljardair Thiel, medeoprichter van PayPal en Palantir en ooit mentor van vicepresident JD Vance, is daarvan het meest frappante voorbeeld. Thiel zette zijn eschatologische, „onorthodoxe christendom” eind vorig jaar uiteen in vier meanderende lezingen in San Francisco, een stoofpot van apocalyptisch christendom, rechts-revolutionaire filosofie, complottheorieën en sciencefiction. Thiel beriep zich onder meer op de Bijbel, Tolkiens The Lord of the Rings en de Duitse jurist Carl Schmitt (1888-1985) die Hitlers dictatuur rechtvaardigde en het universele idee van ‘de mensheid’ afdeed als een liberale illusie.

Thiel neemt van Schmitt ook het aan de Bijbel ontleende idee over van de katechon, een mens of kracht die de dreigende wereldheerschappij van Satan zo lang mogelijk moet tegenhouden, in afwachting van de komst van Jezus. Ook Thiel denkt dat de antichrist in aantocht is. Die zal, verwacht hij, anno 2026 niet aantreden als VN-secretaris-generaal maar eerder als een Luddiet, een valse profeet die zich verzet tegen technologische vooruitgang zoals de Britse textielarbeiders in de negentiende eeuw weefmachines kapotsloegen (ze vernoemden zich naar een legendarische arbeidersheld, Ned Ludd).

Over wie hebben we het dan? Greta Thunberg natuurlijk. Thiel verwees eerder al eens naar de 23-jarige Zweedse klimaatactivist als geschikte kandidaat voor de positie van antichrist, omdat zij de mensheid angst aanjaagt voor klimaatrampen en technologie, het soort dat Thiel levert. In zijn lezingen in San Francisco kwam hij daar een beetje op terug. Thunberg was wie weet „een soort schaduw van de antichrist”, maar hij wilde haar niet „te veel vleien”. Over de Joden merkte hij op dat hun „koppigheid” tegenover de boodschap van Jezus – een klassiek antisemitisch thema: Joden als Christus-weigeraars – straks misschien juist goed van pas komt in de strijd tegen de antichrist. Zij konden wel eens „de kern van het verzet” worden.

Achter zulke quasi-christelijke oprispingen schuilt niet alleen een miljardair met voldoende vrije tijd om aan ‘filosofie’ te doen en met een goed gevoel voor pop culture (Thiel verwijst ook volop naar films en videogames). Ze drukken volgens Naomi Klein de angst uit van een achter hoge muren verschanste kaste superrijken die veel te verliezen heeft bij een ‘wereldregering’ of bij groter democratisch toezicht op hun investeringen en vermogens. Aantasting daarvan zou voor hen pas echt het einde der tijden zijn.



Meer Midden Oosten op ShakingLife.nl

EINDE