Arthouse In ‘Sirât’ zoekt een vader zijn dochter die is vertrokken met een ravekaravaan in de Marokkaanse woestijn. Het is een film die met niets is te vergelijken: zowel spannend als spiritueel, zowel apocalyptisch als bevrijdend.
Dana linssen Gepubliceerd op17 februari 2026
De gebutste en gehavende rave-nomaden in ‘Sirât’. “Ik hou van ze, omdat ze met hun wonden leven”, zegt regisseur Oliver Laxe.
Arthouse
Sirât.Regie: Oliver Laxe. Met: Sergi López, Bruno Núñez Arjona, Jade Oukid, Stefania Gadda, Tonin Janvier, Richard ‘Bigui’ Bellamy. Lengte: 115 minuten.
Beoordeling: 5 van de 5.
●●●●●
Echte ravers hoef je het niet uit te leggen. Dance is trance. Of zoals mediatheoreticus McKenzie Wark schreef in haar boek Raving (2023): misschien eerder ‘re-associëren’ dan dissociëren. Dat ’terug in verbinding komen’ ligt dicht bij de tradities in het soefisme, de ‘spirituele islam’ waar regisseur Oliver Laxe (1982) zich mee verwant voelt. De bekende soefistische werveldans is bijvoorbeeld een vorm van actieve meditatie. En als je naar de ravers in Laxes nieuwe film Sirât kijkt dan zie je dat: geen escapisme, maar een andersoortige, transcendente zoektocht. De titel verwijst dan ook naar de brug die volgens de islam over de hel leidt, en die iedereen op de dag des oordeels moet oversteken om het paradijs te bereiken.
Na de mysterieuze pyromanenfilm Fire Will Comeis Sirât verreweg de vreemdste en meest onthutsende film die Laxe gemaakt heeft. Die er sowieso is gemaakt. De zoektocht van een vader en een zoontje naar hun dochter en zus die is vertrokken met een rave-karavaan in de Marokkaanse woestijn is spiritueel en apocalyptisch, gruwelijk en bevrijdend tegelijk. De film roept met beeld en geluid emoties op die met geen woorden te beschrijven zijn. Vorig jaar bij zijn wereldpremière in Cannes werd hij bekroond met de Juryprijs en nu is Sirât genomineerd voor een Oscar voor beste internationale film en voor beste geluid.
Dat laatste ligt bij een film die zich afspeelt in de technoscene voor de hand. Je moet die drang om te dansen wel voelen als je in je bioscoopstoel zit. En dat gebeurt. Dit is zintuiglijke, intuïtieve cinema op z’n best. De filmmuziek van de Franse avantgarde technoproducer Kangding Ray (David Lettelier) pulseert en resoneert met de rotsen als klankkast. De muziek is gemixt met zandstormen en de huilende wind. De zoektocht van vader Luis wordt gaandeweg een queeste in zichzelf. Naarmate hij dieper met de ravers de woestijn in trekt, verandert zijn reis ook in een vlucht, voor de gevaren van het gebied. De (deels nog steeds bezette) Westelijke Sahara is sinds de dekolonisatie in de jaren zeventig geplaveid met landmijnen en een giftige zandbak vol (illegale) fosfaatmijnen.
De ‘techno aan het einde der tijden’ van Sirât doet sterk denken aan de Japanse cultfilm Eli, Eli, lema, sabachthani (2005) (‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten’, de laatste woorden van Christus aan het kruis) waarin de wereld is overvallen door een wanhoopspandemie. Een noisegitarist denkt dat hij op de juiste frequentie die wereld weer in z’n voegen kan laten vibreren. Films als Sirât doen dat ook. Het is een film die aan de dood raakt, in het ravijn staart, maar ook een ontsnappingsroute biedt dwars door de scheuren in de werkelijkheid.
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Met drie tamelijk technische kabinetsmaatregelen heeft Israël de afgelopen weken grote stappen gezet op weg naar annexatie van de bezette Westelijke Jordaanoever. Eerst was daar het besluit dat Israël in Palestijnse dorpen en steden voortaan het beheer verzorgt van gemeentelijke diensten en taken. Daarbij kwam de aankondiging dat het kadaster voortaan openbaar is, waardoor Israëlische kolonisten rechtstreeks Palestijnse landeigenaren kunnen benaderen om hun grond over te kopen.
Afgelopen zondag besloot het Israëlische kabinet tot een derde administratieve maatregel. Palestijnen in Gebied C, het door Israël beheerde gebied van de Westelijke Jordaanoever, moeten eigendomspapieren van hun land kunnen overleggen. Kunnen ze dat niet, dan verklaart Israël hun grond tot staatseigendom – ook als hun familie er al generaties woont.
Vergeleken met de openlijke geweldpleging door kolonisten, de verjaging van herdersgemeenschappen en de massale kap van Palestijnse olijfbomen stelt het drietal besluiten op het oog niet veel voor. Dat is schijn: met deze maatregelen sluit Israël langzaamaan het net rond de Palestijnen in bezet gebied. Ze passen bij de agenda van het extreemrechtse Israëlische kabinet om de Westelijke Jordaanoever helemaal Israëlisch te maken, liefst zonder al te veel Palestijnen erop. Wie er ondanks alle intimidatie toch blijft wonen, dient het hoofd te buigen voor Israël.
De administratieve maatregelen stuitten op terechte weerstand van Europese en Arabische landen. Samen luiden de besluiten het einde in van de in de jaren negentig nog zo hoopvol onthaalde Oslo-akkoorden. Die waren bedoeld om de Palestijnen geleidelijk aan meer zelfbestuur te geven, waarna ze uiteindelijk een eigen staat zouden krijgen.
Het omgekeerde is gebeurd: de Palestijnen kregen minder en minder zeggenschap, mochten zich op steeds kleinere stukjes land bewegen, en een eigen staat is volledig uit beeld geraakt. Op dat laatste feit is de Israëlische regering buitengewoon trots. Voor premier Benjamin Netanyahu en zijn collega’s is het verhinderen van een Palestijnse staat het hoogste doel.
In VN-resolutie 2803, gebaseerd op het twintigpuntenplan voor Gaza van de Amerikaanse president Donald Trump, is sprake van een „geloofwaardig pad” naar een Palestijnse staat. Even was er de verwachting dat Trump zou ingrijpen toen Netanyahu vorige week in Washington op bezoek was.g
Nu van Trump weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken
Maar de Amerikaanse president speelt een semantisch spel: hij zegt geregeld dat Netanyahu heus niets met de Westelijke Jordaanoever van plan is, en dat het daarom niet nodig is om hem tot de orde te roepen. Intussen zijn er in een jaar tijd 86 nieuwe buitenposten bij illegale Israëlische nederzettingen gesticht en zetten hordes losgeslagen kolonisten Palestijnse dorpen in brand. „Een handjevol kinderen”, noemdeNetanyahu hen bagatelliserend.
Nu er van Trump op dit vlak weinig te verwachten valt, is het aan de Europese Unie om meer te doen dan slechts haar veroordeling uit te spreken. Israël kan steviger tot de orde geroepen worden, bijvoorbeeld met sancties, of het intrekken van handelsvoordeeltjes. Terwijl Europa toekeek, heeft Israël een levensvatbare Palestijnse staat allang onmogelijk gemaakt. Nog langer aan de zijlijn staan betekent dat het Palestijnse volk, na de vernietiging van Gaza, straks ook niet meer op de Westelijke Jordaanoever terecht kan.
Bovenaan: De grensovergang Rafah tussen de Gazastrook en Egypte. De grensovergang is cruciaal voor zowel burgers als humanitaire hulp. Sinds mei 2024 is de overgang grotendeels gesloten geweest, met slechts beperkte heropeningen voor specifiek vervoer. In januari en februari 2026 is de grensovergang gedeeltelijk heropend voor voetgangers onder toezicht van een inspectiemechanisme.
Palestijnse mannen op het puin van een door Israël gesloopte Palestijnse woning in Shuqba, ten westen van Ramallah (9 februari 2026).) FOTO ZAIN JAAFAR/AFP
“Als we geen waarde hechten aan de vrijheid van meningsuiting voor mensen die wij verachten, dan hechten we überhaupt geen waarde aan vrijheid van meningsuiting”
Geboren 7 december 1928 Pennsylvania
Belangrijkste werken Language and Mind (1968), Language and Thought (1993), Syntactic Structures (1957)
Opleiding Algemene studie met een speciale interesse in Arabische talen
Hoe komt het dat we zo weinig weten, terwijl er zoveel informatie beschikbaar is? Volgens Noam Chomsky staan westerse intelligentsia – met name in de Verenigde Staten – veel te onkritisch tegenover hun eigen maatschappij. Zowel journalisten als academici volgen slaafs het beleid van hun overheid en accepteren klakkeloos de waarden van het kapitalisme. Zij lijken blind voor het feit dat ze daarmee zwijgzaam instemmen met een discutabele ideologie. In feite vormen de massamedia in de VS een propaganda-instrument in handen van de overheid. Waar priesters in vroegere maatschappijen de daden van de heersende klasse rechtvaardigden, daar hebben hedendaagse intellectuelen een soortgelijke rol opgenomen: zij vormen de ‘seculiere priesterkaste’ van de moderne tijd.
Generatieve grammatica
Chomsky is een rationalist. Centraal in zowel zijn taalkundige als politieke opvattingen staat het geloof dat mensen beschikken over aangeboren denkstructuren – zoals een moreel instinct – waarmee zij de wereld waarnemen. Begin jaren ’60 verwierf de Amerikaan grote bekendheid in academische kringen, als grondlegger van de ‘generatieve grammatica’. Het menselijke vermogen om taal te verwerven, zo betoogde Chomsky, is universeel: wij beschikken over een aangeboren grammatica. Met die hypothese creëerde hij eigenhandig een nieuw en uiterst vruchtbaar onderzoeksveld in de linguïstiek.
Maar buiten de taalkunde heeft Chomsky ook naam gemaakt vanwege zijn politieke standpunten – links georiënteerd, wars van autoriteit en met anarchistische neigingen. Chomsky staat zeer kritisch tegenover het buitenlandse beleid van zijn eigen overheid: de militaire interventies van de VS, hun steun aan ondemocratische regimes en hun omgang met Wikileaks getuigen van een fundamentele hypocrisie. Zo vergeleek Chomsky de aanslagen van 9/11 met het bombarderen van een fabriek in Khartoum onder het bewind van Bill Clinton: de VS beschuldigen anderen van terreurdaden, maar zijn daaraan zelf net zo goed debet.
MEER OVER CHOMSKY
Taalwetenschapper Noam Chomsky is genuanceerd over de aard van de mens. ‘Het is niet eenvoudig te ontdekken wat de menselijke natuur is.’
Noam Chomsky: ‘Creativiteit blijft een groot mysterie’
Door Florentijn van Rootselaar op 30 januari 2014
Voor Noam Chomsky’s werkvertrek op de universiteit staat een stoel, bedoeld voor studenten en wetenschappers – en ook voor journalisten. Daar mag ik even plaatsnemen, zegt een van zijn assistenten, die hem probeert te beschermen tegen de enorme hoeveelheid interviewverzoeken. En het interview mag niet te lang duren, had ze eerder al gemaild. Dertig minuten zijn beschikbaar, maximaal. Aan de muur voor de stoel hangt een geprint A4’tje: Quiet please. People are working in nearby offices. Thank You.
Chomsky (1928) zelf komt de gang op lopen om me te halen, en staat erop me voor te laten gaan, door de deur naar de kamer van zijn assistenten, naar zijn kamer die daarachter ligt. De filosoof is nog steeds veel in zijn werkkamer, in het deels stalen Stata Center van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), een van Amerika’s topuniversiteiten in Cambridge, vlak bij Boston. Zeker sinds zijn vrouw Carol in 2008 stierf, is Chomsky nog meer in het werk gedoken, al was hij daarvoor ook een zeer productief schrijver, en een van de meest geciteerde wetenschappers ter wereld. Vooral met zijn theorie over ons aangeboren taalvermogen verwierf hij grote bekendheid.
Chomsky is evenzeer een politiek activist als een wetenschapper. In 1967 kreeg hij internationale aandacht door zijn uitgesproken verzet tegen de Vietnam-oorlog. En een paar jaar geleden stond hij zij aan zij voor een grote menigte met de Venezolaanse president Hugo Chávez. De president had eerder, tijdens zijn befaamde VN-toespraak in 2006, Bush een duivel genoemd en Chomsky zijn grote voorbeeld. Zwaaiend met Noam Chomsky’s Hegemony or survival. America’s quest for global dominance riep Chávez iedereen op dat boek te lezen, waardoor het meteen een bestseller werd.[1]
‘We kunnen zeggen hoe handen bewegen, maar niet verklaren hoe Rembrandt een schilderij maakte’
Voor een denker die op grote podia toespraken houdt, heeft Noam Chomsky een opvallend zachte stem. En de politiek activist in hem is tijdens het interview niet direct herkenbaar. Niet dat Chomsky niet betrokken is, maar hij is weinig retorisch – eerder genuanceerd, en vooral erg academisch. Maar misschien ligt dat ook aan het onderwerp van het interview: de menselijke natuur, een thema dat vaak terugkeert in zijn werk, of het nu gaat over taal of over politiek.
Bestaat er zoiets als een typisch menselijke natuur? ‘We zijn geen apen, geen koeien en geen insecten. We hebben heel bijzondere eigenschappen als cognitieve vermogens en morele gevoeligheid. Toch is het niet eenvoudig te ontdekken wat de menselijke natuur is. Maar het is evenmin makkelijk vast te stellen wat de natuur van een insect is.’
Wetenschappelijk onderzoek naar de menselijke natuur is moeilijk, zegt Chomsky. ‘Echt goed wetenschappelijk onderzoek naar de menselijke natuur is lastig. Wil je dat goed doen, dan zou je mensen aan experimenten moeten onderwerpen, en een deel daarvan zal onethisch zijn. We kunnen daarom vooral denken over de mens via de geschiedenis, ervaringen en intuïties.’
Wat heeft dat denken opgeleverd? ‘Een belangrijk aspect van de menselijke natuur is het verlangen te onderzoeken en te creëren, zoals de Duitse taalwetenschapper Wilhelm von Humboldt dat rond 1800 formuleerde. Als je verder teruggaat in de geschiedenis van de filosofie, zie je een vergelijkbaar idee. Voor Descartes stond het creatieve gebruik van taal centraal in zijn denken. Er is volgens hem maar één manier om te bepalen of een ander organisme een geest heeft, en dat is door na te gaan of het op een creatieve manier taal gebruikt. Die creativiteit weerspiegelt de voor de mens kenmerkende vrijheid om te denken. Jij en ik gebruiken de taal nu ook op een creatieve manier; dat is standaardgedrag voor menselijke taalgebruikers. We construeren uitdrukkingen die soms volledig nieuw zijn. Von Humboldt zei al: taal veronderstelt het oneindige gebruik van eindige middelen.’
‘Denken is net als zwaartekracht geen aparte substantie, maar een kenmerk van de materie zelf’
Creatief taalgebruik betekent niet dat je alles zegt wat in je opborrelt, ongehinderd door grammaticale regels, waarschuwt Chomsky. ‘Anderen moeten de woorden en de gedachten die worden uitgedrukt kunnen begrijpen. Ze weten dat ze die gedachten ook zelf hadden kunnen hebben. Ook moeten de woorden van toepassing zijn op de omstandigheden.’
De cartesiaanse geest beïnvloedde ook denkers als Jean-Jacques Rousseau, zegt Chomsky. Opvallend is dat zij hun politieke theorie lieten voortvloeien uit die gedachten over de natuur van de mens. Die moest gevrijwaard worden van instituties die haar aan banden konden leggen, wat bij Rousseau tot een uitgebreide kritiek op de staat leidt. ‘Als je naar de Verlichting en de vroege Romantiek kijkt, zie je dezelfde gedachte: creativiteit is de kern van onze natuur. Je ziet die opvatting zelfs terugkeren in het werk van Adam Smith. Smith is beroemd vanwege zijn pleidooi voor een liberale economie, maar hij had ook kritiek op de onderdrukkende arbeidsverhoudingen van zijn tijd. Hij vond dat mensen er dom en onwetend door werden gehouden. De omstandigheden belemmerden het vermogen om creatief en onafhankelijk te werken. Deze manier van denken zie je ook bij anarchistische denkers, en bij de vroege Karl Marx. Later keert dat terug in ideeën over het onderwijs, bijvoorbeeld bij de pedagoog John Dewey. Hier zijn de gedachten over de menselijke natuur geen kwestie van bewijs, maar van intuïtie en van – uiteindelijk – hoop.’
Van hoop zelfs? ‘Deze denkers concluderen dat de creativiteit, het verlangen om te scheppen en te creëren, een centrale karakteristiek is van de mens, die niet zou moeten worden geschonden in enig sociaal arrangement. Maar je kunt niet zeggen dat dit idee wetenschappelijk kan worden aangetoond. De menselijke natuur is te gecompliceerd om betekenisvol wetenschappelijk bewijs over de aard ervan te hebben. Vandaar dat er uit hun gedachten soms eerder hoop spreekt dan dat ze een wetenschappelijk bewijs geven.’
Maar toch hebt u ondertussen heel wat over die natuur gezegd. Bijvoorbeeld over creatief taalgebruik. ‘We hebben veel vooruitgang geboekt in het ontdekken van de middelen waarmee we de creatieve acties uitvoeren. We weten steeds beter hoe taal werkt. Maar die creativiteit zelf blijft voor ons een even groot mysterie als voor Descartes. Het is alsof we kunnen zeggen hoe handen bewegen, maar dat is nog geen antwoord op de vraag hoe Rembrandt een schilderij maakt.
En het is niet vanzelfsprekend dat mensen dat ooit zullen oplossen. We zijn – uiteindelijk – organische schepsels, geen engelen. Wat betekent dat onze cognitieve vermogens zowel een perspectief als een grens hebben. Misschien kunnen we de vraag naar wat de mens is niet op de juiste manier stellen, en als we dat wel kunnen, kunnen we die misschien nooit beantwoorden.’
Tekst loopt door onder afbeelding
U spreekt over creativiteit, het oneindige gebruik van eindige middelen. Hoe is dat mogelijk in ons begrensde, materialistische universum? Moeten we om dat te verklaren niet aannemen dat er een immateriële geest in de mens huist, zoals Descartes deed? ‘Voor Descartes betekende het bestaan van creatief taalgebruik dat er een andere substantie moest zijn, wat geen domme gedachte is. Hij werkte in een tijd waarin de mechanistische filosofie centraal stond. Net als andere denkers voor en tijdens zijn leven aanvaardde hij de gedachte dat de wereld ten diepste een mechanisch systeem was. Binnen zo’n systeem is het eigenlijk niet mogelijk dat creativiteit kan bestaan. Vandaar die aparte substantie, die buiten de mechanische wereld stond.
Maar de mechanistische natuurkunde werd afgelost door die van Isaac Newton, waarin onder meer een verschijnsel als zwaartekracht centraal stond. De filosoof John Locke bijvoorbeeld was bijzonder onder de indruk van Newtons theorie en kwam onder zijn invloed tot heel andere ideeën over de mens. Als God onbegrijpelijke eigenschappen zoals zwaartekracht aan materie kon geven, dan zou God volgens hem ook de eigenschap “denken” aan materie kunnen toevoegen. Denken is net als zwaartekracht geen aparte substantie, maar een kenmerk van de materie zelf. De geest – vond Locke – is niet meer dan georganiseerde materie. Er is geen aparte substantie, geen losse geest meer nodig. Tegenwoordig wordt dat in de philosophy of mind een radicaal nieuw idee genoemd. Maar in de achttiende eeuw werd dat al begrepen.’
Hoe is het gesteld met de menselijke natuur? Krijgt die wel voldoende ruimte tegenwoordig, bijvoorbeeld nu we kampen met een economische crisis? ‘Het antwoord is: ja en nee. Gedurende eeuwen, vooral de laatste paar, zie je een voortdurende toename in de erkenning en de bescherming van menselijke vrijheid en creativiteit. De notie van wat een persoon is, wordt steeds belangrijker en is op steeds meer mensen van toepassing – wat een toename en uitbreiding betekent van de bijbehorende rechten. Je ziet dat bijvoorbeeld in het recht. In de Middeleeuwen was de vraag wie als persoon kon gelden. Alleen een persoon kon bijvoorbeeld zitting nemen in de jury van een rechtbank. Aanvankelijk was een persoon een vrije man met eigendom, maar de criteria werden steeds uitgebreid. Pas in 1970 behoorden vrouwen in de Verenigde Staten ook tot die categorie, en kregen ze toegang tot de banken van de jury.
Uitbreiding van rechten gebeurde nooit zonder een lange en moeizame strijd. En de machthebbers blijven terugvechten; rechten zijn nooit eens en voor altijd gegeven. Waar we gedurende eeuwen een toename van de rechten zagen, worden die rechten op dit moment steeds meer bedreigd, waardoor de menselijke natuur in de knel komt.’
‘Uitbreiding van rechten gebeurde nooit zonder een lange en moeizame strijd’
Kunt u daar een voorbeeld van geven? ‘Neem Europa. Ik zou niet zeggen dat het op dit moment zelfmoord pleegt, maar het schaadt zichzelf wel op een ernstige manier door tijdens de recessie te bezuinigen. Zelfs het IMF beschouwt dat als destructief. Op dit moment wordt in Europa op een systematische manier de welvaartsstaat vernietigd. Het sociale contract wordt aangetast, terwijl dat een van Europa’s grootse bijdragen was aan de moderne beschaving – daardoor werd het domein van rechten en van vrijheid sterk vergroot. De Nederlandse autoriteiten helpen mee aan die vernietiging, vaak onder druk van de Duitse Bundesbank. Maar niet iedereen pikt die afbraak. Vandaar het verzet van de Indignados, protesten in Griekenland en de Occupy-beweging.
Een ander voorbeeld: in Engeland wordt het hoger onderwijs – zo belangrijk voor de menselijke creativiteit – om zeep geholpen. Universiteiten worden niet meer georganiseerd als humanistische bolwerken, maar als bedrijven. Een Engels commentator schreef daarover: de regering probeert eersteklas universiteiten te veranderen in derderangs commerciële bedrijven. Dat lijkt me een correcte formulering.’
Een van Chomsky’s assistenten komt de kamer binnen. Het interview heeft tot nu toe ruim een halfuur geduurd. Of we een eind willen maken aan het gesprek.
Chomsky praat nog een tijd onverstoorbaar verder. Over het gevecht tegen slavernij, en de strijd voor eigendom en voor de vrijheid van vergadering en van meningsuiting. Allemaal om ruimte te creëren voor de mens. Voor die typisch menselijke natuur. ‘It is and will be a permanent struggle.’
____________________
[1]2006 Chávez speech at the United Nations Speaking one day after Bush addressed the same session of the General Assembly, Chávez announced, "The devil came here yesterday, and it smells of sulfur still today, this table that I am now standing in front of." At that point, Chávez made the sign of the cross, positioned his hands as if praying, and looked briefly upwards as if in invocation of God. He continued "Yesterday, ladies and gentlemen, from this rostrum, the President of the United States, the gentleman to whom I refer as the devil, came here, talking as if he owned the world." Chávez also said that President Bush "...came [to the General Assembly] to share his nostrums to try to preserve the current pattern of domination, exploitation and pillage of the peoples of the world." Chávez began his talk by recommending Noam Chomsky's Hegemony or Survival: "It's an excellent book to help us understand what has been happening in the world throughout the 20th century, and what's happening now, and the greatest threat looming over our planet." Citing Chomsky's book, Chávez explained, "...the American empire is doing all it can to consolidate its system of domination. And we cannot allow them to do that. We cannot allow world dictatorship to be consolidated."
(Bron: Wikipedia)
NRC-redacteur Guus Valk keerde terug naar het Israëlische ‘vredesdorp’ Wahat as-Salam/Neve Shalom waar hij als correspondent een jaar had gewoond. Een inwoner: „Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij zijn verenigd. Nu weet ik niets meer zeker.” >
13 februari 2026 om 16:09
FOTO MICHAL FATTAL
De bewoners van het Israëlische dorp Wahat as-Salam/Neve Shalom hebben een appgroep. Er wordt vaak over geklaagd. Sommige bewoners delen er te veel in, vinden anderen. Ping! Een hond loopt los rond. Ping! Een haan kraait te hard. Ping! De elektriciteit is uitgevallen.
De appgroep van het dorp (ruim driehonderd inwoners) zwijgt soms ook. Neriya Mark (37) kwam daar eind 2023 achter. Een Palestijnse buurvrouw had bij een Israëlisch bombardement op Gaza in één klap meer dan veertig familieleden verloren. Neriya wist het niet, ze hoorde het pas veel later van iemand anders.
Wat betekent het, vraagt Neriya Mark zich af, dat zelfs hier, in deze oase van vrede, iemand zich niet veilig voelt om zoiets groots te delen? En wat zegt het dat Joodse dorpsbewoners zich na 7 oktober 2023 meldden als reservist in het Israëlische leger, en dat óók niet vertelden aan hun Palestijnse buren? De appgroep bleef stil als het écht belangrijk werd. De oorlog heeft een diep onderling wantrouwen aan het licht gebracht, zegt Neriya Mark, een Joodse Israëliër, in haar woonkamer. ,,Voor 7 oktober wist ik: er kunnen oorlogen of aanslagen komen, maar wij, inwoners, zijn verenigd. We zijn voor dezelfde vrede, tegen hetzelfde geweld.”
En nu? ,,Nu weet ik niets meer zeker.”
‘Vredesdorp’ Wahat as-Salam/Neve Shalom is gebouwd tegen een heuveltop tussen Jeruzalem en Tel Aviv.FOTO MICHAL FATTAL
Wereldberoemd dorpje
Wahat as-Salam/Neve Shalom is gebouwd tegen een heuveltop tussen Jeruzalem en Tel Aviv. Het dorp bestaat uit ruim honderd vrijstaande huizen, een school, een hotel en een klein winkeltje. De huizen geven iets prijs over de bewoners: sommige zijn gebouwd in minimalistische kibboets-stijl, met een rood schuin dak en gepleisterde muren. Andere zijn gebouwd volgens Arabische architectuur, met sierlijke bogen en wit marmer. De huizen zijn soms moeilijk te zien door de cipressen, cactussen en pijnbomen.
Dit is de enige plek in Israël waar Joodse Israëliërs en Palestijnen uit vrije wil samenleven. Het gaat om Palestijnse Israëliërs die in 1948 niet zijn verdreven buiten Israëls grenzen, deze groep maakt ongeveer 20 procent van de bevolking uit. Er wonen iets meer dan driehonderd mensen. De helft van de bevolking is Joods, de andere helft Palestijns, zowel islamitisch als christelijk.
Bijna een jaar lang woonde ik hier met mijn gezin, tussen 2010 en 2011, twee huizen bij Neriya Mark vandaan. Ik was correspondent in Israël en Palestina, kende het wereldberoemde dorpje al van een eerder bezoek, en kreeg de kans een huis onder te huren van een Palestijnse familie. Na mijn vertrek naar de Verenigde Staten in 2011 kwam ik met enige regelmaat terug in het dorp. Nu, in januari, ben ik er een week.
Als journalist ben ik altijd gefascineerd door de spanning tussen politieke idealen en dagelijkse praktijk. Ik kon geen betere plek verzinnen om dat te zien gebeuren. Bijvoorbeeld op de School voor Vrede in het hart van het dorp, waar kinderen in het Hebreeuws én het Arabisch les krijgen. Voor de klas staan daarom twee onderwijzers, een Joodse en een Palestijnse. De kinderen lopen door een poort in regenboogkleuren naar binnen.
De bewoners kiezen heel bewust voor deze plek, merkte ik toen. Ze geloven dat samen leven leidt tot beter wederzijds begrip. Met hun dorp willen ze ook een voorbeeld zijn. Het levert ze vaak onbegrip en soms haat op in eigen Joodse of Palestijnse kring. En ook in het dorp zelf is het samenleven ingewikkeld, ook dat merkte ik toen al. Politiek, maar ook cultureel. Joodse Israëliërs houden vaak van honden. Palestijnen zijn vaak juist bang voor honden. Joodse Israëliërs gaan op hun achttiende het leger in, Palestijnen niet. Dat de ruim driehonderd dorpsbewoners het toch blijven proberen, tegen alle druk in, fascineerde me.
Palestijns-Joods dorp aan de rand van de groene lijn
Aanvallen
Een paar keer had Eldad Joffe (70) het dorp bezocht. Als student in de jaren tachtig, op een retraite van zijn werk, twee decennia later. En hij wist: hier wil ik wonen. In de euforie van de Oslo-akkoorden van 1993 was hij met zijn vrouw Imi en drie kinderen vanuit de Verenigde Staten teruggekeerd in Israël. Vrede tussen Israël en de Palestijnen leek eindelijk mogelijk. Het lukte pas in 2017. Joffe werd gekozen tot burgemeester en had grote plannen: hij wilde het dorp zichtbaarder in eigen land maken, een toonbeeld van co-existentie tussen Joden en Palestijnen in een steeds rechtser land.
Zijn eerste werkdag was op vrijdag 6 oktober 2023.
Een dag later, op de vroege zaterdagochtend, viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. Bij deze terroristische aanvallen vielen ruim 1.200 Israëlische doden, duizenden gewonden. Hamas nam 251 gijzelaars mee naar Gaza.
Joffe wist meteen dat zijn baan een heel andere zou worden. Hij maakte zich zorgen over de veiligheid van de circa driehonderd dorpsbewoners. De laatste jaren was het dorp drie keer door radicale kolonisten uit de bezette Westelijke Jordaanoever aangevallen. Er was brand gesticht, auto’s waren beschadigd en er waren racistische leuzen op huizen gespoten, zoals ‘dood aan de Arabieren.’ Zoiets zou weer kunnen gebeuren, of erger.
De eerste werkdag van ldad Joffe als burgemeester was op vrijdag 6 oktober 2023. Een dag later viel Hamas vanuit Gaza Israël binnen. FOTO MICHAL FATTAL
Ik bezocht het dorp opnieuw in oktober 2023, twee weken later. Het toegangshek was overdag gesloten, dat was nooit eerder gebeurd. Inwoners hadden op initiatief van Joffe een burgerwacht gevormd, en reden in groepjes rond. Mensen bleven thuis, wachtend op het ergste.
Er liepen soms ongure, gewapende types langs het dorp, zegt Eldad Joffe. Verder bleef het rustig. De toegangspoort ging na een paar maanden weer open. Wat hij en zijn dorpsgenoten niet wisten, was dat de ingrijpendste gevolgen van ‘7 oktober’ niet van buitenaf kwamen, maar van binnenuit. Joffe: ,,Onze missie, het bevorderen van wederzijds begrip, was opeens ver weg. Maar de moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?”
De moeilijkheid was vooral: hoe gaan we hier verder met samenleven?Eldad Joffe inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Het idee van een gezamenlijk dorp voor Joden en Palestijnen kwam van Bruno Hassar (1911-1996), een Joodse immigrant die in Egypte was geboren. Het was een paar jaar na de Zesdaagse Oorlog van 1967, Israël had onder meer de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza bezet. Hassar zag het naoorlogse Israël als ,,een mozaïek van religieuze, nationale en culturele gemeenschappen, totaal onverschillig jegens elkaar, als ze al geen oorlog voeren”, schreef hij.
Hassar, tot het christendom bekeerd en monnik geworden, besloot in Israël zijn leven te wijden aan het overbruggen van haat. mocht een heuveltop, in bezit van een kloosterorde, in gebruik nemen. De heuvel ligt exact op de Groene Lijn, de bestandsgrens uit de oorlog van 1948, tussen Israël en de inmiddels bezette Westelijke Jordaanoever. Op deze heuveltop stichtte hij een Oase van Vrede, met Hebreeuwse én Arabische naam.
Hij geloofde in radicale gelijkheid. De Joodse en Palestijnse groepen moesten precies even groot zijn, zodat geen groep zou domineren. Conflicten moesten worden uitgepraat in de dorpsraad of in kringgesprekken. Geen taal of cultuur mocht sterker worden dan de andere.
A story of Guus Valk: A inscription of peace in Neve Shalom (Oasis of Peace’), a cooperative village in Israel, founded by Israeli Jews and Arabs as a place of coexistence. Photo by Michal FattalFOTO MICHAL FATTAL
Belangrijke dagen, ook de pijnlijke, herdenkt het dorp gezamenlijk, zoals de Israëlische Onafhankelijkheidsdag of de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’, de vlucht en verdrijving van 700.000 Palestijnen rond 1948). Veel inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom hadden de stille hoop dat het dorp niet de enige plek van vreedzaam samenleven zou blijven.
In staat van shock
De buitenwereld ziet Wahat as-Salam/Neve Shalom vaak als een idylle, zegt Samah Salaime (50). Daarom laten politici en artiesten uit het buitenland zich er graag fotograferen. De Palestijnse schrijfster en activiste woont in een kleine caravan in het midden van het dorp. Ze voedde met haar man drie kinderen op in het dorp, ze leven sinds kort gescheiden. Hij bleef in het huis, zij in de caravan in de tuin. Ze zegt: ,,Het dorp is nooit idyllisch of harmonieus geweest. Maar dat is goed. Het gaat erom dat iedereen gelijkwaardig is, niet dat er geen ruzie mag zijn.”
De eerste dagen na 7 oktober 2023 verkeerde het dorp in een staat van shock. Veel Joodse bewoners hadden familieleden, vrienden of collega’s verloren. Links Israël was extra zwaar getroffen door de terreur, omdat de linksige kibboetsen rondom Gaza zwaar getroffen waren. Salaime: ,,Iedereen in de gemeenschap had behoefte aan menselijk contact. Er was verdriet, we hadden gespreksbijeenkomsten voor Joodse en Palestijnse inwoners. Iedereen had trauma ervaren.”
Joodse inwoners van Wahat as-Salam/Neve Shalom voelden zich eenzaam, merkte ze, ze hadden steun nodig. ,,Ze kregen in eigen kring te horen: waarom verraad jij je volk door met Palestijnen te wonen?” Salaime zat 39 dagen in onzekerheid over het lot van haar vriendin Vivian Silver, een 74-jarige vredesactivist uit kibboets Be’eri. Na ruim een maand bleek dat ze die zaterdagochtend al was vermoord. Salaime schreef op +972 Magazine, een progressief Joods-Palestijns blog, een herinnering aan haar vriendin: ,,Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomen.”
De weken erna zag ze Israël geel kleuren: gele lintjes, gele spandoeken en geel beschilderde muren, uit solidariteit met de Israëlische gijzelaars. Ook in het dorp hingen sommige inwoners een geel lintje aan hun auto.
Zelfs zij onder ons die deze oorlog overleven, Palestijnen en Israëliërs, zullen er verpletterd van verdriet uitkomenSamah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Vanaf de heuveltop van Wahat as-Salam/Neve Shalom kon ze de verwoesting van Gaza meemaken: de flitsen en doffe dreunen waren zichtbaar en hoorbaar. Straaljagers vlogen laag over voor nieuwe luchtaanvallen op Gaza. Israël veranderde. ,,Links Israël ging ten onder in de oorlog. Demonstreren voor een staakt-het-vuren werd al gezien als verraad.” ‘Shalom’, vrede, werd een verdacht woord onder Joodse Israëliërs, een woord dat ook progressief-Joodse Israëliërs niet graag in de mond namen, behalve als begroeting.
Palestijnen werden bang. Samah Salaime kreeg het verzoek van haar moeder om de Palestijnse vlag van haar sociale media te verwijderen. Dat weigerde ze. ,,Iedereen weet toch al hoe ik erover denk.” Naar demonstraties gaan vond ze te gevaarlijk. Salaime merkte dat ze niet meer werd uitgenodigd op de Israëlische televisie, wat ze daarvoor vaak deed, om het Palestijnse perspectief uit te leggen. Ze wist: ,,De meeste Joodse Israëliërs geven niets om wat er gebeurt in Gaza. Ze horen er vrijwel niets over. Het verhaal is uitgewist.”
In Wahat as-Salam/Neve Shalom is dat anders. De meeste bewoners lezen de kritische krant Ha’aretz of alternatieve Israëlische media. En voor blinde vlekken is er de Palestijnse kinderarts Raed Haj Yehia (59). Hij werkt voor Artsen voor Mensenrechten Israël en kwam jarenlang in Gaza. Zijn laatste bezoek was in september 2023. Gaza is sindsdien voor hem gesloten.
Arts Raed Haj Yehia verloor veel collega’s en vrienden in Gaza. FOTO MICHAL FATTAL
Lijden in stilte
Raed Haj Yehia verloor tientallen collega’s en vrienden in Gaza, of hun naasten. Daar praat hij niet gemakkelijk over, en al helemaal niet in de appgroep van het dorp. Wat hij daar wel begon te delen, waren filmpjes en berichten van vrienden uit Gaza. Als hij iets hoort van artsen ter plekke, geeft hij het door in de appgroep. Vandaag nog , vertelt hij. Hij laat niet alles zien. ,,Ik kan je een video laten zien waarin een bevriende arts het been van zijn gewonde dochter amputeert. Zonder verdoving, zonder medicijnen, op de keukentafel. Hij handelde als dokter, maar deed het ergste dat een vader kan doen.”
Hay Yehia, gehard en ervaren als arts, heeft na het zien van alle beelden een psychologische crisis doorgemaakt. ,,Ik werd angstig en kreeg paniek. Ik ben bij een psycholoog geweest. Inmiddels kan ik de beelden weer bekijken.” Hij weet dat hij ze niet met dorpsbewoners kan delen. Hij ziet ze wel, en lijdt in stilte.
Samah Salaime kreeg , naarmate de eerste schok van 7 oktober verdween, steeds vaker vragen van Joodse Israëliërs. Ook in het dorp. Veroordeelde ze Hamas wel? Wilde ze óók dat de Israëlische gijzelaars terugkomen? Dat maakte haar woedend. Ze had decennialang duidelijk gemaakt waar ze stond, maar sommige Joodse Israëliërs zagen haar als verdacht. ,,Zij kunnen óók immoreel zijn, wreed en onmenselijk. Het Israëlische leger heeft een genocide in Gaza gepleegd, er is seksueel geweld in Israëlische gevangenissen. Ik wil niet als dader gezien worden, maar als slachtoffer.”
Neriya Mark en Ido Even Pas. ”Ik merk dat activisme ook in kleine dingen kan zitten.”MICHAL FATTAL
Sommige Joodse dorpsbewoners zijn zich na 7 oktober openlijker zionist gaan noemen. Zionisme, de politieke overtuiging dat er een Joods thuisland in het Bijbelse Israël moet zijn, was vóór 7 oktober in het dorp een beladen term, vertelt Ido Even Paz (42), de man van Neriya Mark. ,,Er werd hier raar opgekeken als iemand openlijk zei: ik ben zionist. En dat terwijl 99 procent van de Joodse Israëliërs zich zo noemt.”
Zionisme
Ido Even Paz heeft een groot deel van zijn leven besteed aan activisme. Als twintiger ging hij werken bij Breaking the Silence, een organisatie van oud-militairen die de gevolgen van bezetting en oorlogsgeweld wil laten zien. Nu leidt hij een kleine organisatie die jongvolwassen Israëliërs laat kennismaken met Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.
Over zionisme of Joods-zijn werd in zijn links-activistische kringen nauwelijks gepraat, zegt hij. Het was ook niet nodig. ,,Ik word in Israël omringd door Joden. Pas als ik in het buitenland ben, ga ik nadenken over mijn Joods-zijn. Veel Joodse Israëliërs, zeker ook de linkse, kwamen er de laatste twee jaar achter dat ze veel Joodser en zionistischer zijn dan ze altijd hadden willen toegeven.”
Ook Samah Salaime, Palestijn, hoort Joodse dorpsgenoten openlijker over hun zionistische overtuigingen praten. ,,Ik zie het als mijn taak ze daarvan te genezen”, zegt ze. ,,Ik hoor bij de derde generatie Palestijnen na de Nakba, de verdrijving uit wat nu Israël is. Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is? Hebben wij daar misschien iets mee te maken? Alsof het Palestijnse volk pas begon te bestaan op 7 oktober.”
Het gaat in Israël steeds over Gaza. Nooit gaat het over de vraag: hoe komt het eigenlijk dat die plek zo overbevolkt is?Samah Salaime inwoner Wahat as-Salam/Neve Shalom
Een gezamenlijke begraafplaats in Wahat as-Salam/Neve Shalom. FOTO MICHAL FATTA
Vorig jaar verloor opnieuw een Palestijns gezin in het dorp tientallen familieleden in Gaza bij een Israëlisch bombardement. Neriya Mark en Ido Even Paz gingen voor condoleances naar hun familiehuis in Rahat, een Israëlische stad waar veel Palestijnen wonen. Daar zou, gebruikelijk voor Palestijnen, een rouwtent zijn, dachten ze.
Eenmaal aangekomen raakten ze in verwarring: er was helemaal geen tent. Ze werden snel naar binnen getrokken om daar, ongezien, te kunnen condoleren. ,,Ze wisten dat de Israëlische politie families van omgekomen mensen in Gaza in de gaten houdt. Openlijk rouw tonen zou betekenen dat mensen in gevaar zouden worden gebracht.”
De gebeurtenis maakte diepe indruk. Terug in Wahat as-Salam/Neve Shalom begon Neriyah Mark twee keer een gesprekskring met dorpsbewoners over het verlies van vrienden en familieleden, Joods en Palestijns. Ze nodigde arts Raed Haj Yehia uit om te vertellen over Gaza. Dorpsbewoners vertelden, schoorvoetend, het werd emotioneel. De Palestijnse buurvrouw was er ook bij, en was na afloop opgelucht.
De pijn is er nog, zegt Neriya Mark. ,,De buurvrouw had er met geen woord over gepraat. Niet op haar werk, niet in het dorp. Zelfs haar familiehuis was niet veilig. Ik zag de pijn van iemand die nergens zichzelf mag zijn.”
Op politiek én op persoonlijk niveau moest Wahat as-Salam/Neve Shalom met zichzelf in gesprek. Dorpsbewoners vertellen hoe moeilijk dat is, al kunnen ze goed praten. Nieuwe bewoners werden lange tijd psychologisch gekeurd op hun vredelievende karakter. Ze moesten tests invullen en met een psycholoog praten. Dorpsbewoners kwamen vanaf 7 oktober veel samen. Er werden professionele begeleiders ingehuurd om het gesprek op gang te houden.
In één van die groepen was het idee ontstaan om met een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. Dat hadden ze eerder gedaan. Er werd lang gepraat. Hoe moest het geweld genoemd worden? Hoeveel aandacht kregen de Israëlische gijzelaars? De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst. Burgemeester Eldad Joffe: ,,Het ging gewoon niet. Ik denk dat het ook niet helpt voor de verhoudingen in het dorp als we ons te veel in het nationale debat mengen. We moeten er in de eerste plaats voor elkaar zijn.”
Er zou een soort manifest te komen, waarin het dorp het geweld van Israël in Gaza zou veroordelen. De dorpelingen kwamen er niet uit. Er kwam geen tekst
Per definitie slachtoffer
Eldad Joffe ziet dat het gesprek over Gaza soms stroef loopt. Niet alleen tussen Joodse en Palestijnse dorpsbewoners, want de meningen zijn soms binnen de groepen ook verdeeld. ,,Het gesprek gaat sterk langs post-koloniale lijnen. Voor een deel van het dorp is Israël een koloniaal project. En wij, de Joden, worden daarom per definitie gezien als kolonisten. De Palestijnen zijn per definitie het slachtoffer. De Joden doen het per definitie verkeerd.”
Joffe is het daar ,,niet per see mee oneens”. Maar de gevolgen ervan zijn merkbaar. ,,Het gaat hier vaak over ongelijkheid tussen Joden en Palestijnen. De ene groep is altijd machtig, en de andere altijd machteloos. De ene groep altijd schuldig, de andere onschuldig. Ik heb daar moeite mee. Mensen worden zo niet meer als individu gezien, maar als deel van een groep.”
Joden en Palestijnen zijn zich meer met hun eigen groep verbonden gaan voelen na 7 oktober, ook in Wahat as-Salam/Neve Shalom. Maar de bedoeling van het project was ooit anders, zegt Rayek Rizek (70), een christelijke Palestijn die in 1984 met zijn vrouw Dyana in Wahat as-Aalam/Neve Shalom ging wonen. Twee periodes was hij burgemeester, nu heeft hij een koffie- en cadeauwinkeltje. Rizeks belangrijkste bezigheid: hij verzorgt meer dan twintig zwerfkatten in het dorp. Ze achtervolgen hem overal, van de winkel tot aan zijn huis.
Oud-burgemeester Rayek Rizek in zijn winkel. Hij verzorgt ruim twintig zwerfkatten in het dorp. FOTO MICHAL FATTAL
Rayek Rizek zit, omringd door katten, op zijn terras. Wahat as-Salam/Neve Shalom is een politiek, maar ook een sociaal experiment, zegt hij. Joden en Palestijnen moeten met elkaar in gesprek om dagelijkse problemen op te lossen. Dat weet hij uit de tijd dat hij burgemeester was. ,,Als twee buren met een conflict bij mij kwamen, ging het om een dak dat te hoog was of een blaffende hond. Dat is geen gesprek tussen een Jood tegen een Palestijn. Dat is een gesprek tussen mensen.”
Identiteit, zegt Rayek, verliest in het dagelijks leven van een dorp haar waarde. Hij is een overtuigd socialist, hij gelooft dat er een beter mens kan worden gebouwd. In zijn winkeltje hangen portretten van Che Guevara, Nelson Mandela en Martin Luther King.
Interreligieus
Het dorp is geprivatiseerd in de jaren tachtig. Toch is de hang naar gelijkheid nog overal zichtbaar, ook in de manier waarop het dorp is gebouwd. Er is geen synagoge, moskee of kerk. Op een afgelegen plek staat een interreligieus stiltehuis. Het is een koepelvormig gebouw, waar alle inwoners hun geloof kunnen belijden.
FOTO MICHAL FATTAL
Maar politiek laat zich niet buiten de slagboom houden. Toen het openluchtzwembad vorig jaar mei heropend werd en burgemeester Eldad Joffe een feestelijke opening aankondigde, waren Palestijnse inwoners boos: hoe kun je nou feestvieren in tijden van genocide?
In 2007 kwam een jonge inwoner van Wahat as-Salam/Neve Shalom, Tom, Kitain, om het leven bij een helikopterongeluk. Hij diende in het Israëlische leger. Zijn ouders wilden een monument in het dorp voor hem oprichten, de Palestijnse inwoners protesteerden. Waarom een Israëlische militair eren op ons grondgebied? Na jaren discussie is er een compromis uitgekomen. Naast het basketbalveld waar hij graag speelde, is een zo neutraal mogelijke tekst opgehangen: ‘Ter herinnering aan onze Tom Kitain, een kind van vrede dat werd gedood in oorlog.’
Hoe diep de vriendschappen ook zijn: zodra ze achttien worden, gaan de levens van Joodse en Palestijnse kinderen uit elkaar lopen. Dienst weigeren betekent voor Joodse dienstplichtigen vrijwel altijd een gevangenisstraf. Sommigen zullen op militaire controleposten in bezet gebied terechtkomen. Er is nog niet één blijvende relatie ontstaan tussen een Joodse en Palestijnse inwoner, er zijn evenmin gemengde huwelijken.
Een muur bij de school van Wahat as-Salam/Neve Shalom. MICHAL FATTAL
Buiten het dorp zijn Joodse en Palestijnse levens nog veel verder uit elkaar gaan lopen. Nog maar een paar decennia geleden konden Joodse Israëliërs naar het strand van Gaza-Stad, en konden Palestijnen uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever werken in Israël. Er was nog geen afscheidingsmuur, die werd vanaf 2003 gebouwd. En er was iets meer belangstelling voor elkaars leven, elkaars cultuur.
Wat er in de buitenwereld gebeurde – oorlog, kbezetting, aanslagen – heeft altijd zijn weerslag gehad op de verhoudingen ín het dorp. Daarom hebben dorpelingen het vaak moeilijk met de verheven status die de buitenwereld hun toedicht, de bezoekjes en photo ops van celebrities, de dure woorden. Alsof zij buiten de werkelijkheid staan, terwijl ze er juist deel van uitmaken.
Op de School voor Vrede, de enige in het dorp, krijgen kinderen les in het Hebreeuws én het Arabisch. FOT’s MICHAL FATTAL
Luider verzetten
Neriya Mark en Ido Even Paz hebben de laatste jaren ,,een tegengestelde route afgelegd”, zegt Ido Even Paz. Hij is zich steeds intensiever met activisme tegen de bezetting en ongelijkheid gaan bezighouden. Zij is juist minder activistisch geworden. Neriya Mark groeide op in het dorp en koos voor radicaal activisme. Ze zegt: ,,Ik was cynisch geworden over dit dorp. Mensen wonen in hun mooie huizen en vinden dat ze iets belangrijks voor de wereld doen. Nu heb ik twee kleine kinderen, en merk ik dat activisme ook in kleine dingen kan zitten: een gesprek op gang brengen, het dorp bij elkaar houden, hier wonen, ook dat is opstaan tegen deze extreem-rechtse regering.”
Samah Salaime zegt dat ze bij ,,de gekken” hoort die geloven dat Joden en Palestijnen wel degelijk met elkaar kunnen leven. Daar is ze trots op, ondanks dat de laatste jaren moeilijk waren. ,,Ik heb wijsheid verworven. We hebben alles overleefd. Oorlogen, twee Palestijnse opstanden, eindeloos geweld. We zijn er nog, de vredesmensen. We moeten alleen leren minder schattig te doen. We moeten ons veel luider verzetten. We blijven, we gaan niet weg.”
“Van Gogh’s waarnemingen zijn actueler dan ooit tevoren: van groen en biodiversiteit, water, landbouw, stedelijkheid, industrie en vervuiling, mobiliteit tot menselijkheid. Zo nemen we het publiek vanuit Vincent’s waarneming mee naar het Brabant van nu en dat van de toekomst: een waanzinnige ervaring!” Van Gogh Homeland Experience
Bovenaan: Vincent Van Gogh, Zelfportret met grijze vilthoed
Van Gogh schilderde dit zelfportret in de winter van 1887-1888, toen hij al bijna twee jaar in Parijs woonde. Het werk laat zien dat hij de stippeltechniek van de pointillisten had bestudeerd en op zijn eigen, originele manier toepaste. De streepjes verf zijn in verschillende richtingen geplaatst. Ze volgen de omtrek van zijn hoofd en vormen zo een soort aureool. Het schilderij is een van Van Goghs meest gedurfde Parijse kleurexperimenten. Met lange verfstreken plaatste hij de complementaire kleuren naast elkaar: blauw en oranje in de achtergrond, rood en groen in de baard en de ogen. De kleuren versterken elkaars werking. Door het verkleuren van het rode pigment zijn de paarse verfstreken nu blauw, waardoor het contrast met het geel minder sterk is.
Leven Zundert, 30 maart 1853 – Auvers-sur-Oise, 29 juli 1890
Vincent Willem van Gogh (1853-1890). Trekking van de Staatsloterij in Den Haag, 1882. Coll. Van Gogh Museum, Amsterdam. [vergroten door te klikken]
Brieven aan Theo: ..."Ge herinnert U misschien wel in 't begin van de Spuistraat het kantoor van de Staatsloterij van Moorman? Ik kwam daar op een regenachtigen morgen voorbij, toen een menigte menschen daar stonden te wachten om loterijbriefjes te halen. Het waren meestendeels oude vrouwtjes en van die soort van menschen, waarvan men niet weet te zeggen, wat ze doen of hoe ze leven, maar die toch blijkbaar heel wat scharrelen en tobben en zich bewegen in de wereld. Natuurlijkerwijs is oppervlakkig beschouwd, zoo'n troepje luidjes die blijkbaar zooveel belang stellen in 'heden trekking', iets wat U en mij haast doet lachen, in dit opzicht dat de loterij U en mij niet in 't minst schelen kan. Maar het groepje lui - en hun expressie van wachten - trof mij - en terwijl ik het maakte kreeg het voor mij een grootere diepere beteekenis dan in 't eerste oogenblik. Dan wordt het, dunkt mij meer beteekenisvol als men er in ziet: de armen en het geld. Zoo is het trouwens met haast alle figuurgroepen; men moet er wel eens over doordenken, eer men inziet waar men voor staat, de nieuwsgierigheid en illusie over de loterij schijnt ons min of meer kinderachtig - maar het wordt ernstig als men denkt aan de oppositie van misère en dat soort van efforts de perdus van de stakkers om door een loterijbriefje te nemen, betaald met hun uit den mond gespaarde centen, mogelijk, zooals zij zich verbeelden, gered te worden. Wat hier ook van zij, ik heb er een groote aquarel van op touw." ....
Vincent van Gogh, Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen, 1884
Van Goghs leergierigheid loopt als een rode draad door zijn brieven. Hij uit voortdurend zijn behoefte aan kennis en zijn ambitie om zich te verbeteren. Hij begon zijn artistieke carrière op 27-jarige leeftijd en onderscheidde zich van zijn tijdgenoten, van wie de meesten een formele opleiding hadden genoten; Vincent was grotendeels autodidact. Zich bewust van zijn behoefte aan begeleiding, zocht hij die actief op. Van Gogh had contact met verschillende leraren, maar zijn belangrijkste invloeden waren zijn 'papieren leermeesters' – kunstenaars die hij ontdekte via boeken en reproducties. Van Gogh bewonderde rolmodellen als Delacroix, Millet en Rembrandt hartstochtelijk. Van Gogh Museum Facebook
Vincent Van Gogh Zelfportret met grijze vilthoed en ezel, 1886
Vincent van Gogh, Portret van de moeder van Van Gogh, 1888.
Anna Cornelia Carbentus, de moeder van Vincent Van Gogh, was de dochter van Willem Carbentus, een boekbinder uit Den Haag, en Anna Cornelia van der Gaag. Binnen de familie van Carbentus stonden diverse leden bekend als 'zenuwziek'. Dit maakte haar bezorgd om zowel haar eigen gesteldheid als later die van haar kinderen. Als domineesvrouw volgde Carbentus haar man eerst naar Zundert, in 1871 naar Helvoirt en vier jaar later naar Etten. In 1882 betrok het gezin een domineeshuis in Nuenen. Carbentus zette zich, naast de zorg voor haar eigen gezin, in voor arme gezinnen. In haar vrije tijd besteedde ze aandacht aan onder andere tuinieren en aquarelleren. Ze gaf Vincent als kind tekenlessen. (Bron: Wikipedia)
Van Gogh en Gauguin
Vincent van Gogh, Gauguin’s Stoel (1888)
Vincent van Goghs 'Gauguins stoel' lijkt op het eerste gezicht een bescheiden stilleven: een houten schommelstoel, een kaars en een boek. Maar in werkelijkheid is het een van de meest emotioneel geladen portretten die Van Gogh ooit schilderde – een portret zonder lichaam, een meditatie over vriendschap, spanning en een dreigende breuk. Geschilderd in Arles in 1888, tijdens de intense en uiteindelijk rampzalige periode dat Paul Gauguin met Van Gogh in het Gele Huis woonde, wordt de stoel veel meer dan een meubelstuk. Hij staat symbool voor de afwezige kunstenaar zelf. Waar een conventioneel portret gezicht en gebaren zou tonen, geeft Van Gogh ons een object dat doordrenkt is van aanwezigheid – en van onrust. De stoel is weergegeven in krachtige kleuren en dikke, gerichte penseelstreken. De rondingen wiegen naar voren alsof hij rusteloos, onrustig en niet in staat is stil te blijven staan. In tegenstelling tot Van Goghs eigen bescheiden stoel, die vaak wordt gezien als eenvoudig en huiselijk, oogt Gauguins stoel theatraler, imposanter, bijna als een rekwisiet dat op zijn acteur wacht. Op de zitting liggen een kaars en twee boeken. Deze details zijn niet toevallig. De kaars suggereert nachtelijk werk, intellectuele intensiteit, misschien zelfs spirituele waakzaamheid. De boeken roepen Gauguins gecultiveerde, literaire zelfbeeld op – een man van ideeën evenzeer als van verf. Van Gogh, altijd gevoelig, registreert Gauguins anders-zijn: zijn verfijning, zijn afstandelijkheid, zijn ondoorgrondelijkheid. De achtergrond is een veld van diepgroen, zwaar en ingesloten, dat op de stoel drukt. De vloer flikkert met warme rode en okerkleuren, een onrustige ondergrond die onstabiel aanvoelt onder het object. Dit is geen vredige kamer; het is een psychologische ruimte. De stoel staat er alleen, maar het is niet stil. Hij trilt van spanning. Wat dit schilderij zo bijzonder maakt, is de emotionele openhartigheid. Van Gogh schildert op effectieve wijze de sfeer van een relatie: bewondering vermengd met angst, kameraadschap overschaduwd door de vrees voor verlating. Binnen enkele weken zou de relatie uiteenvallen, culminerend in Van Goghs zenuwinstorting. Gauguins Stoel wordt zo een beeld van afwezigheid voordat de afwezigheid volledig is aangebroken – een voorgevoel geschilderd in kleur. Het is zowel eerbetoon als waarschuwing, intimiteit en afstand. Van Gogh transformeert het eenvoudigste huiselijke voorwerp in een symbool van fragiele menselijke verbondenheid en van de eenzaamheid die zelfs in gezelschap kan bestaan. Uiteindelijk is deze stoel niet leeg. Hij is gevuld met de last van verwachtingen, de spanning van het samenleven en de aangrijpende pijn van een artistieke vriendschap die niet stand kon houden.
Vincent van Gogh, La Maison jaune, september 1888. Van Gogh noemde het eerst La Maison et son entourage, maar koos later als titel La Rue. Hij maakte er ook een pentekening van om aan zijn broer Theo te sturen, en een aquarel.
Wervelende penseelstreken, een stralende turquoise hemel, die koppige oude toren die de wind trotseert. Zelfs in het alledaagse landschap vond hij iets levends, bijna ademends. Een van die stille meesterwerken die vandaag de dag nog steeds een elektrische sfeer uitstralen.
Vincent van Gogh – De oude molen, 1888 Arles, Provence.
Verbeelding versus realiteit 🤲 Van Goghs kunstenaarsvrienden Emile Bernard en Paul Gauguin daagden zijn opvattingen uit met hun pleidooi voor schilderen vanuit de verbeelding. Tijdens Gauguins twee maanden durende verblijf in Arles, vanaf eind oktober 1888, experimenteerde Van Gogh: 'Gauguin moedigt me aan om vanuit mijn verbeelding te werken, en dingen uit de verbeelding krijgen inderdaad een mysterieuzer karakter.' Na hun turbulente tijd samen realiseerde Van Gogh zich echter dat wat hij 'abstractie' noemde, indruiste tegen zijn instincten en zijn kernovertuigingen als kunstenaar. Van Gogh werkte graag vanuit de realiteit, hoewel dat niet betekende dat hij alles precies schilderde zoals het eruitzag: 'Ik kan niet werken zonder een model.' Ik zeg niet dat ik de realiteit niet volledig negeer om van een studie een schilderij te maken – door met de kleuren te spelen, te vergroten, te vereenvoudigen – maar ik ben zo bang om mezelf te scheiden van wat mogelijk en juist is wat betreft de vorm.’
Vincent Van Gogh,Portret van Patience Escalier, een schaapherder, 1888.
In Parijs had Vincents drankgebruik zich ontwikkeld tot een ernstige verslaving, en in Zuid-Frankrijk werd het alleen maar erger. Hij arriveerde vol ambitie in Arles, dromend van een gezamenlijke toekomst voor de moderne kunst. Toen collega-kunstenaar Paul Gauguin bij hem kwam wonen, hoopte Vincent dat hun samenwerking zou bloeien en zijn werk naar een nieuw niveau zou tillen. Maar de droom spatte uiteen: ze konden het niet eens worden over de richting die de moderne kunst moest inslaan. Nadien sneed Vincent zijn oor af en werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Cruciaal is dat zijn eerste psychose waarschijnlijk na een paar dagen in het ziekenhuis optrad, toen hij geen toegang had tot alcohol, en niet eerder. Hij keerde terug naar het Gele Huis en begon weer te schilderen, maar er volgden nieuwe crises, afgewisseld met periodes van helderheid, terwijl hij probeerde te begrijpen wat er met hem gebeurde en of hij kon herstellen.
‘Want het is werkelijk prachtig, het is het hart van het platteland, karakteristiek en schilderachtig.’ Zo beschreef Vincent van Gogh Auvers-sur-Oise (FR) in een van zijn laatste brieven.
Na maanden in de psychiatrische instelling in Saint-Rémy zocht hij geen wondermiddel, maar ademruimte. Auvers bood verlichting: dicht genoeg bij Parijs om in de buurt van zijn broer Theo te zijn, maar landelijk genoeg om zich weer thuis te voelen. Het werd hem aanbevolen door collega-kunstenaars en was al een schildersdorp geworden. Voor Vincent werd Auvers een plek om terug te keren naar de wereld en met volle overgave te werken.
En dat deed hij. In iets meer dan twee maanden schilderde hij in een tempo dat onmogelijk lijkt – doek na doek – en produceerde bijna een schilderij per dag.
Vincent schilderde zo'n 200 werken met bloemen als thema, en hij maakte er maar liefst 35 in één zomer! Volgens zijn broer Theo brachten vrienden Vincent vaak kleine boeketjes. Dat kwam hem goed uit, want hij hield van bloemen en koos ze vaak als onderwerp voor zijn schilderijen. In zijn bloemstillevens kon Vincent experimenteren met penseeltechniek en kleur, en onderzoeken hoe de ene tint de andere tot leven kon brengen.
Maken deze zonnebloemen je kalm of geven ze je juist energie? [vergroten door te klikken]
Zonnebloemen schilderen was niet voor bangeriken 😮💨 In een brief aan zijn broer Theo beschreef Van Gogh het als volgt: “om voldoende verhit te raken om die goudtinten en bloemkleuren te laten smelten, dat kan niet zomaar iedereen, het vergt iemands volledige energie en aandacht.”
De tentoonstelling Geel. Meer dan Van Goghs lievelingskleur (13 februari 2026 t/m 17 mei 2026, Van Gogh Museum) onderzoekt voor het eerst wat de kleur geel betekende voor Vincent van Gogh en de kunstenaars van zijn tijd.
Van Gogh vond de kleur geel toen hij in het Zuid-Franse Arles op zoek was naar het heldere licht en de warmte van de zon. Hij schreef aan zijn broer Theo: ‘Een zon, een licht dat ik, bij gebrek aan beter, alleen maar geel kan noemen – bleekzwavelgeel, bleekcitroengeel, goud. Wat is geel toch mooi!’
Vincent van Gogh, Korenveld met een maaier, Saint-Rémy-de-Provence, september 1889, olieverf op doek, 73,2 cm x 92,7 cm. Van Gogh Museum, Amsterdam
Eeuwige cyclus
In de brandende hitte van de zuidelijke zon zwoegt een maaier op het veld. Het graan, geschilderd met dikke klodders gele verf, woelt om hem heen. Voor Van Gogh symboliseert het graan de eeuwige cyclus van de natuur en de vergankelijkheid van het leven.
Dood
In de maaier ziet hij ‘het beeld van de dood (…), in die zin dat de mensheid het gemaaid graan zou zijn’. Hij voegt er echter aan toe dat er ‘niets droevigs’ is aan deze dood. Daarom schildert hij het landschap ‘bij helder daglicht met een zon die alles overspoelt met een licht van fijn goud’.
Gauguin
De maaier is weergegeven met slechts enkele blauwe accenten in de natte gele verf, waardoor de contouren groenachtig zijn geworden. De enkele penseelstreek van de sikkel is nauwelijks zichtbaar. Het schilderij wordt in maart 1890 tentoongesteld op de expositie van de Indépendants in Parijs. Gauguin ziet het daar en schrijft aan Van Gogh: 'Met dingen uit de natuur ben jij de enige die daar nadenkt'. Kröller-Müller Museum
Vincent van Gogh, Rand van tarweveld met klaprozen, 1887
Vincent geeft kleur aan Millet
Wat zou je van deze werken zeggen: zijn het kopieën, remixes of een ode aan een kunstenaar die Vincent bewonderde?
In een korte periode in september 1889 maakte hij verschillende schilderijen gebaseerd op tien kleine prenten.
Die prenten waren al 'vertalingen': houtgravures gebaseerd op schilderijen van Jean-François Millet. Hoewel Vincent de gravures nauwgezet volgde, vond hij niet dat wat hij maakte strikt genomen 'kopiëren' was.
In plaats daarvan zag hij ze als vrije, kleurrijke interpretaties van monochrome prenten van andermans werk – zoals een muzikant die de compositie van een andere muzikant herschikt.
[vergroten door te klikken][ vergroten door te klikken][ vergroten door te klikken][ vergroten door te klikken][ vergroten door te klikken]
Toen ik bij je begon op zoek naar het paradijs op aarde, was ik intussen druk bezig mijn wereld op te schonen.
Zoals met Thich Nhat Han de wonden van Vietnam te helen, en met Christoffer Schippers honderd bloeiende bloemen van Mao van bloed te ontdoen
Tsjernobyl bracht de verschrikkingen van de bom op Japan in herinnering: Human Shadow Etched in Stone, Hiroshima mon amour…
En jij zag het aan en je liet me begaan, je voerde me met zachte hand terug naar het alledaagse bestaan: een computer en een baan, om op eigen benen te staan
Toen kon het spel beginnen… WantJij bent het spel jij bent de wereld, jij bent de schepping. En je houdt op jezelf af te scheiden en te zeggen: ‘Ik moet er nog bijhoren’ – je bent er al! Dan heb je mij niet meer nodig, niemand meer nodig, dan ga je je weg.
En de wereld wordt leger... en leger... en…
De Gobi woestijn in Mongolië, 29 juli 2010. [klik voor de link]
EINDE
2011 was het jaar dat mijn wereld kantelde...
In 2010 ging ik mee op een fantastische reis met de Transsiberië Express, van Moskou naar Ulaanbaatar in Mongolië. Vandaar reden we een week met busjes door de Gobi woestijn, waarna de tocht eindigde in Beijing. Dat smaakte naar meer… In 2011 vatte ik het plan op voor een nieuwe reis met Djoser. Dit keer vanaf Beijing in zuidwestelijke richting en met een wijde boog langs de grenzen van Tibet en Vietnam, eindigend in Hong Kong. Ik was toen 67 en net gepensioneerd. Het was het jaar dat Maarten Houtman overleed. Hij had nog tegen me gezegd: “Moet je doen, joh, die reis, straks kan het niet meer…” Hij reisde met me mee.
Een van de laatste keren dat ik Maarten thuis opzocht – hij was toen tweeënnegentig en voelde zijn einde naderen – zei hij tegen me: “Ik had verwacht dat ik vijfennegentig zou worden…” Ik heb me lange tijd afgevraagd, wat het signaal was dat hij daarmee af wilde geven.
Bij de afbeelding: Houten beeldje van Shou Xing, de Chinese god van een lang leven. Foto Emilie van de Raa
ESSAY Van Auschwitz naar Gaza Op zoek naar de lijn tussen de Holocaust en de genocide in Gaza, is Arnon Grunberg in Israël en de VS. „Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen.”
Arnon Grunberg Gepubliceerd op 6 februari 2026
Over dit artikel Dit is het vierde en laatste deel van een maandelijkse serie waarin schrijver Arnon Grunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.
Zie ook onderaan.
Café Yafa in Jaffa, iets ten zuiden van Tel Aviv, is deze zonnige maandagochtend in januari vrijwel leeg. Ooit was Jaffa een voornamelijk Arabische stad. Volgens een Palestijnse socioloog is op het puin van Jaffa de nieuwe staat Israël gebouwd.
Ik wacht hier op Israel Frey, hij is een chassied, dat wil zeggen een ultraorthodoxe Jood, en tot voort kort was hij ook een journalist. Frey is verscheidene keren met de Israëlische politie in aanraking gekomen na beschuldigingen van opruiing. Zo had hij op X laten weten dat een Palestijn die Israëlische soldaten doodt geen terrorist is. In 2025 schreef hij op X, nadat een aantal Israëlische soldaten door een bermbom in Gaza om het leven was gekomen, dat de wereld een betere plaats is zonder hen. Vanwege dit bericht bracht hij een tijdje door in de gevangenis.
Frey is eind dertig, hij draagt een wit overhemd, eronder bungelen de tsietsiet, de draden die aan vier punten van het gebedskleed hangen dat vrome Joden van het mannelijk geslacht onder hun kleding dragen. Zijn blik zou je spottend kunnen noemen, of misschien ook licht extatisch. Omdat Frey geen Engels spreekt en mijn Hebreeuws rudimentair is, maken we gebruik van een tolk. We gaan op het terras zitten, het weer staat dat net toe
Ik zeg: „Ik wilde met je praten omdat de combinatie van orthodox jodendom en links activisme uitzonderlijk is.”
Frey antwoordt: „Ik beschouw mezelf niet als links, ik geloof dat ik me in het centrum bevind. Gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen die in dit land leeft, is niet een radicaal idee, maar hier vindt men dat heel merkwaardig.” Dan kijkt hij op en vraagt: „Gaat jouw artikel over mij of ben ik gewoon een instrument om dingen beter te begrijpen?”
„Je zit hier tegenover me als persoon”, zeg ik.
„Ik ben liever een instrument”, antwoordt Frey, en hij kijkt me ironisch aan. „Jullie in het westen hebben geleerd het individu op een troon te zetten. Maar waar ik vandaan kom, is het individu niet belangrijk. Wij werken naar ideeën toe.”
„Goed dan,” zeg ik, „ik ben de westerling, jij bent de ander. Je hebt vanwege je berichten op sociale media in de gevangenis gezeten, je hebt je baan verloren, je hebt misschien nog meer dan dat verloren, was het het waard?”
Weer die blik.
„Een goede interviewer,” antwoordt Frey, „begint niet met het stellen van moeilijke vragen, hij begint met het stellen van hele simpele vragen en dan plotseling, zonder dat de geïnterviewde het merkt, komen de moeilijke vragen, maar om je vraag te beantwoorden: ik heb geen spijt. En verder: ideeën over rechtvaardigheid kunnen overwinnen onder moeilijke omstandigheden, ook in tijden van het huidige fascistische regime.”
„Je neemt het woord fascisme in de mond”, zeg ik. „Deze Israëlische regering wordt gesteund door religieus-Joodse partijen en religieuze kiezers. Hoe kon in de buik van de Joodse religie het fascisme groeien?”
„Vriend Arnon”, antwoordt Frey en hij leunt achterover. Even moet ik denken aan mijn jeugd toen ik elke woensdag- en zondagavond naar de synagoge in de Amsterdamse Lekstraat werd gestuurd, naar een zogenoemde misjnaschool, waar ik en mijn klasgenoten onder leiding van een rabbijn discussieerden over Joodse wetten. „Vanuit het niet-individuele perspectief bestaan er geen vergissingen”, gaat Frey verder. „Deze plek is gefundeerd op Joodse raciale superioriteit en aanvankelijk ging het om betrekkelijk vriendelijke superioriteit in een poging de onderdrukking subtiel te laten verlopen. De nieuwe Jood, de Israëli, was een geseculariseerde, nationalistische Jood. Maar om de Joodse superioriteit demografisch te ondersteunen waren meer mensen nodig, Joden die niet uit Europa kwamen, maar uit Irak, Jemen, Marokko, de zogenoemde Mizrachim. Zij moesten ook nieuwe Joden worden. En toen ging er iets mis. Te veel groepen in de Joodse, Israëlische samenleving kregen niet wat hun beloofd was. Ze zouden deel uitmaken van de meerderheid, ze zouden genieten van welvaart, maar ze bleken toch weer de minderheid te zijn en de welvaart viel tegen. Dat gold niet alleen voor de Mizrachim, maar ook voor de inmiddels behoorlijk talrijke chassidim. Zij sloegen hun handen ineen om de macht over te nemen van de oude elites die het land hebben opgebouwd. En zij jagen de oorspronkelijke elites angst aan, want hun superioriteitsgevoel is religieuze, recht-voor-je-raap superioriteit. Niet meer de liberale, Europese superioriteit die voor subtiel kan doorgaan.”
Uitverkoren
Frey stelt voor elders op het terras te gaan zitten, omdat hij meent dat we worden afgeluisterd.
Aan de andere kant het terras vraag ik: „Denk je dat de Joodse superioriteit begon met het zionisme?”
„Luister,” zegt Frey, „dat je in een sjtetl [dorp of stadje waar veel orthodoxe Joden wonen] in de negentiende eeuw in Oost-Europa zegt: ‘wij zijn speciaal, wij zijn uitverkoren’, dat is begrijpelijk. Je moet de onderdrukking voor jezelf en voor je kinderen verklaren. Maar als je vervolgens een natiestaat wordt met echte macht en je doet alsof je nog in de negentiende eeuw zit in een sjtetl – dan wordt het een probleem. Dat is het verschil tussen de folklore van het overleven en flirten met het nazisme.”
„Heeft het zionisme dan gefaald?”
„Wij zijn mensen die met ideeën spelen. Wij willen geloven dat we in de goedheid geloven. Of in iets anders. Maar in de kapitalistische werkelijkheid van macht en geld zijn wij niets dan stof langs de kant van de weg. Gefaald? Het zionisme heeft de meest natuurlijke vooruitgang geboekt die maar mogelijk is. Het heeft zich breed gemaakt, het is groot geworden, heeft zwakkeren overwoekerd. De vroege zionisten leefden in een tijd dat je nog nationale ideeën kon verkopen en tegelijkertijd kon geloven dat je progressief was. De vroege zionisten hoopten op beschaafde, geseculariseerde, Europese superioriteit. En ze kregen Ben-Gvir [minister van Nationale Veiligheid van de extremistische religieus-zionistische partij Otsma Jehudit]. They fucked up.”
Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch
Daarna vertelt Frey nog dat hij inderdaad nog meer kwijt is dan zijn baan. Zijn vrouw is hij kwijt en eigenlijk ook zijn kinderen. Uit angst voor geweld van extremistische, nationalistische Israëliërs heeft hij geen vaste verblijfplaats. Hij vertelt dit zonder zelfmedelijden of zelfverheerlijking. Er zijn immers geen vergissingen.
Als ik mijn opschrijfboekje opberg en weer opkijk is Frey al verdwenen. Ik heb het gevoel een ochtend met een mysticus te hebben doorgebracht, eentje van het provocerende, ironische soort, maar toch. Op mijn appjes met vervolgvragen komt geen antwoord meer.
Monsters
De volgende dag regent het in Tel Aviv zo hard dat de straten blank staan. Ik reis naar Jeruzalem waar het nog harder regent en waar in de oude stad de straten rivieren zijn geworden. Ik tolereer de regen om Amos Goldberg te ontmoeten, historicus, hoogleraar Holocaust-geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Van hem wil ik weten hoe we kunnen ontsnappen aan de mythes en de ketenen van de negentiende eeuw.
Hij nodigt me uit voor een late lunch in het betrekkelijk troosteloze café van de universiteit. Goldberg is een frêle man van begin zestig met zachte stem die zich kleedt alsof het zijn grootste wens is om niet op te vallen.
„Zijn wij, zijn de Joden slaven van het verleden?”, vraag ik als ik mijn salade op heb.
Goldberg antwoordt: „Als je het hebt over slaven van het verleden, heb je het over slachtofferschap. Het Joodse slachtofferschap van na de Holocaust heeft geleidelijk aan, met name vanaf de jaren negentig ziekelijke vormen aangenomen. Maar wij zijn niet alleen slachtoffers. Wij Israëliërs begrepen hoe het slachtofferschap getransformeerd kan worden tot moreel en politiek gereedschap dat ons in staat stelde bijna alle politieke doelen te bereiken. Zelfs als die erg gewelddadig zijn, zelfs als die genocidaal zijn.
„Dat de zionistische kolonisten hier aanvankelijk vluchtelingen waren die antisemitisme en de Holocaust ontvluchtten, maakt de onderneming niet per se goedaardig”, zegt Goldberg. „In de Palestijns-Israëlische context kunt je niet over het ene, de Holocaust, spreken zonder over het andere, de Nakba, te spreken. Anders loop je het risico een monster te worden.”
„Dan zijn er veel monsters onder ons”, zeg ik. „Er zijn mensen die vinden dat de Holocaust en de Nakba niet met elkaar in verband mogen worden gebracht. Dat zijn vaak ook mensen die vragen: waarom krijgt Gaza zoveel meer aandacht dan Soedan?”
„De Holocaust voorzag niet alleen de Joden en de Duitsers van identiteit, maar eigenlijk het hele Westen en tot op zekere hoogte de wereld. Mijn goede vriend en collega Alon Confino, die helaas niet meer leeft, betoogde dat de Holocaust de Franse Revolutie als de centrale gebeurtenis van deze tijd verving. ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ werd ‘Nooit meer Auschwitz’.”
„Ik begrijp het”, zeg ik. „De belofte van broederschap werd de gecultiveerde herinnering aan een trauma.”
Goldberg knikt en hij gaat met zachte stem verder: „De internationale rechtsorde is niet stukgelopen op Soedan maar op Gaza. De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz. Maar als Auschwitz ook niet meer betekent wat het betekende kun je je afvragen, wie zijn de kinderen van het Westen dan nog?”
Het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de anderAmos Goldberg historicus
„Mag ik een banale vraag stellen?”, vraag ik, om dan te vragen: „Zijn er oplossingen?”
„Ik zit niet in de business van concrete oplossingen”, antwoordt Goldberg. „Ik doe aan ideeën, analyses, begrip. Maar ik kan je dit zeggen, ik heb geen hoop maar ik voel de verplichting te spreken en te handelen. En dit: het eigen gevoelde slachtofferschap moet altijd begrensd worden door het slachtofferschap van de ander, zeker als de ander het slachtoffer is van jouw misdaden.”
Ik lach. „De grens van mijn vrijheid is niet langer de vrijheid van de ander, maar mijn slachtofferschap grenst aan dat van de ander. In die tijd leven we.”
„Ik moet college geven”, zegt Goldberg en hij begeleidt me naar de uitgang. De regen is overgegaan in hagel, uitzonderlijk in Jeruzalem. Ik heb het nooit zo koud gehad als deze dinsdag.
De ‘vredesbusiness’
De kinderen van de Verlichting werden de kinderen van Auschwitz, de hoop van vrijheid, gelijkheid en broederschap werd de belofte dat iedereen zich kon vastgrijpen aan zijn eigen trauma.
Het lijkt me goed te spreken met iemand voor wie hoop lange tijd iets uiterst concreets was, iemand die naar eigen zeggen in de „vredesbusiness” zat. Eind jaren negentig en begin jaren nul adviseerde Robert Malley, een Amerikaanse diplomaat, president Bill Clinton tijdens de vredesonderhandelingen tussen de Israëlische premier Ehud Barak en de Palestijnse leider Yasser Arafat. Barack Obama huurde hem later weer in alsadviseur over IS, en Joe Biden als Iran-adviseur. In 2023 startte de FBI een onderzoek naar Malley, omdat hij slordig zou zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie en zich omringd zou hebben met Iraniërs die de Amerikaanse buitenlandse politiek wilden beïnvloeden. Hij verloor zijn toegang tot vertrouwelijke en staatsgeheime informatie. Tegenwoordig doceert hij aan Yale.
Malley zit in een chic café van de universiteit – we zijn inmiddels in Amerika, ooit een stralende stad op de heuvel in de woorden van Ronald Reagan. Het land waarvan ik, misschien tegen beter weten in, burger wil worden. Malley draagt een coltrui en praat met een gemak dat de diplomaat verraadt die hij ooit is geweest.
„Waren de Oslo-akkoorden [in 1993 en 1995 sloten Israël en de Palestijnen overeenkomsten die tot vrede hadden moeten leiden] echt een moment van hoop?”, vraag ik.
„Over Oslo is al genoeg gezegd”, zegt Malley. „Het was een pleister, en een halve pleister. Wij, het Amerikaanse team, beschouwden het Israëlisch-Palestijnse conflict als een conflict over gebied, over onroerend goed zou je kunnen zeggen. Wij onderschatten de emoties. Het waren de laatste zes maanden van het presidentschap van Clinton toen hij Barak en Arafat naar Camp David liet komen. Ik had misschien tegen Clinton moeten zeggen: ‘Dit gaat niet in twee weken lukken’. Of hij naar me had geluisterd, waag ik te betwijfelen. Hij wilde erg graag.”
De volgende anekdote staat niet in het boek van Malley, hij zegt volgens mij veel over Clinton. Toen de vredesbesprekingen mislukten, belde Clinton Arafat en zei: „Ik ben een mislukking en jij hebt van mij een mislukking gemaakt.”
Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vredeRobert Malley Amerikaanse diplomaat
„Toch nog even naar Trump en zijn vredesplan voor Gaza”, zeg ik. „Misschien ondanks alles iets van hoop?”
„Tijdens het eerste presidentschap van Trump werd ik benaderd door [diens schoonzoon] Jared Kushner, ik was natuurlijk gevleid. Hij begreep niet dat de Palestijnen niet akkoord wilden gaan met meer welvaart als ze daarvoor alleen maar hun droom van een eigen staat moesten opgeven. Trumps plan is feitelijk een variant op de economische vrede. De Gazanen worden vazallen van Israël in ruil voor welvaart, ze worden volledig gedepolitiseerd – en dat gaat niet gebeuren. Maar misschien heb ik ongelijk en is dit de toekomst, misschien zegt Trump tegen de inwoners van Groenland, zoveel zijn het er niet: ‘Jullie krijgen straks allemaal een half miljoen dollar per persoon en dan kiezen jullie voor Amerika’.”
„Goed,” zeg ik, „geen hoop. Daar kun jij niets aan doen.”
„Israël heeft de oorlog gewonnen”, antwoordt Malley. Ja, Israël is nog nooit zo’n paria geweest en nog nooit was er zoveel sympathie voor de Palestijnse zaak, maar er is geen bank waar de Palestijnen die sympathie kunnen verzilveren. En Israël vindt vrede een groter risico dan oorlog, omdat Israël denkt toch nooit geaccepteerd te zullen worden. Als je denkt dat de tegenpartij elk moment een aanval kan uitvoeren, lijkt het voeren van oorlog minder bedreigend omdat je dan tenminste zelf het initiatief hebt. Daarnaast is de twee-statenoplossing gebaseerd op de grenzen van 1967 ook een Westerse uitvinding.
„En wat vindt Amerika van Israëls never ending war? Amerika, het enige land waarvan wordt gezegd dat het echt invloed kan uitoefenen op Israël.”
Malley glimlacht. „Vrede tussen Israël en Palestina was nooit een wezenlijk Amerikaans belang, het was nooit een wezenlijk belang van welk land dan ook. Het was een hobby van sommige Amerikaanse presidenten en politici. In mijn boek zegt iemand over de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry: ‘Geef die man een Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanningen, dan hoeft hij wat minder heen en weer te vliegen’.”
„Als vrede een hobby is, dan wordt het nooit wat met die vrede. Wimbledon kan je ook niet winnen als je tennissen als hobby beschouwt”, zeg ik.
„Waar gaat je artikel eigenlijk over?”, vraagt Malley plotseling.
Ik aarzel. „Over Auschwitz en Gaza”, zeg ik. Terwijl ik die woorden uitspreek denk ik aan de titel van het boek dat Malley met de adviseur van Arafat, Hussein Agha, scheef over het mislukte vredesproces: Tomorrow is Yesterday. Precies dat is wat weemoed is, dat morgen gisteren is.
Swingers party
In de trein naar New York kijk ik in mijn agenda wat ik de komende dagen zal gaan doen. Naar een groep chassidim gaan die het chassidisme willen vernieuwen door middel van drugsgebruik en swingers parties? De geschiedenis komt me voor als een grote swingers party.
Ik denk aan Israel Frey die zei dat we met al onze ideeën stof langs de kant van de weg zijn. En aan Amos Goldberg die sprak over het risico een monster te worden.
Voor de swingers party begint, zal een chassied van het vooruitstrevende soort in een koosjer restaurant in Brooklyn tegen me zeggen: „Waarvoor hebben we Israël nodig? Waarvoor hebben we Europa nodig? Waarvoor hebben we Amerika nodig? We hebben New York.”
En in de krant zal ik lezen dat de nogal conservatieve New York Times-columnist Tom Friedman ICE-agenten met Hamas-strijders vergelijkt. De wreedheid van de staat, zelfs de Amerikaanse, en de wreedheid van de terroristische bewegingen, die altijd ook weer door sommigen als bevrijdingsbewegingen worden gezien, ontlopen elkaar niet veel. Dat zelfs een behoudende columnist als Friedman agenten van de Amerikaanse federale overheid met Hamas-strijders vergelijkt, geeft de omvang van de wanhoop aan, niet alleen geografisch.
De noodtoestand is de normale toestand. En morgen is gisteren. Vooruitgang? Hoe word je geen monster?
Het stof langs de kant van de weg waait op en dwarrelt weer neer.
Derk Walters vanuit Maastricht Gepubliceerd op 6 februari 2026
INTERVIEW Mirjana Spoljaric Egger | voorzitter Rode Kruis Nu zelfs hulpverleners in conflictgebieden soms doelgericht worden gedood, heeft de uitholling van het internationaal humanitair recht alle grenzen overschreden, zegt Mirjana Spoljaric Egger, voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). „Als je de basisregels wegneemt, is het nergens meer veilig.”
Halverwege het gesprek is Mirjana Spoljaric Egger zichtbaar geëmotioneerd. De voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) heeft zojuist in meer abstracte termen over het internationaal humanitair recht verteld, maar nu gaat het over haar vijftien collega’s in Gaza die Israël met ambulance en al onder het zand begroef. En dan is de schending van dat recht ineens heel concreet.
„Het was moeilijk om naar de foto’s van die gebeurtenis te kijken. Meer dan moeilijk, ik kon er niet naar kijken, ik ben er kapot van. Misschien ook omdat ik mijn collega’s daar tijdens de vijandelijkheden aan het werk heb gezien. Dit is iets wat nooit had mogen gebeuren.”
Het is, kortom, „niet de beste tijd” om voorzitter van het Rode Kruis te zijn, verzucht Spoljaric Egger. In Maastricht, waar ze eind januari een eredoctoraat in ontvangst nam, zet de Kroatisch-Zwitserse voormalige diplomaat uiteen wat er vanuit het perspectief van een humanitaire instelling allemaal de verkeerde kant op gaat in de wereld.
„Er zijn twee keer zo veel conflicten als vijftien jaar geleden, en ze zijn vaker grensoverschrijdend, tussen landen met zeer krachtige legers. Nieuwe technologieën, met name AI, versterken de vernietigende kracht van wapens, vooral voor burgers. Er zijn enorm veel meer onredelijke, agressievere aanvallen op de bevolking. Opzettelijke aanvallen op hele gezondheidszorgstelsels om de bevolking te verdrijven. En totale vernietiging van hele gebieden, zoals Gaza.”
Naleving internationaal recht is in verval Het internationaal humanitair recht „staat op knappen”, concludeerde de Academie voor internationaal humanitair recht en mensenrechten in Genève deze week. Het onderzoekscentrum wijst onder meer op zeker honderdduizend gedode burgers in zowel 2024 als 2025, plus het straffeloos plegen van verkrachtingen en martelingen.
CVMirjana Spoljaric Egger
1972 Geboren in Kroatië. Verhuisde op jonge leeftijd naar Zwitserland 2000 Ging werken voor het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer in Bern, New York en Caïro
2010 Adviseur bij UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, in Amman
2012 VN-ambassadeur namens Zwitserland
2018 Hoge ambtenaar bij de VN
2022 Voorzitter van het Internationaal Comité van het Rode Kruis
Gaza, zegt Spoljaric Egger, leverde misschien wel het meest tastbare bewijs voor de afkalving van het internationaal recht. „Ik heb Gaza twee keer bezocht in twaalf maanden tijd. De vijandelijkheden hielden nooit op. Er was geen minuut dat je geen schoten hoorde. Dat je lichaam de beschietingen niet voelde.”
De tweede keer dat ze er was, herkende ze de plek waar ze een jaar eerder was niet meer. „Ik kon me niet meer oriënteren. De eerste keer werden individuele gebouwen aangevallen. Elke wijk werd getroffen, maar niet volledig verwoest. Toen ik terugkwam, was er niets meer over.”
Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen
Hoe oordeelt u daarover, vanuit het perspectief van het internationaal humanitair recht? „Wat we in Gaza hebben gezien, overschrijdt alle wettelijke, ethische, morele en humane normen. We kunnen geen oorlogvoering accepteren die tot deze situatie leidt.”
Wat vindt u van de argumenten die Israël aandraagt, bijvoorbeeld het recht op zelfverdediging? „Dat is geen excuus om de wet te overtreden. Je hebt dezelfde situatie in je nationale rechtsstelsel. Wanneer iemand een familielid van je vermoordt, geeft dat jou niet het recht om zijn familieleden te doden. Zo werkt het gewoon niet. Het is precies hetzelfde principe.”
Hulpverleners van het Rode Kruis evacueren een gewonde na een Russische luchtaanval in Kyiv.Een Palestijns kind met brandwonden in het ziekenhuis in Gaza, na een Israëlische raketaanval. FOTO ABED RAHIM KHATIB/GETTY IMAGES
Kunt u een voorbeeld noemen van een principe dat niet langer nageleefd wordt? „Neem het recht op veilige doorgang. Wanneer mensen onder vuur komen te liggen, bemiddelen wij om hun een veilige aftocht te bieden. Maar in het huidige conflict is het niet langer mogelijk om te vertrouwen op een veilige doorgang. Zelfs als hulpverleners van het Rode Kruis groen licht krijgen, lopen ze nog het risico onder vuur te komen te liggen. Dit is een nieuwe situatie, die helaas niet beperkt is tot Gaza. Het gebeurt ook in Soedan, in Myanmar.”
Conferentie over menselijkheid in de oorlog
In september 2024 lanceerde het Internationaal Comité van het Rode Kruis een initiatief met Brazilië, China, Frankrijk, Jordanië, Kazachstan en Zuid-Afrika om politieke betrokkenheid bij het internationaal humanitair recht te stimuleren. Eind dit jaar is Jordanië gastheer van een conferentie over menselijkheid in de oorlog. Inmiddels hebben 99 landen zich bij het initiatief aangesloten.
Spoljaric Egger: „We proberen politiek momentum te genereren rond het idee dat als we de uitholling van het internationaal humanitair recht niet stoppen, we onze eigen bevolking onveilig maken. Je kunt zeggen dat Soedan ver weg is en dat dit nooit invloed op je zal hebben. Maar drones worden tegenwoordig bestuurd door mensen die zich duizenden kilometers verderop bevinden. Dus als we met iemand onderhandelen over bijvoorbeeld veilige doorgang, kunnen we er niet zeker van zijn dat die doorgang veilig is. Want degene die de trekker overhaalt, zit honderden kilometers verderop. En degene die ons groen licht geeft, heeft geen controle over die andere persoon.”
Het ICRC – een losstaande zusterorganisatie van het Nederlandse Rode Kruis – afficheert zichzelf als neutraal. Vanwege die neutraliteit kan bijvoorbeeld ook China voor zo’n conferentie benaderd worden; zolang dat land zich opstelt vóór het internationaal humanitair recht, is het welkom. Over het beleid van de Chinese regering heeft het Rode Kruis verder geen mening.
Die opstelling komt de organisatie ook op kritiek te staan. Als je in een conflict geen kant kiest, faciliteer je dan niet de agressor? Zo kreeg de organisatie bijvoorbeeld kritiek dat ze Rusland hielp door steun te verlenen tijdens het deporteren van Oekraïners.
Neutrale statements van het Rode Kruis vallen niet altijd goed. Onlangs uitte de organisatie kritiek op Russische én Oekraïense aanvallen op de energie-infrastructuur, omdat die miljoenen mensen in de kou laten zitten. Hierop beschuldigde de Oekraïense minister Andri Sybiha (Buitenlandse Zaken) de organisatie van „foute morele gelijkwaardigheid”: het Rode Kruis zou een agressor en een land dat zichzelf verdedigt op één lijn stellen.
Andere hulporganisaties kijken anders naar dit soort kwesties. Zo scheidden enkele Franse artsen zich, uit onvrede met die verregaande neutraliteit, in 1971 van het Rode Kruis af en richtten Artsen zonder Grenzen op. In tegenstelling tot het Rode Kruis schroomt die organisatie niet om kant te kiezen tegen agressors.
‘Het Rode Kruis is een gemakkelijk doelwit’ Spoljaric Egger is kritiek wel gewend: „Israël gaf ons de schuld omdat we de gijzelaars niet bezochten. Hamas gaf ons de schuld omdat we geen humanitaire hulp brachten. De Oekraïners geven ons de schuld omdat we geen oorlogsgevangenen bezoeken. Het Rode Kruis is al honderdzestig jaar altijd op het slagveld aanwezig. Het is een gemakkelijk doelwit.”
Wat zegt u tegen de critici? „Wij zijn een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige internationale organisatie. We zouden ons werk nooit kunnen doen als we partij zouden kiezen.”
Het Rode Kruis is afhankelijk van toegang tot slachtoffers. U moet dus met overheden praten. Stelt u in die gesprekken ook het humanitaire recht aan de orde? „Ja, maar in stilte. Niet omdat we lafaards zijn, maar omdat we geloven dat dat de beste manier is om zo veel mogelijk mensen te helpen. Mijn collega’s over de hele wereld stellen elke dag uitgebreid allerlei kwesties aan de orde en werken soms in uiterst ingewikkelde omstandigheden, met als doel om mensen te beschermen. Kijk maar eens naar de foto’s van de vrijlating van Israëlische gijzelaars door Hamas. Je ziet onze ongewapende collega’s, omringd door duizenden gewapende strijders. En toch vertellen ze iedereen hoe ze zich moeten gedragen om ervoor te zorgen dat degenen die bescherming nodig hebben, met respect worden behandeld.”
The Gaza Ministry of Health receives from the Red Cross the remains and bodies of 15 unidentified Palestinians returned by Israel, to be buried in a mass funeral in Gaza City, 29 January 2026. FOTO MOHAMMED SABER/EPA
Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken
Kunt u verklaren waarom hulpverleners kennelijk niet langer onschendbaar zijn? „Ik bespeur een groeiende trend om de vijand te ontmenselijken. Dit is naar mijn mening een van de gevaarlijkste ontwikkelingen in de recente oorlogsvoering. Wat we vandaag horen, ook in debatten in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, heb ik nooit gehoord toen ik twintig jaar geleden mijn diplomatieke carrière begon, en ik ben verbaasd dat delegaties in de zaal blijven, niet reageren, geen verontwaardiging tonen. Wanneer een officiële vertegenwoordiger van een land de bevolking van een ander land openlijk ontmenselijkt, moet de internationale gemeenschap reageren. Als je mensen er vrijuit over laat praten, is het een kwestie van tijd voordat mijn collega’s die ontmenselijking in de praktijk gebracht zien worden op de slagvelden.”
Aan de cycli van macht valt niet te ontsnappen, toonde de Arabische geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn Muqaddima. Zijn indrukwekkende intellectuele nalatenschap is in deze tijd van grote transformatie weer hoogst actueel.
Lotfi El Hamidi, beeld Joost Krijnen
5 februari 2026 – verschenen in De Groene Amsterdammer nr. 06
“De fundamenten van de westerse hegemonie staan op instorten. De breuk met de naoorlogse liberale orde is aanstaande en onomkeerbaar. Hoe de wereld zonder gezamenlijke regels eruit zal zien moet nog blijken, maar de rivaliteit tussen meerdere grootmachten tekent zich af. De Verenigde Staten hebben niet meer de economische en morele basis en aantrekkingskracht om het idee van een universele orde te vertegenwoordigen. Het onvoorspelbare en destructieve gedrag van de machthebbers in Washington maakt dat steeds minder landen nog geloven in een duurzame relatie met de Amerikanen. De meeste landen moeten nu nadenken hoe zij zich gaan verhouden tot de sterksten der aarde. De uitdaging is hoe een nieuwe internationale orde te creëren mét de idealen en principes die na de oorlog in ieder geval de westerse wereld stabiliteit, voorspoed en vrijheid hebben gebracht.”
Wie deze woorden leest zou misschien denken dat die rechtstreeks komen uit de memorabele en veelbesproken toespraak van de Canadese premier Mark Carney tijdens het World Economic Forum in Davos. Doe er een vleugje Thucydides bij, de Griekse historicus die Carney aanhaalde om de huidige machtsstrijd te typeren (‘de sterken kunnen doen wat ze willen en de zwakken moeten lijden wat ze kunnen’), en bovenstaande tekst had een bondige samenvatting van zijn rede kunnen zijn.
Het is toeval (althans, laten we daarvan uitgaan), maar de woorden zijn van de Portugese ex-politicus en schrijver Bruno Maçães. In zijn essaybundel Exit from Our Age of Disorder, gepubliceerd in november 2025, nam Maçães al afscheid van de liberale orde voordat de premier van Canada zijn conclusies trok. Dat deed de Portugees niet aan de hand van Thucydides maar via de inzichten van een andere illustere historicus: Ibn Khaldun (1332-1406). Maçães schreef in opdracht van het in 2025 opgerichte Ibn Khaldun Institute in Washington, dat zich buigt over hedendaagse vraagstukken aan de hand van de intellectuele nalatenschap van de Arabische historicus.
Sommige historici beschouwen zijn werk als tijdloos, andere geschiedkundigen zijn juist beducht om daar eeuwigheidswaarde aan toe te kennen. Anachronismen liggen vaak op de loer, maar dat zegt wellicht meer over degenen die hem aanhalen dan over Ibn Khaldun zelf. Maar dat zijn denken nog altijd van meerwaarde blijkt in het begrijpen van het verleden én de wereld van vandaag staat buiten kijf.
Ibn Khaldun was in ieder geval geen kroniekschrijver met toevallig goede pr. In wetenschappelijke kring behoort hij tot een van de belangrijkste Arabische denkers uit de (late) Middeleeuwen. Zijn bekendste werk, de Muqaddima, de inleiding van zijn historiografische overzichtswerk Kitab al-’ibar (‘Het boek der voorbeelden’), wordt op westerse universiteiten kritisch gelezen en behandeld. Vooral zijn theorieën over de opkomst en ondergang van beschavingen spreken tot de verbeelding. Wanneer staten of dynastieën verrijzen of vallen is zijn naam dan ook nooit ver weg. In de Arabische wereld wordt hij al op de lagere school onderwezen; in de Maghreb is zijn status onder het ‘gewone volk’ vergelijkbaar met die van Hugo de Groot in Nederland, zoals Midden-Oosten-kenner Abdou Bouzerda opmerkte. Tijdens de Arabische Lente, toen meerdere regimes na decennia alleenheerschappij omver werden geworpen of op omvallen stonden, werd het werk van Ibn Khaldun door Arabische analisten veelvuldig besproken.
Niet voor niets begon historicus Albert Hourani zijn magnum opus A History of the Arab Peoples (1991) met een uitgebreide proloog gewijd aan het leven van Ibn Khaldun. Hourani zag in hem de belichaming van het culturele continuüm van de Arabische wereld. Ibn Khalduns verre voorouders zouden hun oorsprong hebben in de Hadramaut, een gebied in het huidige Jemen. Met de veroveringstocht van de Arabieren na de dood van de profeet Mohammed in de zevende eeuw belandde Ibn Khalduns stam uiteindelijk in het zuiden van Spanje. In Sevilla vormden leden van de stam eeuwenlang een soort aristocratische klasse. Na de christelijke herovering van de stad halverwege de dertiende eeuw zochten zij hun toevlucht in Noord-Afrika. Ibn Khalduns overgrootvader en grootvader leverden in Tunis als hoge ambtenaren hun diensten aan de regerende dynastie van de Hafsiden, zoals andere leden van de voormalige Andalusische elite hoge posities bekleedden bij rivaliserende hoven in Marokko en Algerije.
Hij werd in 1332 in Tunis geboren, Abu Zayd Abd ar-Rahman ibn Muhammad ibn Khaldun, en leek enigszins voorbestemd om een geleerde te worden, na intensief onderricht in religie, jurisprudentie, de Arabische taal en geschiedenis. Tegelijkertijd lonkte een politieke carrière in de voetsporen van zijn voorouders, al was dat een onzekere, om niet te zeggen riskante loopbaan. Hoge functionarissen konden in de snel veranderende machtsverhoudingen van de ene op de andere dag in ongenade raken.
Ibn Khaldun leefde in een tijd van grote omwenteling. De oude wereld zoals hij die van zijn leermeesters onderwezen kreeg desintegreerde waar hij bij stond. Het roemruchte Arabisch-islamitische rijk was allang een schim van zichzelf geworden, niet meer dan een oude en vermoeide beschaving in verval. Wie de kaart van de Arabische wereld in de veertiende eeuw erbij pakt kijkt naar een soort Game of Thrones, zoals historicus Robert Irwin het noemde. In Noord-Afrika streden rivaliserende rijken tegen elkaar, terwijl in Andalusië de kruisridders in hun Reconquista alleen nog de enclave Granada niet in handen hadden. De christelijke mogendheden begonnen zich zelfs te mengen in de machtsstrijd tussen Noord-Afrikaanse vorsten. In het Midden-Oosten ging het er nog slechter aan toe, nadat het Abbasidische Kalifaat ter ziele was gegaan en de Mongolen de Levant waren binnengevallen. En alsof het allemaal niet erger kon werd de regio halverwege de veertiende eeuw geteisterd door de Zwarte Dood. Ibn Khaldun verloor onder anderen zijn ouders en leermeesters.
De geschiedenis was hiermee voor Ibn Khaldun niet alleen een ver verleden of vergane glorie, maar een levendige ontwikkeling waar hij getuige van was. Om grip te krijgen op die veranderende wereld voldeed de islamitische geschiedschrijving niet. In zijn Muqaddima (letterlijk ‘Inleiding’) ontleedt hij de tekortkomingen van zijn voorgangers, veelal inwisselbare kroniekschrijvers. Zo was het traditionele gebruik van de isnad, een overleveringsketen waar ook de hadith (de overleveringen van de uitspraken van de profeet Mohammed) op gebaseerd is, volgens Ibn Khaldun niet voldoende om het verleden waarachtig te reconstrueren. Historici leunden te veel op de autoriteit en betrouwbaarheid van een enkele bron, schreven niet zelden ten faveure van de heersende macht en maakten geen onderscheid tussen feit en fictie. Geschiedenisverhalen die deels afgeleid waren van 1001 nacht of die aantoonbare feitelijke onjuistheden bevatten verwees Ibn Khaldun dan ook naar het rijk der fabelen. Wat overigens niet betekende dat hij een agnost was – Ibn Khaldun was naast wetenschapper ook een strenggelovige mysticus. Het één hoefde het ander niet uit te sluiten.
Zijn baanbrekendste inzicht was het uitgangspunt dat het menselijk samenleven onderworpen is aan algemene principes die de mens zelf tot stand heeft gebracht. Mensen zijn volgens Ibn Khaldun in essentie sociale en politieke wezens die hun relaties vormgeven via onderlinge afspraken, verdragen en instituties. De ontwikkeling van een maatschappij volgt de ‘logica’ binnen dat sociale kader. Het is dit theoretische raamwerk waar Ibn Khaldun eeuwen later het predicaat ‘de eerste socioloog’ aan te danken heeft, als voorloper van Europese filosofen als Giambattista Vico en Auguste Comte die op soortgelijke wijze de cultuurgeschiedenis begonnen te analyseren.
‘Het verleden lijkt meer op de toekomst dan een waterdruppel op een andere lijkt’, luidde zijn lijfspreuk. Ibn Khaldun meende in de geschiedenis patronen te ontwaren. Een dynastie had niet het eeuwige leven – dat op zichzelf was geen originele vaststelling, al in de Klassieke Oudheid dacht men in opkomst en ondergang van heersers en rijken. Maar Ibn Khaldun wilde weten hoe zo’n werdegang van dynastieën zich voordoet. Met zijn studie naar de Arabische en Berberse vorstendommen probeerde hij het cyclische proces in kaart te brengen.
Het slagveld bij Damascus tussen de Mamlukse sultan van Egypte en de Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk, toegeschreven aan Kamaleddin Behzad, ca. 1494-1495
Centraal in Ibn Khalduns theorie staat de zogeheten ‘asabiyya, vrij vertaald groepssolidariteit of sociale cohesie. Om de meedogenloze omstandigheden van het woestijnleven te trotseren was die solidariteit in stamverband een noodzakelijke voorwaarde. Maar Ibn Khaldun zag in ‘asabiyya ook een potentiële drijfkracht voor de opkomst van een nieuwe dynastie. Zodra een stam uit het achterland zich weet te verenigen en overtuigd raakt van een heilige missie, vormt het een macht die zich niet laat stoppen. De steden zijn vervolgens overgeleverd aan deze horde, die uiteindelijk de heerschappij overneemt van de zittende macht. Totdat ook deze plaatsvervangende dynastie ‘gecorrumpeerd’ raakt door het sedentaire leven. Van de groepscohesie blijft na verloop van tijd (volgens Ibn Khaldun na drie, hooguit vier generaties) weinig over. Dan is het een kwestie van tijd voordat een nieuwe dynastie zich aandient om de macht te grijpen.
Opvallend (en in zekere zin actueel) in zijn theorie is de tegenstelling tussen stad en platteland. Voor een stedeling pur sang was Ibn Khaldun opvallend streng over het stadse leven. De cultuur in de stad is verfijnd, er is welvaart en luxe. Maar dat maakt de stedeling in zijn ogen juist zo decadent, spiritueel zwak en fysiek weerloos. De stad was volgens Ibn Khaldun ook een ongezonde omgeving, een brandhaard van besmettelijke ziektes, een aanname die ongetwijfeld werd ingegeven door zijn traumatische ervaring met de pest. De stad, met al zijn bibliotheken, gebedshuizen, scholen en infrastructuur, is weliswaar het hoogtepunt van de beschaving, maar paradoxaal genoeg ook het begin van het verval.
Voor het leven in het achterland reserveerde Ibn Khaldun andere kwalificaties. Volgens hem stond de nomade (en in mindere mate de boer) dichter bij de wereld zoals die ooit door God geschapen was. De nomade leidde een hard maar deugdzaam leven, had genoeg aan weinig en was alleen afhankelijk van zijn clan of stam. In zijn natuurlijke habitat was hij heer en meester, buitenstaanders konden zich niet handhaven in het onherbergzame gebied. Buiten de stad kon de nomadische stam zich vrijspelen van de cyclus waar elke beschaving uiteindelijk aan ten onderging. De nobele wilde avant la lettre.
De laatste generatie is losgeweekt van het oorspronkelijke nomadenbestaan en kan in haar teloorgang alleen nog maar de schijn ophouden. Zoals Ibn Khaldun schreef in zijn Muqaddima: ‘Ze proberen anderen te imponeren met hun emblemen, hun kleding, hun paardrijkunst en hun talent om met wapens om te gaan, maar de meesten van hen zijn nog weerlozer dan vrouwen die op hun rug liggen.’ (Dat een samenleving in verval ‘verwijfd’ zou zijn keert wel vaker terug in Arabische teksten. Toen de Nasridische koning Mohammed XII, ook wel ‘Boabdil de Ongelukkige’, na de val van Granada in 1492 een laatste keer omkeek naar zijn verloren rijk en snikte, zou zijn moeder hem hebben toegebeten: ‘Huil als een vrouw voor wat je niet kon verdedigen als een man.’)
Ibn Khalduns inzichten waren overigens niet louter gestoeld op theoretische kennis en denkwerk. Gedurende zijn leven werkte hij voor verschillende Maghrebijnse machthebbers als politiek adviseur, diplomaat of vizier. Loyaliteit was ondergeschikt aan zijn zucht naar ambitie en succes. Hij verruilde de ene heerser met gemak voor de rivaal als het hem uitkwam. Zijn machiavelliaanse wijze van politiek bedrijven maakte hem allerminst populair, wel berucht. Ibn Khaldun was betrokken bij vele politieke intriges en coups, waardoor hij constant op de vlucht sloeg en moest vrezen voor zijn leven.
In 1374 verliet Ibn Khaldun de slangenkuil en verbleef vier jaar in Qal’at ibn Salaama, een burcht in het onherbergzame achterland van het huidige Algerije. Daar, tussen de ruïnes, begon hij in betrekkelijke isolatie aan zijn omvangrijke Kitab al-’ibar.Vervolgens trok hij met zijn familie alsnog naar Tunis, waar hij in een meer wetenschappelijke omgeving zijn werk wilde voortzetten. In 1382 begon hij een nieuw avontuur door naar Egypte te verhuizen, waar hij tot aan zijn dood in 1406 zou werken als opperrechter.
Een opmerkelijk intermezzo in zijn laatste levensjaren vond in 1401 plaats, toen Ibn Khaldun als delegatielid namens de Mamlukse sultan van Egypte naar Syrië afreisde om de beruchte Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk (1336-1405) te ontmoeten. Ibn Khaldun verbleef een aantal weken in het legerkamp dat de despoot opsloeg net buiten de stadsmuren van Damascus. De Mamlukse machthebbers hoopten via ‘hun’ intellectueel op diplomatieke wijze de Mongoolse leider te overreden af te zien van de plundercampagne in de Levant. Ibn Khaldun had ongetwijfeld andere motieven en verhield zich tot Timoer Lenk als Goethe tot Napoleon eeuwen later. Deze ‘gesel Gods’ was namelijk in zijn ogen wellicht ook de redding van het tanende islamitische rijk, vanwege de sterke ‘asabiyya die hij met zijn nomadische horde tentoonspreidde in zijn allesverwoestende veroveringstocht. In de dialectiek van Ibn Khaldun kon destructie immers ook het begin zijn van een nieuwe fase. (Ondanks de wekenlange logeerpartij en loftuitingen over en weer, kon Ibn Khaldun de Mongoolse plundering van Damascus niet voorkomen.)
Na de dood van Ibn Khaldun leek de interesse in zijn nalatenschap ook verdwenen, althans in de Arabische wereld. In Spanje werd zijn werk in de zestiende eeuw samen met duizenden Arabische manuscripten verbrand tijdens de Spaanse inquisitie, een poging om alle islamitische sporen op het Iberische schiereiland te wissen. In het oostelijk deel van de islamitische wereld was er nog wel enige belangstelling. De Turkse vertaling van de Muqaddima werd in het Ottomaanse Rijk vanaf de zeventiende eeuw gretig gelezen door geleerden en ambtenaren. Deels vanuit noodzaak; de Ottomanen gebruikten Ibn Khalduns werk als een soort handleiding om de cyclus als het ware te ‘kraken’, of in ieder geval de fase van verval te ‘vertragen’.
De herwaardering (of ‘herontdekking’) van Ibn Khaldun vond ironisch genoeg niet plaats in de islamitische wereld maar in het Westen. In Europa werd zijn naam vanaf de achttiende eeuw door oriëntalisten steeds vaker genoemd, met fragmenten uit zijn bekendste werk, de Muqaddima. Het duurde tot de negentiende eeuw voordat hij serieus werd vertaald, niet geheel toevallig op het moment dat de Fransen bezig waren met het koloniseren van Algerije. De Ierse oriëntalist en filoloog William McGuckin de Slane (1801-1878), die voor het Franse leger in Noord-Afrika als vertaler werkte, had als taak om kennis over het gebied te ontsluiten. Met zijn vertaling van Ibn Khalduns werk halverwege de negentiende eeuw, dat in het Frans de titel Histoire des Berbères kreeg, werd het de belangrijkste bron voor de Fransen over de Arabische en Berberse geschiedenis van Noord-Afrika.
Hiermee begon ‘the strange afterlife’ van Ibn Khalduns erfenis, zoals een van de hoofdstukken van Robert Irwins biografie over de Maghrebijnse historicus luidt. Voor de Fransen werd de Muqaddima een soort antropologische handleiding in dienst van de koloniale onderneming in de Maghreb. De Franse verovering van Marokko aan het begin van de twintigste eeuw verliep dan ook voortvarend door de kennis van de stammenstructuur en de verhouding tussen de sultan en het achterland. (Marokko, overigens, dat sinds de zeventiende eeuw geregeerd wordt door de Alawitische dynastie ‒ niet te verwarren met de Levantijnse alawieten – en daarmee de khalduniaanse cyclus lijkt te hebben gebroken. Volgens historicus Stephen Cory, gespecialiseerd in de vroegmoderne periode van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, wisten de Alawieten hun macht een religieuze legitimiteit te geven die eeuwenlang voor een fragiele maar duurzame ‘asabiyya zorgde. De Marokkaanse monarch leunt nog op altijd op de claim een rechtstreekse afstammeling te zijn van de profeet Mohammed.)
De Britse historicus Arnold Toynbee (1889-1975), die Ibn Khaldun in de Engelstalige wereld populariseerde, kwam superlatieven tekort toen hij de Muqaddima omschreef als ‘the greatest work of its kind that has ever yet been created by any mind in any time or place’. De historicus van de grote greep toonde zich schatplichtig aan Ibn Khaldun, niet in de laatste plaats om zijn eigen status te vergroten. Zijn meerdelige A Study of History, over de opkomst en ondergang van beschavingen, borduurde deels voort op het khalduniaanse model van machtscycli. Met het grootste verschil dat Toynbees studie vrijwel nergens meer serieus wordt genomen, terwijl Ibn Khalduns werk nog fier overeind staat.
Dat is op zichzelf een indrukwekkende prestatie, daar waar Ibn Khaldun een man van zijn tijd en omgeving was en zijn Muqadimma geen comparatieve studie is. Wat hem nog altijd zo bruikbaar maakt is misschien wel zijn vindingrijkheid, heldere taal en multidisciplinaire aanpak. Voor de één een antropoloog, voor de ander een socioloog, voor weer een ander een geschiedfilosoof en soms zelfs een proto-marxistische econoom: allemaal anachronistische labels, maar het toont wel het ontzag dat Ibn Khaldun nog altijd geniet onder hedendaagse wetenschappers. Zijn denken geeft nog altijd aanknopingspunten voor het begrijpen van ontwikkelingen van vandaag.
‘We leven in de echte wereld, die wordt geregeerd door kracht, die wordt geregeerd door macht. Dat zijn de ijzeren wetten van de wereld sinds het begin der tijden’, aldus plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis Stephen Miller. Dat de VS met alle machtsvertoon zich misschien juist in het herfsttij bevinden is net zo’n ‘ijzeren wet’ van de wereldgeschiedenis, aldus Bruno Maçães in Exit from Our Age of Disorder. Nu de liberale waarden, hoe hypocriet die ook decennialang door westerse landen werden nageleefd, geen rol van betekenis meer spelen in de wereld van de Pax Americana, blijft inderdaad kracht over. Destructieve kracht welteverstaan.
Het is volgens Maçães hopeloos om te proberen de oude orde te redden. Die heeft zijn beste tijd gehad. De val van het Westen is onvermijdelijk, gelooft Maçães in navolging van Ibn Khaldun. Aan de geschiedenis valt niet te ontsnappen. Maar dat hoeft volgens hem ook niet. Vanuit de huidige ruïnes kan een nieuwe orde geschapen worden zonder te vervallen in chaos. Het Westen zal in deze overgangsfase pragmatisch moeten zijn en de resterende invloed dat het nog heeft moeten inzetten om een gelijkwaardige relatie op te bouwen met wat de Canadese premier Carney in Davos ‘middelgrote landen’ noemde. De liberale waarden zijn nog altijd te verkiezen boven de illiberale orde zoals de Russen of Chinezen die graag in de wereld willen zien, aldus Maçães.
Ibn Khaldun geloofde dat zijn wereld tot een einde liep. Maar hij geloofde ook in een wereld die opnieuw kon beginnen.
Acht jaar na Blue Maqams keert Anouar Brahem terug met een aangrijpend project, getiteld naar een versregel van dichter Mahmoud Darwish, die vraagt:
“Waar zouden de vogels moeten vliegen, na de laatste hemel?”
Elegante kamermuziekstukken voor oed, cello, piano en bas behandelen op subtiele wijze de metafysische vraag en de brede resonanties ervan in een onrustige tijd.
Terwijl hij put uit de traditionele modi van Arabische muziek, heeft Brahem ook consequent geprobeerd om contact te maken met de wijde wereld en vond hij inspiratie in vele bronnen uit verschillende culturen. Bassist Dave Holland en pianist Django Bates maken opnieuw deel uit van het internationale kwartet van de Tunesische oed-meester, nu vergezeld door celliste Anja Lechner.
Brahems verstandhouding met Holland – voor het eerst gevestigd op het Thimar-album van 1998 – is inmiddels legendarisch. “Daves spel geeft me vleugels”, heeft Anouar gezegd, een observatie die herhaaldelijk op de plaat terugkomt.
Django Bates’ piano, een belangrijke ondersteunende kracht door het hele album heen, draagt bij aan wervelende solo’s. Het album markeert de eerste keer dat Anouar een cellist in zijn groepsmuziek heeft opgenomen. Anja Lechner, een leidende stem in de opname, is al lang bekend met Brahems composities en heeft ze in haar eigen recitals opgenomen. De cello krijgt hier de eerste en laatste statements.
“After the Last Sky” werd in mei 2024 opgenomen in Lugano’s Auditorio Stelio Molo RSI en geproduceerd door Manfred Eicher. – ECM Records
Bovenaan:Dhafer Youssef – Birds Requiem (2013) Dhafer Youssef, die net als Anouar Brahem uit Tunesië komt, beschouwt zichzelf niet als jazzmuzikant. Toch bieden jazzmuzikanten hem de ruimte en vrijheid die hij nodig heeft om te floreren, en in hun gezelschap voelt hij zich meer op zijn gemak. Hoewel hij voortdurend inspiratie put uit de spiritualiteit van het Midden-Oosten en de soefitraditie, beschouwt Dhafer Youssef zichzelf evenmin als religieus. Het vogelthema dat door het hele album loopt, suggereert echter niet alleen fysieke hoogte, maar ook spirituele verheffing.